www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei.
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / De Sacramenten der Kerk (deel 3) ~ De Eucharistie

De Sacramenten der Kerk (deel 3) ~ De Eucharistie

door: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P., 14 september 1993

Het doopsel is het noodzakelijkste Sacrament voor de mens, maar de heilige Eucharistie is van alle het belangrijkste, omdat het Christus zelf bevat onder de gedaanten van brood en wijn: zijn ziel, lichaam en bloed, onafscheidelijk verenigd met zijn Godheid. Wanneer de gewijde priester de woorden van de consecratie uitspreekt, komt Christus zelf op het altaar en blijft Hij er, zolang de gedaanten van brood en wijn blijven bestaan. Dit is een groot wonder, dat wij niet kunnen begrijpen, maar in geloof aanvaarden.

Het grote sacrament wordt met allerlei namen aangeduid, waarvan de belangrijkste: de Eucharistie, een Grieks woord is, waarvan de oorspronkelijke betekenis “dankzegging” is. Wij danken God door Hem te prijzen om zijn grootheid en om de weldaden die Hij ons bewijst. Daarom is de viering der Eucharistie, in de Kerk die het Latijn als liturgische taal had, “de Heilige Mis” genoemd, vóór alles een daad van lofprijzing van God, waarin wij Hem aanbidden. Wij willen hier de H. Eucharistie onder drie opzichten beschouwen: Christus’ tegenwoordigheid onder ons, zijn Offer, de heilige Communie.

1. De werkelijke tegenwoordigheid

Hoewel de H. Eucharistie het grootste der sacramenten is, wordt zij toch niet vermeld in het Credo, waarin alleen het noodzakelijkste sacrament, het Doopsel, vermeld wordt. Dit moet ons niet verwonderen: in de alleroudste tijden der Kerk, toen de geloofsbelijdenis der Apostelen haar vorm kreeg, was het geloof in de H. Eucharistie een vanzelfsprekende zaak, bekend uit de H. Schrift, en de viering ervan was alleen voor de ingewijden bestemd, niemand anders mocht er bij zijn, ook de doopleerlingen niet. De Eucharistie werd alleen gegeven aan de gelovige leden der “katholieke” Kerk, niet aan ongelovigen of ketters.

Instelling

Zoals iedereen weet, heeft Christus het allerheiligste sacrament ingesteld op het laatste avondmaal. De teksten zijn te vinden in Mattheus 26, 26-28; Marcus 14, 22-24; Lucas 22, 17-20 en de 1ste brief van St. Paulus aan de Corinthiërs, l Cor. 11,23-26. Wanneer men deze vier teksten naast elkaar legt, ziet men dat zij onderling enkele kleine verschillen vertonen, die echter niets afdoen aan wezenlijke betekenis, uitgedrukt in de woorden “Dit is mijn lichaam”, “Dit is mijn bloed”. Lucas en Paulus voegen eraan toe, dat het brood het lichaam is geworden dat voor de leerlingen zal worden “overgeleverd”, de wijn het bloed (resp. “de kelk van”, d.i. met, het bloed) dat voor hen zal worden vergoten. De Kerk heeft in de woorden der consecratie het werkwoord “is” altijd in zeer werkelijke zin verstaan. Onze Verlosser heeft niet gezegd: “dit betekent mijn lichaam, mijn bloed” of “dit is een teken, een symbool van mijn lichaam en bloed”. Neen, zij zijn het. In de Aramese taal die Jesus gebruikte kon “is” op verschillende manieren worden uitgedrukt, resp. duidelijk gemaakt; welke Jesus heeft gebruikt, weten we niet. De Kerk heeft de woorden van Christus altijd zo verstaan als zij het nu nog doet, wat al blijkt uit de alleroudste overlevering. Het kon ook moeilijk anders zijn geweest. Toen de z.g. kerkhervormers der 16de eeuw met de theorie naar voren kwamen, dat “dit is mijn lichaam” moet worden verstaan als “dit betekent mijn lichaam”. was dit niet anders dan een breuk met een overlevering van vijftien eeuwen met de Kerk van Oost en West. De woorden der H. Schrift moeten worden verstaan in de zin die de Kerk er altijd aan heeft gegeven, zeker in zulk een belangrijke zaak als deze.

