www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei.
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / de-kerk-en-de-vrijmetselarij-deel-l

de kerk en de vrijmetselarij deel l

door: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.

Nu de terrorist van Noorwegen een politiekcorrecte massamoordenaar blijkt te zijn – nl. een Vrijmetselaar – is het goed meer achtergrondinformatie over dit genootschap tot ons te nemen. Gezien de actualiteit herplaatsen we dit tweedelige artikel van prof. J.P.M. van der Ploeg O.P. uit 1994. Hierbij het eerste deel (de red.):

Wij noemen hier zelden de vrijmetselarij. Dit is niet omdat wij haar voor de Kerk niet van belang achten of haar (wereldomvattende) betekenis zouden onderschatten. Er kan niet aan worden getwijfeld dat de vrijmetselarij een grote invloed uitoefent in organisaties als de UNO, de Unesco e.a. Een reeks van Pausen heeft sinds de 18de eeuw telkens weer opnieuw tegen de vrijmetselarij gewaarschuwd en haar voor Katholieken veroordeeld. Zij hebben zich niet vergist. Een Paus vaardigt niet zo maar een encycliek uit, zoals menig journalist een artikel schrijft. Neen, een officieel pauselijk stuk wordt goed voorbereid en de inhoud ervan zorgvuldig bestudeerd, voor het stuk op papier staat en verschijnt. Ik heb er niet over geschreven, omdat de verschillende loges, die de vrijmetselarij uitmaken voor een belangrijk deel geheime organisaties zijn die hun geheimen met grote zorg bewaren. Dit maakt het moeilijk en zo goed als onmogelijk te achterhalen wat achter de gesloten deuren besproken en besloten wordt. Dat heeft het voor mij steeds onaantrekkelijk gemaakt erover te schrijven, om geen ander woord te gebruiken.

In een brief die Leo XIII voornamelijk aan de gelovigen van Italië richtte, waarin hij hun wees op het wroeten der vrijmetselaars in hun land, lezen wij, niet ver van het begin: “Zonder de macht van vrijmetselarij te overdrijven, aan wier directe of indirecte invloed men allerlei kwaad toeschrijft waarvan wij onder godsdienstig opzicht te lijden hebben, voelt men toch de geest ervan in de feiten die wij hebben aangehaald en nog zullen vermelden, die geest die een onverzoenlijke vijand van Christus en de Kerk is…” enz.

De vrijmetselarij moet zich over tegen haar gedane beschuldigingen niet tè veel beklagen, want het is maar al te menselijk, dat een in geheim werkende organisatie als de hare van dingen verdacht wordt waaraan zij niet debet is.

Iemand stuurde ons deze dagen een advertentie uit een Nederlandse krant toe, waarin een goede katholieke Pater zijn spijt betuigt over enkele uitlatingen die hij over de Nederlandse vrijmetselarij in het publiek had gedaan. Hij had o.a. geschreven “dat het Nederlandse volk zich door vrijmetselaren geestelijk, moreel en economisch laat ondermijnen”. Van hem was toen geëist hierover in het publiek zijn spijt te betuigen, wat hij dan maar heeft gedaan, door toe te geven dat hij zijn beschuldigingen aan het adres van Nederlandse vrijmetselaars (dat zijn ze dus lang niet allemaal) gedaan, bij nader inzien niet kon “onderbouwen noch bewijzen”. Dit excuus is voor mij aanleiding geworden tot het schrijven van deze bladzijden.

Ik heb in mijn leven niet-vrijmetselaars gekend die ijverig gegevens verzamelden over de vrijmetselarij. Te Maastricht was in mijn jeugd Jacques van Term, hoofdredacteur van de toenmalige Limburger Koerier, een man die een bijzondere belangstelling voor de loges had en daarover ook boeken heeft geschreven, vol citaten uit geschriften van vrijmetselaars. Hij woonde niet ver van mijn ouderlijk huis en mijn vader wees hem mij eens op straat aan. Hij is ook medewerker voor het onderwerp “Vrijmetselarij” in de Katholieke Encyclopedie geweest. Wij willen in de volgende bladzijden zeer in het kort het ontstaan der vrijmetselarij schetsen en de houding van een aantal Pausen tegenover haar.

