www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / Bij Lucas 6, 43-49

Bij Lucas 6, 43-49

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Stemmen, Jaargang 8, nr. 11, november 1979

Nijmegen, 14 oktober 1979.

Het bovenstaande Evangelie begint met een waarheid uiteen te zetten, die door Matthes Aldus wordt samengevat: "Aan hun vruchten zult ge ze kennen!" (Mt. 7, 20), Z geformuleerd komt deze uitspraak alleen in het Evangelie voor, al spreekt het Oude Testament al van de werken van een mens als van zijn 'vruchten' (in Spr. 8, 19). Jezus' woord verkondigt wijsheid, die iedereen begrijpt; men hoeft er zijn leerling niet voor te zijn. Daarom is het niet alleen christelijke, maar menselijke wijsheid.

De woorden van het Evangelie van Lucas komen uitvoeriger voor in dat van Matthes, waar ze aan het einde van de Bergrede staan (zie Mt. 7, 15 vv.). Die plaats laat zien hoe belangrijk ze zijn, wat niet het geval zou zijn, wanneer zij alleen maar een heel algemene aan ieder bekende waarheid zouden willen uitspreken. Als wij ze gebruiken passen wij ze meestal toe in een concrete situatie, op concrete personen. Zo heeft ook Jezus gedaan. Bij Matthes leest men dat Hij ze gebruikt voor de pseudo-profeten, die zich in schaapskleren aan de mensen vertonen en de taal spreken die daarbij past, maar van binnen roofzieke wolven zijn. Aan hun vruchten, sprak Jezus - dat is aan hun werken - zult gij ze kennen. En hij voegde er aan toe wat wij k allen weten: men kent een boom aan zijn vruchten en men plukt geen vijgen van distels of druiven van een doornstruik. Nemand zoekt ze daar, niemand denkt dat hij ze ervan zal kunnen plukken. Omdat Jezus ons hiermee niets nieuws leert, gat het wr om een toepassing. Die wordt bij Lucas niet gegeven, maar wel wordt een diepe zin van het woord verklaard. "Een goed mens brengt uit de schat van zijn hart het goede voort, een slecht mens het slechte." De slechte daad vindt zijn oorsprong in het haart, daar ligt de wortel van de slechtheid van elke boze daad. De morele slechtheid, het morele kwaad, komt uit de slechte wil voort, eerst drdoor is een menselijke handeling totl kwaad. De vrucht van een boom ontstaat wanneer hij van buiten bevrucht is en hij groeit door het sap dat hem van binnen wordt toegevoerd. Zo zal de daad van een mens meestal door een uiterlijke aanleiding ontstaan, maar ze is pas goed of slecht door de bedoeling die hij ermee heeft. Is hij een goed mens en laat hij die goedheid tot haar recht komen, dan zal hij zijn daad, zijn 'vrucht', goed zijn. Zo brengt een vijgenboom vijgen voort, de vrucht die volgens de oosterlingen Eva in het paradijs verleidde, en de wijnstok druiven, waaruit de wijn wordt voortgebracht die reeds No bekoorde.

Zo is het ook met de woorden van een mens, zegt Jezus. Zijn daden komen voort uit zijn hart. En verder: "De mond spreekt waarvan zijn hart overloopt". Men kan zeggen dat dit vaak niet waar is en juist bij valse profeten over wie Jezus het heeft. Verleiden zij de mensen niet door hun zoet gevooisde leugens? Dat wist Jezus en daartegen waarschuwde Hij, maar Hij wist ook meer: niet zelden verraden slechte mensen zich wanneer zij zich niet voldoende beheersen of fouten maken in hun berekeningen. Dan vloeit hun hart over en houdt de valsheid er niet meer in besloten. Maar vroeg of laat blijkt hun slechtheid ook, wanneer het slechte doel duidelijk wordt, dat zij beoogden.

De woorden van Jezus: "Aan hun vruchten zult gij ze kennen" zijn maar al te zeer van toepassing op de tijd waarin wij leven en de valse profeten die onder ons zijn opgestaan. Wolven noemt Jezus hen in zijn Bergrede. Elke herder verdedigt zijn kudde er tegen, hij jaagt ze weg of schiet ze dood; wij moeten het beleven dat zij bij de kudde mogen blijven en daar doen wat hun aard is, zonder dat vele herders ingrijpen, zelfs maar hun stem ertegen verheffen.

Op de valse profeten slaat ook het volgende woord; "Waarom noemt gij mij Heer! Heer! als ge niet doet, wat Ik zeg?". De ware profeten spraken oudtijds uit naam van de God van Isral, de Heer. Met 'zo spreekt de Heer' beginnen veel van hun uitspraken en voorspellingen. Deze woorden moesten zelfs dienen om een authentiek woord van God aan te kondigen. Maar ook de valse profeten bedienden zich ervan. Zij deden niet wat God van hen verlangde. Wat zij het volk verkondigden was Gods Woord en Gods Wil niet. Men kan het heden beleven dat men een theoloog verdedigt door te zeggen dat hij toch zo 'trouw aan de Kerk' is, zo 'gengageerd' door haar, terwijl hij de meest wezenlijke waarheden van de geopenbaarde godsdienst ontkent, zelfs in geen echte openbaring gelooft die van een persoonlijke goddelijke Andere komt, die direct tot de mensen heeft gesproken. In een geschrift van een soort mantelorganisatie van het Secretariaat der R.K. Kerkprovincie in Nederland, dat een tegenwoordig veel genoemd tegennatuurlijk kwaad goedpraat, kan men beroepen op God vinden en fraaie woorden lezen, die van Hem worden gebruikt. Hier is het woord van Jezus van toepassing: wolven in schaapsvacht! Wat zegt gij tot mij "Heer! Heer!, als ge niet doet wat Ik zeg?".