Door de consecratie van brood en wijn heeft een voor het oog en de zintuigen onmerkbare, alleen door het geloof kenbare totale verandering plaats van het brood en de wijn in het (nu verheerlijkt) lichaam en bloed van Christus. Na de consecratie zijn brood en wijn niet meer wat ze wezenlijk waren, slechts de gedaanten waaronder zij zich aan onze zintuigen voordoen zijn gebleven. De Kerk gebruikt hiervoor al eeuwen lang het woord “transsubstantiatie”, waarmee zij bedoelt te zeggen dat de substantie, de zelfstandigheid, van brood en wijn zijn veranderd in die van de verheerlijkte Christus. Modernisten brengen tegenwoordig naar voren, dat “substantie” een middeleeuws filosofisch begrip is, voor het geloof van geen betekenis. Maar dit is onjuist. Voor zover “substantie” een typisch filosofisch begrip is (Aristoteles, 384-322 v. Chr. kende het reeds), heeft het geen plaats in ons geloof. Maar de Kerk gebruikt het als algemeen menselijk begrip, dat ieder kan begrijpen. “Substantie” is “wat op zichzelf is en niet in iets of iemand anders”. Gewicht, kleur, smaak enz. zijn geen substanties, want het is altijd iemand of iets die ze heeft. Datgene wat ze heeft en in zichzelf berust, noemen wij “substantie” (afgeleid van het Latijnse woord stare = staan). “Groenheid”, “zwaarte” enz. bestaan niet op zichzelf; er is altijd iets dat ze heeft, dat is. Dit kan eenieder begrijpen.

Wij spreken graag van “werkelijke tegenwoordigheid” van Christus in de H. Eucharistie. Deze uitdrukking is goed katholiek en juist, als men onder “werkelijke” tenminste “substantiële” (tegenwoordigheid) bedoelt. Toen op het z.g. “pastoraal concilie”, in de jaren ’70 te Noord-wijkerhout gehouden, kard. Alfrink eens zijn geloof uitsprak in de “werkelijke tegenwoordigheid”, riep de protestantse prof. Berkhout uit: maar dat is hetzelfde wat wij Protestanten óók geloven! Dat was het niet, omdat Berkhout en de zijnen, én talloze modernisten die nog steeds niet eerlijk genoeg zijn om de Kerk te verlaten, met “werkelijk” iets anders bedoelen dan de Kerk. Een beeld, een symbool, is óók iets werkelijks, zeggen zij, en dus is een zinnebeeldige tegenwoordigheid óók een “werkelijke”! Maar zo heeft de katholieke Kerk dit nooit bedoeld en ook haar gelovigen niet. De “werkelijke tegenwoordigheid” is een zelfstandige, geen hersenspinsel. En wij bewijzen dat wij erin geloven door diep voor het Heilig Sacrament, het “Allerheiligste” dat wij op aarde hebben, neer te knielen en het aanbidden. Wie dat niet doet, gelooft óók niet in de werkelijke, dat is zelfstandige, substantiële tegenwoordigheid. Voor Luther is Christus’ lichaam nu nog overal tegenwoordig, en wanneer het “heilig avondmaal” door zijn mensen wordt gevierd, is Christus volgens hem “in, met en door” brood en wijn aanwezig, waarin niets is veranderd en daarom blijft elke aanbidding achterwege. Calvijn dacht dat in de eucharistie Christus zich met de gelovigen verenigt door zijn macht, enz., wat volgens hem alleen mogelijk is door het geloof van de gelovige die het brood en de wijn ontvangt. “Katholieke” modernisten hebben de ingewikkelde woorden “transfinalisatie” en “transignificatie” uitgevonden, om het “uit de tijd” zijnde “transsubstantiatie” te vervangen! Met het eerste woord bedoelen zij dat brood en wijn in de viering der eucharistie een ander doel krijgen, met het tweede, dat de betekenis verandert. Dat doet een bezem ook, als ik er iemand een pak slaag mee geef, of als een heks ermee door de lucht rijdt. Maar de bezem blijft bezem. Brood en wijn worden echter het heilig Lichaam en het kostbaar Bloed van Christus.

Inaestimabile donum

Met bovenstaande woorden, die “Onschatbare Gave” betekenen, begint een verklaring van de H. Eucharistie van Joannes Paulus II, die er een groot vereerder van is en op elke Witte Donderdag de priesters der Kerk in een bijzondere brief daaraan herinnert, daarbij de katholieke leer belijdend en verklarend. Ook Paulus VI heeft dit gedaan in zijn prach­tige encycliek Mysterium Fidei, “Geheim van het Geloof”. Niet alleen dat wij voor het H. Sacrament in de H. Mis, in het tabernakel of uitgesteld, knielen en het aanbidden, de tegenwoordigheid erin van onze Zaligmaker vervult ons ook met blijdschap en geluk. “God is daar” weten wij, Hij is daar voor ons, en wij kunnen niet en niets zonder Hem. Toen in de Middeleeuwen enkelen publiek twijfelden aan de katholieke leer der Eucharistie, is de verering van het H. Sacrament, hét Sacrament bij uitstek, geweldig opgebloeid. Uit die tijd dateren de sacramentsprocessies en de uitstellingen in de monstrans. In onze tijd zien wij juist het tegendeel gebeuren. De huidige bureauliturgisten, in het geheim samen­komend met zes Protestanten (niet met afgescheiden Christenen die hetzelfde Eucharistiegeloof hebben als wij, maar juist met hen die het niet hebben) hebben een nieuwe liturgie samengesteld waarin de eerbetuigingen voor het H. Sacrament voor een niet gering deel zijn verdwe­nen. Zij hebben Paulus VI (die vermoedelijk niet besefte wat hij deed en wat er de gevolgen van zouden zijn) voor hun ontwerpen kunnen winnen en ze aan de Kerk kunnen opdringen. Onze lege kerken zijn er voor een niet te onderschatten deel het resultaat van.