“De” vrijmetselarij te doorgronden is een moeilijke zaak: iemand die haar ijverig heeft bestudeerd, waarschuwt: “Waarlijk, er is geen moeilijker, geen complexer, geen geheimzinniger, geen duisterder en meer omstreden probleem dan dat van de vrijmetselarij” (Léon de Poncins in de 5de uitgave van zijn werk: La Franc-Maçonnerie d’après ses documents secrets p. 15, 1972, Diffusion de la Pensée Française). De reden hiervan is vooral de strenge geheimhouding die in de loges wordt beoefend en daar is voorgeschreven. Natuurlijk is wel het een en ander bekend geraakt, dat kan niet anders bij een beweging die zoveel leden telt. Maar de vrijmetselarij is in een aantal graden verdeeld (de meeste loges kennen er 33), waarvan slechts de drie eerste (de z.g. “blauwe vrijmetselarij”) de minste geheimen lijken te hebben. Hoe hoger men komt, hoe strenger de plicht tot geheimhouding; wat omgaat in een hogere graad blijft voor de leden van een mindere vaak geheim, kan men in verschillende ernstige publicaties lezen. In het volgende willen wij, ten dienst van onze lezers, enkele gegevens vermelden, die op veel plaatsen te vinden zijn en waarbij er zijn die duidelijk maken dat katholieke Kerk en vrijmetselarij onverenigbaar zijn.

Ontstaan

De vrijmetselarij is ontstaan in Engeland. In het middeleeuwse Europa werd op tal van plaatsen ijverig gemetseld en gebouwd. In de 13de eeuw ontstond de Gothiek en in die tijd en later verrees de ene gotische kerk na de andere. Een kathedraal van enige allure bouwen, zoals vele steden hebben gedaan, was een grootse onderneming, die veel tijd, geld en organisatie kostte. Er ontstond een soort gilden van bouwmeesters en metselaars, die in verschillende landen van Europa werkzaam waren en van Pausen privileges hadden gekregen, waarin zij o.a. vrijgesteld werden van plaatselijke verplichtingen; daarom waren zij “vrije” gilden, die geleidelijk de naam aannamen van “Vrij metselaars” . De bouwketen, die men ook in die tijd had, werden in het Engels “lodge(s)” genoemd en vandaar is de naam “loge” overgegaan op de plaatsen waar ook nu de vrijmetselaars samenkomen.

Ook de organisaties van vrijmetselaars worden “loges” genoemd. In de late middeleeuwen heetten de “gilden” van vrijmetselaars ook “broederschappen” (men kende er van allerlei soort) en de leden noemden zich “broeders”, een naam die de vrijmetselaars zich ook nu nog geven. Niet zelden worden aan hun burgerlijke naam drie punten in de vorm van een driehoek toegevoegd. Aan dit teken kent men de vrijmetselaar, zeker wanneer daaraan nog de naam van “Broeder” (Br.) wordt gevoegd. Uit de christelijke oorsprong der Vrijmetselarij is het duidelijk, dat zij oorspronkelijk in het geheel geen anti-kerkelijke bedoelingen had. Deze zijn pas ontstaan tijdens de Z.g. hervorming der 16e eeuw, toen grote delen der katholieke Kerk zich van haar afscheidden en een steeds meer vijandige houding tegenover het Pausdom en “Rome” begonnen aan te nemen. Vrijmetselaars, en in het bijzonder loges, die naar de hervorming waren overgegaan, werden daarmee tevens anti-katholiek, maar daarmee nog niet anti-christelijk.

De loges kenden (en kennen) allerlei symbolen waardoor zij zich graag bij hun bijeenkomsten onderscheidden. Zij namen allerlei verplichtingen op zich, zwoeren plechtige eden, o.a. om hun geheimen te bewaren. Fabrieksgeheimen spelen nu nog een grote rol en men kan zich voorstellen dat ook bouwers van kathedralen technische (en andere) geheimen hadden, die zij voor de buitenwacht verborgen hielden. In de middeleeuwen eiste men van de vrijmetselaars ook dat zij een onberispelijk godsdienstig leven leidden.