Het laatste woord is echter niet alleen op de genoemden van toepassing. Moeten wij niet zeggen dat het ons allen vaak treft, wanneer wij uiterlijk vroom zijn en onze 'kerkelijke plichten', zoals dat heet, vervullen, wanneer wij het Onze Vader bidden en andere gebeden, maar niet lles doen wat God van ons verlangt? Aan onze vruchten kent men ons dan, kennen wij onszelf.

De evangelie-pericoop besluit met een gelijkenis. Wie Jezus' woorden hoort en ze doet is als een man, die zijn huis op de rots heeft gebouwd. In Palestina is de ondergrond dikwijls rots of zandsteen, die vaak zelfs aan de oppervlak komt en op veel plaatsen maar weinig aarde boven zich heeft. Het is duidelijk dat een verstandig man de fundamenten van het huis dat hij wil bouwen niet boven op de aarde legt, maar eerst een, twee meter graaft en ze op de harde bodem plant. Dan kan dat huis, als het van solied materiaal is, ertegen als het straks waait, stormt of stortregent, of als er na een wolk breuk een watervloed tegenaan kolkt, zoals in Palestina herhaaldelijk gebeurt, zelfs midden in de woestijn.

Wie Jezus' woorden uitvoert, zijn bevelen volbrengt, is een verstandig man, die voor de toekomst niet hoeft te vrezen. Hij is veilig - bij God. Maar de dwaas die niet zo zou bouwen, die de eerste steen maar meteen op het zand legt, is gelijk aan de man die wel "Heer! Heer!" tot Jezus zegt, doet alsof hij hem herkent als zijn Meester, maar niet uitvoert wat Hij van hem verlangt. Wie zo doet is in feite een onwaarachtig mens, een leugenaar, hij is onbetrouwbaar. Zo is ook het op het zand gebouwde huis niet betrouwbaar: oppervlakkig gezien lijkt het in rode, in feite deugt het niet. Tegen de ongunst van weer en wind is het niet bestand. Komt er een storm, dan valt het huis in, en wel volkomen, er blijft een puinhoop van over, waaronder inwonenden wellicht bedolven zijn.

De valse profeten, wil Jezus zeggen, bouwen zulke huizen voor de mensen. Zien wij naar die van onze tijd, onze omgeving. De achteruitgang van het godsdienstig en kerkelijk leven in ons land is dramatisch en blijkt o.a. uit ontstellende cijfers. Deze mensen 'bouwen' geen Kerk, het woord dat zij zo graag gebruiken (alsof de Kerk nog niet gebouwd was), en het resultaat is de snelle ondergang van een eens bloeiende Kerkprovincie.

Wij moeten uit deze pericoop van het Evangelie twee lessen trekken. De eerste is dat wij de valst profeten moeten onderscheiden en hen, voor zover dit in ons vermogen ligt, de schaapsvacht moeten uittrekken, opdat het iedereen duidelijk is, wie ze zijn. Hen alleen maar als wat onkruid te beschouwen, dat men beter niet eens identificeert, en niet uitrukt, is een fatale vergissing, die zich ten onrechte op een parabel van het Evangelie beroept. Het zijn allereerst de Herders, die de wolven moeten verjagen. Waar zij in gebreke blijven, moet ieder doen wat in zijn vermogen ligt om hun schadelijke invloed in te perken. Daarvoor is het noodzakelijk hen te identificeren, dat is: hen aan te klagen. Dat is geen onverdraagzaamheid of liefdeloosheid, maar naastenliefde, liefde voor het volk van God, dat niet te loor mag gaan.

Maar op de tweede plaats - niet n de eerste, maar gelijk ermee - moeten wij onszelf afvragen of ook wij, als wij "Heer! Heer!" zeggen, wel alles doen wat God van ons verlangt. Het komt erop aan Gods Wil te doen, al het andere baat niet, wanneer wij dit niet willen. Belijden wij daarom onze schuld, staande voor het altaar van God, waarvan men in het Oosten zo gaarne denkt dat het omringd is door de heilige engelen, die God verheerlijken en aanbidden, een schone gedachte die wel eens wr zou kunnen zijn. Er is zelfs geen enkele reden te bedenken, waarom zij het niet zou zijn. Buigen wij ons diep voor Hem neer in aanbidding, verenigen wij ons met het Offer van Christus en ontvangen wij Hem in een zuiver hart, Hij die de Heer van ons hart is als wij zijn Wil volbrengen. Dan zal dit ons een onderpand zijn, een vooruitbetaling, op de eeuwige heerlijheid, die God ons allen schenken moge.

Amen.