2. Het Eucharistisch Offer

Van de vroegste tijden der Kerk, teruggaande op die der Apostelen, heeft men in de viering der H. Eucharistie een offer gezien, aan God opgedragen. In de Byzantijnse liturgie heet het centrale gedeelte ervan (door ons canon genoemd) anaphora = offerande, offer. In de Syrische liturgie spreekt men van qoerbana, qoerbono, wat hetzelfde betekent. “Mis” is een heel ander woord; het is afgeleid van het Latijnse missa = wegzending. Aan het einde der viering zong diaken of priester Ite missa est = Gaat, het is (nu) de wegzending, waarin men later “Gaat, de Mis is uit” gezien heeft! Zo kreeg de viering de naam van Missa, Mis, H. Mis, H. Misoffer. In Nederland is deze naam zo goed als verdwenen, maar in de kerkelijke terminologie, ook de huidige, is dit helemaal niet het geval. Het woord “Misoffer” is hier in de ban gedaan, omdat men er niet meer in gelooft.

Jesus heeft de H. Eucharistie ingesteld ter gedachtenis aan zijn lijden en sterven; in de lofzang Adoro Te heet zij Memoriale mortis Domini, “Gedachtenis aan de dood des Heren”. “Doet dit ter gedachtenis aan mij” lezen wij in l Cor. 11,24 na de consecratie van het brood; na die van de kelk: “Doet dit, zo dikwijls gij hem zult drinken, tot gedachtenis aan Mij” (vs. 24). En St. Paulus voegde eraan toe: “Want zo dikwijls gij dit brood eet en deze kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, tot Hij komt”. De viering van de H. Eucharistie, de H. Mis, is dus géén gedachtenis aan het Laatste Avondmaal (de Protestanten spreken van “het Avondmaal”, de Anglicanen van “Communion Service”), maar van Christus’ lijden en dood. De H. Paulus staat hiervoor borg. Bij het laatste avondmaal zag Jesus zijn lijden en dood vooruit, hij wist dat het de laatste maal zou zijn, dat hij tijdens zijn sterfelijk leven met zijn Apostelen samen was. Bij die gelegenheid heeft Hij ons de H. Eucharistie nagelaten als middel om ook na zijn dood bij zijn leerlingen te blijven, waarbij dezen zijn dood zouden gedenken. De dubbele consecratie (van brood en wijn) hangt hiermee wezenlijk samen: het gebroken brood noemde Hij (en was) zijn lichaam, “dat voor u zal worden gegeven” (Luc. 22, 19), d.w.z. voor uw heil zal worden weggegeven, overgeleverd. De kelk heeft Hij geconsacreerd na de maaltijd en gezegd dat hij het bloed van het Nieuwe Verbond is (= bevat), dat voor u en voor velen wordt vergoten, “tot vergiffenis van zonden” (Mt. 26, 27). De dubbele consecratie betekent en verzinnebeeldt de dood van de Verlos­ser, waarbij zijn bloed voor ons werd vergoten. Wij behoeven ons niet af te vragen of Jesus al zijn bloed voor ons heeft vergoten, dit was duidelijk vóór zijn dood niet het geval; toen zijn zijde met een speer werd geopend vloeide er veel meer “water en bloed” (Joan. 29, 34). De sacramentele scheiding van Jesus’ lichaam en bloed verzinnebeeldt zeer daadwerkelijk zijn dood. De dubbele consecratie is het uitwendige sacramentele teken, waarmee Jesus’ dood voor ons wordt beduid en genade wordt geschonken, door Jesus aan het kruis voor ons verdiend.

Matthëus en Marcus getuigen dat Jesus heeft gezegd dat Hij zijn bloed heeft uitgestort “voor velen”; hiermee herinnerde Hij uitdrukkelijk aan hetzelfde woord dat vijfmaal voorkomt in Is. 52, 13-53, 12: de grote voorspelling van de lijdende Dienaar, in Christus op volmaakte manier vervuld. Als men tegenwoordig in de consecratiewoorden haast overal “voor velen” heeft vervangen door “voor allen” (in Nederland zelfs door “voor alle mensen”!!), is dit niet alleen een foute vertaling, maar wordt ook het verband met de profetie van het Oude Testament op ontoelaatbare manier verzwakt. De achtergrond hiervan kan moeilijk een andere zijn, dan dat men wil aannemen dat alle mensen zalig worden (want Christus heeft zijn bloed toch niet voor niets voor hen vergoten!). Liturgisten hebben wel beweerd dat het Hebreeuwse of Aramese woord voor “velen” in feite de betekenis zou hebben van “allen”, maar dit wordt door alle deskundigen tegengesproken en is in geen enkele verta­ling – voor zover mij bekend – te vinden. Beide talen hebben een woord dat “alle” beduidt en daarnaast een dat een veelheid betekent. In die laatste betekenis heeft Jesus het gebruikt; “voor velen” betekende voor Hem een niet nader omschreven groot aantal personen. Daarbij werd niemand uitgesloten, maar evenmin werden “alle mensen” ingesloten. . Hierover zijn alle bijbelverklaarders het eens.