Door de hervorming werd de behoefte aan nieuwe kerkgebouwen kleiner. De kathedralen waren gebouwd ter ere Gods en dienden voor de plechtige eredienst, die haar centrum had in het H. Misoffer. De protestantse kerken waren in hoofdzaak plaatsen waar de gelovigen bijeenkwamen om naar de preek te luisteren en samen godsdienstige liederen te zingen; daarvoor heeft men geen grote prachtgebouwen nodig. Daarmee verloren in de protestantse landen de vrijmetselaarsloges hun oorspronkelijke, eminent praktische reden van bestaan, en zochten zij naar een andere werkzaamheid, die op het gebied der ideeën werd gevonden. In Engeland ging het vanaf de 17e eeuw voornamelijk om leer en opvattingen. In dat land hebben elkaar de z.g. Tories (aanhangers der katholieke Stuarts) en Whigs (Anglicanen en andere Protestanten) bestreden. Na de dood van Anna Stuart (1.8.1714) werd Georg van het huis van Hannover koning van Engeland en was het met de invloed van het Katholicisme definitief gedaan.

Daarmee werden de loges van de Whigs eveneens werktuigen om het katholicisme te bestrijden. Toen de loges zich in die tijd van Engeland uit over het vasteland van Europa en later in Ameria verspreidden, werden zij steeds meer anti-katholiek van aard.

Op 24.6.1717 werd in Londen de eerste grote loge gesticht, samengesteld uit vier kleine, die de moederloge der vrijmetselarij van de hele wereld is geworden. De naam van James Anderson is hieraan verbonden en ook die van de naar Engeland uitgeweken Fransman Theophile Désaguliers, een protestant.

James Anderson stelde (nieuwe) statuten op, die op 17.1.1723 werden goedgekeurd en aanvaard. Volgens deze is de vrijmetselarij “een centrum van gemeenschap en een middel om ware vriendschap te bevorderen van personen die zich van anderen gescheiden zouden voelen”. Men legde geen andere godsdienst op dan die “waarover allen het eens waren”, terwijl ieder lid volkomen vrij was wat zijn persoonlijke meningen betreft.

In 1738 werd deze “grondwet” gewijzigd. Men aanvaardde als moraal “die van Noach” (Noé), in het bijzonder wat men beschouwde als de drie grote wetten van de held van de Zondvloed. De Engelse vrijmetselarij werd definitief anglicaans en los van de katholieke Kerk (1723), terwijl de Bijbel werd aanvaard als leerstellige norm (1728), maar op zulk een vage manier, dat personen van elke sekte en godsdienstige opvattingen lid konden worden.

Met de grote invloed van het Britse Rijk in de toenmalige wereld, nam ook die van de Britse vrijmetselarij toe en in alle landen van Europa, tot in Rusland toe (1732), werden loges ingericht.

In Frankrijk werden de loges steeds méér anti-katholiek en zelfs anti-christelijk. Zij werden de meest actieve kanalen (voor een belangrijk deel in het geheim werkend; het oude geheim der kerkbouwers werd nu voor heel andere doeleinden gebruikt) waardoor de beginselen der “Verlichting” en der Franse Revolutie in Frankrijk werden verbreid. Mensen als Voltaire, La Fayette e.a. waren er actieve leden van. Zelfs katholieke geestelijken maakten deel uit van de loges; zo waren in 1774 alle kanunniken van het kathedraal kapittel van Luik lid van een loge. Het internationale karakter der vrijmetselarij deed haar invloed overal groeien, ook langs diplomatieke kanalen.

In het Frankrijk der 1ge eeuw (om niet te spreken van de 20ste) was de vrijmetselarij in Frankrijk op politiek en wereldbeschouwelijk karakter bijzonder actief, zeer ten nadele van de Kerk.