Jesus noemde de inhoud van de kelk ook “het bloed van het verbond”, waarmee hij zinspeelde op de sluiting van het verbond van God met Israël aan de voet van de Sinaï, waarvoor een offerdier was geslacht en de Israëlieten met een deel van het bloed ervan waren besprenkeld (Ex. 24, 8). Daarenboven herinnerden Jesus’ woorden ook duidelijk aan de profetie van Jeremias: “Zie de dagen gaan komen, zegt de Heer, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten” (Jer. 31,31).

Bij de instelling der H. Eucharistie heeft Jesus op verschillende passages en voorzeggingen van het Oude Testament gezinspeeld en voor ieder die deze kent en ze zich herinnert kan er geen twijfel mogelijk zijn, dat Jesus het deed om op zijn aanstaande dood en de betekenis ervan te wijzen. Dus in de consecratiewoorden géén “voor allen” en zeker niet “voor alle mensen”! De nieuwste Catechismus voor de hele Kerk vertaalt dan ook niet met “voor allen” maar met “voor een menigte” (ib., nr. 610, 613, 1365, 1846), in overeenstemming met de “Bijbel van Jerusalem”. Men moet hopen dat men in de liturgie in de volkstaal de nieuwste Catechismus zal volgen. Jesus heeft zichzelf maar éénmaal voor ons geofferd: “Christus is eenmaal geofferd om de zonden van velen weg te nemen; de tweede maal zal Hij zonder zonde verschijnen aan hen die Hem tot (hun) heil verwachten” (Hebr. 9, 28; zie ook 7, 27; beroemde teksten). Als het nu vaststaat dat de Verlosser zich maar één enkele keer aan het kruis heeft geofferd en daarmee één enkel offer heeft opgedragen, hoe kan het dan zijn dat ook de H. Mis, telkens opnieuw gevierd, óók een offer is? Het antwoord moet zijn dat dit slechts mogelijk is omdat de H. Mis één is met het kruisoffer. Zonder kruisoffer zou de H. Mis geen offer zijn; zij is een sacramenteel offer, dat dat van het kruis onder ons sacramenteel tegenwoordig stelt. Men kan het aldus zeggen: zoals onder de gedaanten van vele Hosties één en dezelfde Christus tegenwoordig is, zo wordt in de vele HH. Missen één en hetzelfde kruisoffer opgedragen; op het kruis gebeurde dit op bloedige wijze, op het altaar op onbloedige. De priester, die “in de persoon van Christus” consacreert, draagt Hem aan God op, met hetzelfde offer dat Hij aan het kruis aan zijn hemelse Vader heeft gebracht. In geloof nemen wij dit aan; de Heilige Eucharistie is een mysterium fidei, een geheim van ons geloof en zij is dit onder al haar opzichten, ook wat haar offerkarakter betreft. Over het laatste laten wij nog enige oude getuigenissen volgen.

In de zogenaamde Didachè, ook Leer der Apostelen geheten, het oudste niet-bijbelse kerkelijk geschrift (bij toeval ontdekt te Jerusalem in 1873, in een Grieks handschrift uit 1056), worden de Christenen aangemaand op zondag de Eucharistie te vieren “na uw zonden te hebben beleden, opdat uw offer (thusia, “slachtoffer”) rein zij… Want dit is wat door de Heer is gezegd: ‘Draagt mij op elke plaats en tijd een zuiver offer op, want ik ben een grote Koning zegt de Heer, en mijn naam is wonderbaar bij de heidenen’ (Didachè 14, 1.3; het citaat is uit de beroemde profetie van Malachias, l, 11.14). Wanneer de Didachè is ontstaan, is nog omstre­den; het moet rond het jaar 100 zijn geweest (John A.T. Robinson denkt zelfs dat het boek tussen 40 en 60 is ontstaan; J.P. Audet: vóór 70; B. Altaner e.a.: 1ste helft 2de eeuw). Paus Clemens I schreef in 110 aan de Corinthiërs dat, terwijl in de Joodse tempel de hogepriesters, de pries­ters en de levieten de offers opdroegen, dit nu in de Kerk gebeurt door bisschoppen, priesters en diakens (Brief, hfdst. 40-41). S. Ignatius van Antiochië schreef in 96 aan de kerk in Philadelphia: “Zorg ervoor één Eucharistie te gebruiken: één Vlees van onze Heer Jesus Christus en één Kelk om verenigd te zijn met zijn bloed, één altaar, zoals er ook één bisschop is..!’ (Phil., 4). In soortgelijke geest schreven ook S. Justinus martelaar (+ 165), S. Ireneüs van Lyon (2de eeuw), S. Clemens van

Alexandrië (+ vóór 215), S. Cyprianus ( + 258), om van latere vaders en kerkelijke schrijvers niet te spreken (zie ook mijn Ik Geloof, p. 143-144). De leer dat de viering der H. Eucharistie een offer is, is zo oud als de Kerk.

Diegenen, die deze leer niet willen aanvaarden, doen dit doorgaans omdat zij niet geloven dat brood en wijn veranderen in Christus’ lichaam en bloed, zodat Hijzelf op het altaar aanwezig komt. Is dat niet het geval, dan kan Hij er ook niet op worden geofferd. De twee hangen samen. Als in de misboekjes (pardon, eucharistieboekjes), die in Nederland in de kerken gebruikt worden en waarin men de meest uiteenlopende teksten vindt, tot de gekste toe, nergens meer van “offer” sprake is, dan is dit omdat bijna overal de “leer” van de Nieuwe Katechismus van 1966 ingang heeft gevonden, waarin die der Kerk omtrent de werkelijke tegenwoordigheid en transsubstantiatie wordt ontkend. Maar wil men geen offer opdragen op het altaar, dan heeft men ook niet meer de bedoeling te doen wat de Kerk doet, en daarmee worden dan ook de consecraties op zijn minst uiterst twijfelachtig, zelfs als “geldige woorden” worden gebruikt. Een dominee gebruikt die ook, maar consacreert niet.

Doordat de H. Mis een gedachtenis is van het Offer van Calvarië en dit op het altaar tegenwoordig stelt, is zij een machtig middel om dikwijls te denken aan wat de Verlosser voor ons heeft gedaan. Het geeft ons ook vergiffenis van zonden: indirect van doodzonden, doordat het ons opwekt tot berouw; direct ook van dagelijkse zonden.

“Geestelijke offers”

In verschillende teksten van het Nieuwe Testament worden wij vermaand onszelf aan God op te dragen als “geestelijke offers”. Zo zegt St. Paulus: “Ik smeek u, broeders, door de barmhartigheid van God, uw lichamen op te dragen als een levend offer (thusian), heilig, God behagend, uw geestelijke offerdienst” (Rom. 12,1). De Christenen namen al spoedig niet meer deel aan de offerdienst in de tempel, zij moeten zichzelf opdragen als een “geestelijk” offer. Duidelijk is, dat het woord “offer” hier in overdrachtelijke zin wordt bedoeld. Maar dit neemt niet weg, dat de viering der Eucharistie een echt offer is. Men kan ook haar een “geestelijk offer” noemen, in zover de diepe werkelijkheid ervan voor ons “geestelijk” is, een geheim dan wij geloven maar niet begrijpen; wij nemen alleen de uiterlijke gedaanten waar en het zinnebeeldig onderscheid tussen die van brood en wijn.

Het Oude Testament kent ook nog “lofoffers”, d.w.z. echte offers (van de soort der “vrede-offers”) van vlees en bloed, bedoeld om God op bijzondere wijze te prijzen, hem lof te brengen. In overdrachtelijke zin gebruikt, moet heel ons christelijk leven een aan God gebracht “lofoffer” zijn. Er zijn Anglicanen, sommige Protestanten, die dit woord ook wel van de viering der Eucharistie willen gebruiken en mét de katholieke Kerk willen zeggen dat de Eucharistie een “offer” is. Dit kan men soms in gezamenlijk “oecumenische” verklaringen vinden. Maar pas op! Zij bedoelen er iets heel anders mee dan wanneer de Kerk van het “H. Misoffer” spreekt. Hun “lofoffer” is er een in overdrachtelijke zin. Alléén de priester aan het altaar consacreert, hij draagt daarom het heilig offer aan God op, en wel “in de Persoon van Christus”, niet slechts als diens vertegenwoordiger. Een mens kan brood en wijn niet veranderen in het Lichaam en het Bloed, alleen God kan dit. Als de priester de woorden der consecratie uitspreekt, doet hij dit als instru­ment, als werktuig van de Godmens, niet slechts in zijn naam (dit laatste is ook waar, maar niet volledig). De gelovigen en zelfs andere priesters, die de viering alleen maar bijwonen, consacreren dus niet. Als toch wordt gezegd (zoals in de Romeinse canon der H. Mis) dat zij mede het offer aan God opdragen, betekent dit dat zij, leden van het Mystieke Lichaam, er zich geheel en al bij aansluiten, zij brengen mét de priester lof aan God, en mét Christus dragen zij zichzelf aan God op. De H. Mis aandachtig en intens bijwonen, zich daarbij in geest en hart geheel aansluiten bij de priester aan het altaar en de Hogepriester Jesus Christus, is het meest verhevene wat een Christen op aarde kan doen, wanneer hij niet zelf, priester zijnde, het offer opdraagt.