In de Engelse loges wil men trouw zijn aan “de grote Architect van het heelal”, maar wie en wat die” Architect” dan wel is: een persoonlijke God, zoals die van Joden, Christenen en Moslims, of een onpersoonlijke zoals die van o.a. pantheïsten en agnosticisten, wordt aan ieders eigen opvatting overgelaten, waarmee het meest fundamentele leerstuk van de drie genoemde godsdiensten vervalt. Overigens is men in de vrijmetselarij tegenstanders van alle dogma’s, d.w.z. vaststaande geopenbaarde waarheden, waarmee men zich nog duidelijker van het Christendom onderscheidt.

In 1878 werd in Frankrijk door de Loge van het Groot-Oosten de paragraaf afgeschaft dat de leden in “de glorie van de grote Architect van het Heelal” moesten geloven. Dit had een breuk met de Engelse vrijmetselarij tot gevolg, maar deze betekende in het geheel niet, dat men niets meer met elkaar te maken wilde hebben. In Frankrijk stond o.a. de bestrijding van de katholieke Kerk en het uitroeien der religieuze Orden en Congregaties op het program. Naast een organisatie die op humanitair gebied werkzaam wil zijn (zoals zij dit verstaat, en wel zeer breed, de politiek maakt er een belangrijk deel van uit) is de Loge van het Groot Oosten ook sterk anticlericaal en antikatholiek.

Met welke middelen de vrijmetselarij haar doeleinden nastreeft, wordt doorgaans niet publiek gemaakt en zal wel grotendeels vallen onder het geheim der loges. Dat dit geheim streng is, hoorde ik in de zeventiger jaren op Corsica van een Engelse vrijmetselaar. Hij logeerde met vrouw en kinderen in een klooster van Dominicanen, dat daarvoor zijn te grote vrije ruimte tegen een vergoeding en maaltijden had opengesteld. De Brit was aan dit adres (Cobára) gekomen, omdat zijn dochtertjes in Engeland internen waren op een school van Dominicanessen, die hij als voortreffelijk beschouwde. Hij verzekerde mij dat hij zelfs met zijn vrouw niet mocht spreken over de geheimen der loge, ofschoon hij dit onzin vond, omdat er niets te verbergen zou zijn … Hij maakte een oprechte indruk en ik had geen reden eraan te twijfelen dat hij het niet was. Maar voor strenge geheimhouding moet een ernstige reden zijn en maakt degenen die ze onderhouden gemakkelijk verdacht – tenzij men die reden kent en goedkeurt.

De Pausen en de Vrijmetselarij

In de loop der laatste eeuwen hebben Pausen herhaaldelijk de vrijmetselarij veroordeeld als een groot gevaar voor de Kerk en hebben zij katholieken verboden er lid van te zijn. Leo XIII somt in zijn encycliek tegen de vrijmetselarij Humanum Genus (20.4.1884) de veroordelingen op die zijn voorgangers al hadden uitgesproken, te beginnen met Clemens XII (1730-1740) in zijn bekende Apostolische Constitutie In imminenti van 24.4.1738. Benedictus XIV (1740-1758) heeft deze al in het eerste jaar van zijn pausschap met een eigen Constitutie bevestigd (18.5.1751) en is daarin gevolgd door Pius VII (1800-1823) op 13.8.1821. Leo XII (1823-1829) vatte in de Apostolische Constitutie Qua graviora (13.3.1825) nog eens de bepalingen en veroordelingen van zijn voorgangers samen en verklaarde ze, naar Leo XIII later uitdrukkelijk opmerkt, als geldig en rechts krachtig voor altijd (in perpetuum). Pius VIII (1829-1830) en Gregorius XVI (1831-1846) hebben zich in dezelfde zin uitgesproken (in 1829 en 1832) en Pius IX (1846-1878) zelfs herhaaldelijk (in 1846; 1851 enz.). Pius IX werd tot Paus gekozen op 16.6.1846 en zijn eerste schrijven waarin de vrijmetselarij wordt veroordeeld dateert al van 9.11.1846. Na de bovenvermelde encycliek van Leo XIII (1878-1903) heeft Leo zich nog meermalen tegen de vrijmetselarij uitgesproken, zoals een encycliek van 1884 en in een brief van 8.12.1892. In wat volgt willen wij kort aangeven wat Leo XIII in zijn encycliek Humanum Genus van 1884 aan de vrijmetselarij verwijt.

De Paus is in zijn verwijten niet karig en gebruikt felle taal, waarbij hij er echter op wijst dat hij de vrijmetselarij in het algemeen, als “secte” zoals hij haar noemt, niet de individuele leden, op het oog heeft. Onder de leden, zegt hij, kunnen er niet weinig zijn die zich zonder schuld met de vrijmetselarij hebben ingelaten en geen aandeel hebben aan haar wandaden, terwijl zij niet zelden ook niet al haar doeleinden kennen. Sommige loges daarmee verwante organisaties en leden keuren mogelijk met alles goed ‘wat door de andere wordt nagestreefd en gedaan. Anderen vinden het raadzamer (nog) niet tot het uiterste te gaan. “Maar daarom behoren zij toch tot de Bond der vrijmetselaren, en deze moet niet alleen naar haar daden worden beoordeeld, maar ook naar haar wezenlijke grondslagen” (DS 3157).

Leo noemt de leer der vrijmetselaars “naturalisme” . Dit loochent elke goddelijke openbaring en verwerpt ieder dogma; er is volgen.s dit stelsel geen waarheid die niet met het menselijk verstand te kennen is. Deze leer, zegt Leo, trachten de vrijmetselaars in de daden om te zetten. Sinds lang bestrijden zij het Leergezag der Kerk en strijden zij voor zulk een volkomen scheiding van Kerk en Staat, dat de Staat met de Kerk met de minste rekening behoeft te houden. De katholieke Kerk moet tot het uiterste bestreden worden en zij willen niet rusten alvorens zij alles hebben uitgeroeid wat de Pausen tot welzijn van de (katholieke) godsdienst tot stand hebben gebracht.

De “sekte” neemt in het algemeen nog aan dat er een God bestaat, zegt Leo maar intern is hierover zeer grote onenigheid. Feitelijk geeft de Vrijmetselarij aan de broeders grote vrijheid: ieder mag zelf uitmaken of God al of niet bestaat, of dat men “God” pantheïstisch mag verstaan. Is eenmaal het fundament van het geloof in een persoonlijke God gevallen, zegt de Paus, dan volgt de leer der schepping van alle dingen door Gods vrije wil en wankelt ook de leer der goddelijke Voorzienigheid en die van de onsterfelijkheid der zielen in het eeuwige leven. Waar en wanneer deze grondwaarheden verloren gaan, gaat hij verder, volgen de plichten der natuurlijke zedelijkheid, wier fundament God is en de door hem gegeven Eeuwige Wet, die gebiedt de orde der natuur te bewaren en met te verstoren; volgens deze door de Kerk afgewezen beginselen moet de jeugd worden opgevoed: wereldlijk, onafhankelijk en vrij.

De naturalisten, en met hen de vrijmetselaars, loochenen de zondeval waardoor de vrijheid van de wil verzwakt is. Zij nemen ook niet aan dat het huwelijk een sacrament der Kerk is en onontbindbaar. Daarom zijn zij voorstanders van echtscheiding.

Dan wijst Leo erop dat de vrijmetselaars hebben gezworen het onderricht van de jeugd te veroveren. Zij willen de Kerk hiervan volledig uitsluiten. Bovendien zijn zij van mening dat alle godsdiensten gelijk zijn en daarom gelijke rechten hebben, terwijl de staat met God geen rekening moet houden. De Kerk willen vernietigen en het oude heidendom weer willen invoeren is, aldus Leo, “een bewijs van heel buitengewone dwaasheid en van goddeloze misdadigheid”.