Woorden der consecratie

De woorden der consecratie zijn dezelfde die Jesus bij het Laatste Avondmaal heeft gebruikt en waarvan “Dit is mijn lichaam” en “Dit is mijn bloed” de wezenlijke elementen zijn. Wij vinden ze terug in bijna alle liturgieën der Kerk van Oost en West. De Nestorianen hebben ze al vrij zeker sinds de 7de eeuw niet meer in de meest gebruikte van hun drie anaphora’s. Dit is een bijzonder probleem voor de liturgisten, maar er ontbreken er niet die overtuigd zijn dat zij in de alleroudste tijd zeker gebruikt werden. Dit was o.a. de stelling van de bekende liturgist Dom Botte OSB (Leuven), en hij had er goede argumenten voor. Het geval der Nestorianen is raadselachtig, maar staat op zichzelf. Als in liturgische handschriften der Jacobieten spaarzame “instellingswoorden” voorkomen die de toets niet kunnen doorstaan, is dat een heel andere zaak.

Epiclese

In het christelijk Oosten heeft men al zeer vroeg de “instellingswoorden” (“Dit is mijn lichaam, mijn bloed” enz.) laten volgen door een aanroeping van de Heilige Geest (“epiclese”) waarin deze gevraagd wordt de consecratie tot stand te brengen. In de oude Romeinse ritus hebben deze steeds ontbroken. In de oude Romeinse canon worden de woorden van de consecratie voorafgegaan door een gebed tot God, waarin wordt gevraagd dat de gaven op het altaar “voor ons” het lichaam en het bloed van Christus mogen worden. Dit gebed is niet tot de Heilige Geest gericht en gaat aan de consecratie vooraf; in de oosterse riten volgt de epiclese op de consecratiewoorden. Wij gaan hier een ogenblik op in, omdat de algemene Romeinse katechismus van 1992 grote waarde hecht aan de epiclese, maar in deze moeilijke en deels ook netelige zaak niet voor ieder voldoende duidelijk is.

Een gebed tot de Heilige Geest om brood en wijn te veranderen in Christus’ lichaam en bloed als de consecratiewoorden reeds gesproken zijn, lijkt ons westerlingen vreemd. Er is veel voor te zeggen dat men het . in de oude tijd nodig heeft gevonden de rol van de Heilige Geest, de Heiligmaker, te onderstrepen. Zoals de Menswording van Christus wordt toegeschreven aan de Heilige Geest, zo ook (niet alleen in het Oosten, maar ook wel in het Westen) de nederdaling van Christus op het altaar. Op westerse tabernakeldeuren (ik denk aan die van de Dominicanenkerk te Zwolle) is soms een afbeelding van de boodschap van de engel aan Maria te zien, d.w.z. van de Menswording van het Woord. Hier aan een parallel te denken, lag voor de hand. Maar men kon de woorden van de instelling van het H. Sacrament nu eenmaal niet samen met de aanroeping van de Heilige Geest uitspreken en daarom zegt men die daarna, er onmiddellijk op volgend. In de byzantijnse orthodoxie zijn velen van mening dat voor een geldige consecratie zowel de instellingswoorden noodzakelijk zijn als de epicles. Zij menen dit op grond van een uitspraak van S. Joannes Chrysostomus, die duidelijk zegt dat de consecratie door de woorden van Christus tot stand komt.

Voor de geldigheid der consecratie, waarbij men minstens moet “willen doen wat de Kerk doet”, is het niet noodzakelijk maar wel streng verplicht dat men zich aan de voorgeschreven liturgische tekst houdt. Voor de geldigheid absoluut noodzakelijk is, dat de woorden hetzelfde betekenen. Maar het is niet genoeg alleen zulke woorden goed uit te spreken: de bedoeling daarmee “te doen wat de Kerk doet” moet duide­lijk blijken uit de gebeden die de priester voor en na de consecratie uitspreekt. Zij moeten duidelijk de bedoeling van de Kerk weergeven en in deze zin kan men zeggen dat zij bij de consecratie horen. Ik krijg meermalen teksten van “eucharistievieringen” (bij huwelijk, overlijden, eerste communie) toegestuurd, die duidelijk niet aan minimum eisen voor geldigheid voldoen. Niet zelden is uit dergelijke kwalijke huisvlijt duidelijk, dat men niet gelooft in Christus’ Godheid en dus ook niet in het offerkarakter van de H. Mis. Dan heeft men niet de bedoeling te doen wat de Kerk doet, en hebben de “consecratiewoorden” geen enkele sacramentele waarden, zij zijn niet geldig, hoe precies ze misschien worden uitgesproken. Ook de afgevallen priester die zijn hoofd om de deur van een bakkerswinkel steekt en dan hard roept. “Dit is mijn lichaam!” consacreert niet, want zoiets doet de Kerk niet en nooit. De consecratiewoorden zijn geen magische formules, geen toverwoorden; de priester spreekt ze uit in de Persoon van Christus wanneer hij daarbij “doet wat de Kerk doet”, nl. het eucharistisch offer op de gebruikelijke en voorgeschreven wijze opdragen.

3. Is de H. Mis een maaltijd?

Wij moeten niet zeggen dat de H. Mis een maaltijd is en zeker niet dat dit het diepste wezen ervan uitmaakt, maar dat er een “maaltijd” aan verbonden is. Het woord “maaltijd” moet dan ook goed verstaan wor­den: het nuttigen van een klein stukje brood en van een slokje wijn wordt nu eenmaal niet een “maaltijd” genoemd, ook niet als zij Christus’ lichaam en bloed zijn geworden. Hoogstens kan men van een symboli­sche maaltijd spreekt. De Kerk doet dit dan ook, zoals o.a. blijkt uit het bekende gebed O sacrum convivium “O heilige maaltijd, waarin Christus genuttigd wordt, waarbij zijn lijden wordt herdacht, de geest vervuld wordt met genade, en ons het onderpand van de toekomstige glorie wordt gegeven”. Het gebed is vermoedelijk van St. Thomas van Aquino.

Jesus heeft de H. Eucharistie ingesteld onder de gedaanten van brood en wijn, van voedsel dus. Tot Nicodemus heeft hij gezegd: “Als gij het vlees van de Zoon des Mensen niet eet en zijn bloed niet drinkt, zult gij het leven niet in u hebben. Hij die mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwig leven en ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” (Joan. 6, 53-54). Wij nuttigen dus Jesus’ verheerlijkte lichaam en bloed, echter niet zoals wij gewoon vlees en bloed eten en drinken. Daarom is de H. Communie geen echte, aardse maaltijd, maar een sacramentele, zij is het teken, zinnebeeld van een bovennatuurlijke werkelijkheid en bevat deze. Zij sluit aan bij het offer dat de H. Mis is, maar is niet het offer zelf, dus niet het meest wezenlijke der H. Mis, die daarom volkomen ten onrechte door de Anglicanen “Communion Service” (Communie-dienst) wordt genoemd, door andere Protestanten “(Heilig) Avondmaal”.

In Nederland is de benaming “canon”, die het bij uitstek priesterlijke gebed van de offerdienst draagt, vervangen door “tafelgebed”, omdat men in de plechtigheid slechts een “maaltijd” zien wil, een teken, niet van het ware zich verenigen van de gelovigen met de Godmens Jesus Christus onder de gedaanten van brood en wijn, maar van de deelnemers, ook wel “gelovigen” geheten, met elkaar in de ene “maaltijd”. Bij wie zo denkt heeft het katholiek geloof schipbreuk geleden.

Als wij onze Heer en Zaligmaker in de H. Eucharistie ontvangen, verenigen wij ons allereerst uiterlijk met Hem. Deze uiterlijke, lichamelijke vereniging is een teken van de innerlijke (daar gaat het om), indien wij Hem in een zuiver hart ontvangen. Met Jesus innerlijk verenigd zijn is de gave, de genade, die de H. Communie ons schenkt.

De grootste genade die wij van God kunnen ontvangen is dat wij “Hem zien zoals Hij is” (l Joan. 3,2), in het eeuwig leven, de eeuwige zaligheid. Die gaat de vereniging met Jesus in de H. Communie ver te boven, maar zij geeft er ons een voorsmaak van, een pignus, onderpand, zoals het in de liturgie der Kerk luidt. Met dit “onderpand” is een soort “voorafbetaling” bedoeld, te vergelijken met de deelsom die iemand aan een ander voorafbetaalt, als teken en garantie dat hij straks de hele som zal overmaken. Zo geeft de H. Communie ons nu al in geloof Hem die wij straks zullen bezitten in de aanschouwing. Zij geeft de ware vromen niet alleen een voorsmaak van wat hen te wachten staat, maar in geloof al iets van de werkelijkheid die komen gaat, als zij tot het einde toe getrouw zullen zijn en “de kroon des levens zullen ontvangen” (Apc. 2,10).

In de oude Kerk bestond de gewoonte om de H. Hostie op de hand te ontvangen, maar niet zoals dit tegenwoordig vaak zo verdrietig onwaardig, zo niet heiligschennend geschiedt (men biecht ook niet meer en vraagt zich niet af, met S. Paulus, of men wel “waardig eet en drinkt”, 1 Cor. 11, 27). Als nu nog in India een bedelaar u iets vraagt zal hij u vaak de aaneengesloten geopende handen toesteken, om daarop uw gave te ontvangen. Dit gebruik was in de christelijke oudheid in veel streken in zwang. Daarom deed wie de Gave der H. Communie ontving, hetzelfde, maar in geloof kruiste hij daarbij de handen, waarbij hij de rechter boven de linker hield. Met grote eerbied ontving hij hierop het Lichaam des Heren, dat hij met zijn lippen, niet met zijn vinger, uit zijn handen nuttigde, erop toeziende dat geen kruimel verloren ging. Uit een preek van de H. Cyrillus van Jerusalem (uit 348 of 350) weten wij dat het in zijn tijd te Jerusalem zo gebeurde. Past daarbij op, zei hij, dat er uit uw hand geen kruimel verloren gaat! Als het goudstof was dat in uw hand was gelegd, zoudt gij dat met de grootste zorg doen. Hoeveel te meer moet gij het doen nu het véél meer dan goudstof is wat gij ontvangt. Commentaar is hier overbodig.