De vrijmetselarij is volgens hem niet alleen gevaarlijk voor de Kerk, maar ook voor de burgerlijke maatschappij. “Wie de burgerlijke maatschappij van elke godsdienstige plicht ontslaat, bedrijft niet alleen onrecht, maar handelt ook onwetend en onzinnig, want ook in de burgerlijke samenleving komt het gezag in laatste instantie van God niet van het volk”. Dit ontkennend, werkt de vrijmetselarij de revolutionaire krachten in de hand, die het bestaande wettige gezag omver willen werpen. De “vrijheid, gelijkheid en broederschap”, dat ideaal der vrijmetselaars, kan voor de Christen alleen de vrijheid der kinderen van God zijn, de broederlijkheid het feit dat allen kinderen van één Vader zijn ter.wijl de gelijkheid moet berusten op de vaste grond van rechtvaardigheid en naastenliefde, die de onderscheiden in de maatschappij niet opheft, maar harmonieus tot één geheel samenvoegt.

Wat met name de gelijkheid betreft zegt Leo, dat niemand betwijfelt dat Wij allen dezelfde menselijke natuur hebben, hetzelfde laatste doel en de rechten en plichten, die uit dit alles voortvloeien. Maar niet alle mensen zijn hetzelfde wat hun natuurlijke aanleg, hun lichaamskracht, verstandelijke vermogens enz. aangaat. Daarom is het dwaas een algemene gelijkheid te verkondigen, die in beginsel met geen bestaand en natuurlijk verschil rekening wil houden.

Niemand mag dus, om welke reden ook, zich aansluiten bij de vrijmetselarij: “Deze sekte is naar haar hele wezen en haar innerlijke natuur ondeugd en schande: daarom is het niemand toegestaan er lid van te worden of haar op enigerlei wijze behulpzaam te zijn”. De door Leo XIII gebruikte taal is er een die men in onze tijd van oecumenisme en dialoog van de zijde van het kerkelijk gezag niet meer hoort.

Bij de Pausen der 19de eeuw is zij te verklaren uit de strijd, die geheime genootschappen in Italië, waaronder de vrijmetselarij, ook openlijk tegen de Kerk voerden, wat o.a. heeft geleid tot het verlies der kerkelijke staten en de inname van Rome, waardoor de Paus lange tijd “de gevangene” van het Vaticaan werd.

Het Wetboek van het kerkelijk recht, het eerste in Zijn soort, dat in 1917 is afgekondigd en in 1918 van kracht is geworden, stelde in canon 2335 het volgende vast: “Zij die lid worden van een vrijmetselaarssekte of van een andere organisatie (associato) van hetzelfde soort, die wroeten (machinantur) tegen de Kerk of het wettig burgerlijk gezag, belopen door dat feit zelf de kerkelijke ban, (waarvan te ontslaan) op eenvoudige wijze (is) voorbehouden aan de Apostolische Stoel”. “Op eenvoudige wijze” duidt op het soort excommunicatie; zij kan (kon) ook op bijzondere of zeer bijzondere wijze zijn “gereserveerd” aan de H. Stoel, al naargelang de zwaarte van het vergrijp. De Codex van 1983 maakt van deze excommunicatie geen melding meer en stelt in canon 1374 alleen het volgende vast: “Wie lid wordt van een organisatie die tegen de Kerk wroet (machinantur), moet verdiend gestraft worden (iusta poena puniatur); wie een dergelijke organisatie bevordert (promovet) of bestuurt, moet worden gestraft met het interdict” (d.i. met het verbod de sacramenten te ontvangen).

Men heeft uit het wegvallen van de excommunicatie in canon 1374, in tegenstelling tot canon 2335 van het vroeger kerkelijk wetboek, opgemaakt dat het lidmaatschap der vrijmetselarij nu niet meer strafbaar is en dus geoorloofd. Daartegen is opgemerkt, dat volgens canon 1364 alle afvalligen, ketters en scheurmakers door het feit zelf lil de kerkelijke ban zijn. Welnu, als vaststaat (en dat is het geval, zie een volgend artikel) dat de leer en opvattingen der vrijmetselarij nog steeds volkomen in strijd zijn met het katholiek geloof, is canon 1364 ook van toepassing op de leden der vrijmetselarij. Zo beschouwd, is de vroegere excommunicatie dus niet opgeheven (aldus oud-bisschop Stimpfle van Augsburg).