Het is duidelijk dat de manier waarop men in Nederland meestal de H. Communie op de hand ontvangt, een onwaardige karikatuur is van het oudchristelijk gebruik. Als wij dan bedenken dat het ook nog is ingevoerd in een tij d dat het geloof in de ware tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie zo afnam, dat Paulus VI er een bijzondere encycliek aan heeft gewijd (Mysterium Fidei van 3.9.1965), en in dezelfde tijd de z.g. Nieuwe Katechismus van 1966 het geloof in de transsubstantiatie niet meer wilde leren (vgl. de kritiek der Kardinalencommissie), dan is het duidelijk dat dit gebruik niet uit het geloof is voortgekomen, niet uit de eerbied voor de eucharistische Christus, noch uit liefde voor Hem en geloof in zijn Godheid. Dit blijft waar, ook als kerkelijke autoriteiten zich er in deze tijd van geloofsverzwakking bij hebben neergelegd, laat ons vurig hopen: voorlopig.

Om waardig de H. Communie te ontvangen, moet men dit doen in groot geloof in de eucharistische aanwezigheid van Christus, volgens de H. Schrift en de leer der Kerk, en met een zuiver geweten dat vrij is van doodzonden. Wie gehecht is aan dagelijkse zonden moet deze gehechtheid afleggen, want het heeft geen zin zich met God te willen verenigen en tegelijkertijd tegen hem willen zondigen, “al zijn het dan geen doodzonden”. Het beste middel daartoe is de biecht. Iemand die in Nederland tot bisschop werd benoemd en zich bewust was van de zwaarte van dit ambt, zei mij eens: deze nieuwe functie heeft tenminste één voordeel: nu hoef ik niet meer regelmatig de H. Communie uit te reiken aan personen, die ertoe naderen en waarvan ik in het algemeen zeker kan zijn dat velen het niet waardig zijn! Een publieke zondaar mag de priester niet tot de H. Communie toelaten, zelfs niet in het publiek, en daarom is hij verplicht haar aan demonstratief homoseksuelen te weigeren. Maar aan anderen mag hij dit niet doen, maar hij moet wel alles doen wat hij kan hen in het algemeen van hun heiligschennend gedrag te weerhouden. De H. Communie is, naar het woord van Joannes Paulus II, een inaestimabile donum, een nooit voldoende te schatten Gave. “Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel, omdat hij het Lichaam des Heren niet onderscheidt” (l Cor. 11, 29). Laten wij, gelovigen, ons hier onder alle omstandigheden aan houden.

Tegenwoordig staat de Kerk toe dat men, in bepaalde omstandigheden, de H. Communie ontvangt in een niet in gemeenschap met Rome levende oosterse Kerk. Maar als u daar komt, tracht niet het te doen, de priester zal weigeren u haar te geven. Meer nog, bij een geloofsgenoot zal hij ook willen weten of hij zonder zonden is. Ik hoorde eens een byzantijns-orthodoxe Christen in een gemeenschap vertellen dat hij in een ander land zich meldde voor de H. Communie aan het einde van een orthodoxe liturgie. De priester kende hem niet en had hem dit al twee weken achtereen zien doen. De derde maal zei hij streng: Hebt u tevoren gebiecht? Toen het antwoord “neen” luidde, werd hij overgeslagen. Bovenstaande moet ook een voorbeeld zijn in de katholieke Kerk, maar het is dit helaas niet, althans niet bij ons. Te Communie gaan “hoort erbij” vindt men, niet beseffend of zelfs niet gelovend wat het betekent. Laat ieder bedenken wat het betekent als hij zich “een oordeel” eet en drinkt; het betekent dat God hem zal veroordelen, als hij het onwaardig doet, zonder geloof, hoop, liefde. Dan is de H. Communie voor hem geen onderpand meer van het eeuwig leven; dit zal zijn deel niet zijn, wanneer hij geen berouw heeft en zich niet bekeert. Moge voor ons in vervulling gaan wat wij bidden in de laatste strofe van het Adoro Te:

“Jesus, die ik nu gesluierd aanschouw,
maak dat gebeurt waar ik zo naar dorst:
dat ik, U ongesluierd aanschouwend,
gelukzalig mag zijn door het zien van Uw glorie.”