www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / Diakonessen in de Kerk?

Diakonessen in de Kerk?

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Maandblad - 2e JAARGANG - No. 2 - FEBRUARI 1990

Op de Romeinse bisschoppensynode van 1987 heeft een kardinaal gepleit voor de wederinvoering in de katholieke Kerk van het instituut der diakonessen, in het kader van de "emancipatie van de vrouw in de Kerk". Priesteres kunnen ze niet worden, laten zij dan de wijding en de waardigheid van diakones krijgen, die in de eerste eeuwen van de Kerk heeft bestaan! Feministinnen zullen met dit lokaas ongetwijfeld niet tevreden zijn, maar kunnen het als een tactische stap beschouwen in de richting van het door haar nagestreefde doel. Dat doel is overigens niet alleen het priesterschap, maar ook het bisschopsambt tot en met dat van de Kerk van Rome, waar dan een opvolgster van de legendarische pausin Joanna de pauselijke troon zou kunnen bestijgen.

Dit soort emancipatiegedachten ligt geheel en al in de geest van de tijd, die sinds Vaticanum II in de Kerk is doorgedrongen. Het wordt in de burgerlijke wereld steeds meer als discriminatie beschouwd, vrouwen niet tot alle ambten, overheidsambten ingesloten, toe te laten. Hoe meer men nu het "volk Gods" modelleert naar het model van de volken dezer wereld, hoe meer de eis wordt gesteld, aan alle "discriminatie van de vrouw in de Kerk" een einde te maken. Uit het door Vaticanum II met zulk een nadruk gebruikte uitdrukking "volk Gods" heeft men de (verkeerde) conclusie getrokken dat dit dan ook moet worden georganiseerd als de andere volkeren van deze aarde. In dit kader wordt de eis de vrouw tot alle kerkelijke bedieningen toe te laten begrijpelijk.

In de oude Kerk waren er diakonessen nodig, omdat in de maatschappij van die tijd (die ook toen de Kerk beÔnvloedde) de vrouw nog niet geŽmancipeerd was. Daarom kan men deze oude instelling nu niet weer doen herleven op grond van de emancipatie van de vrouw. Er is heel wat geschreven over de diakonessen in de oude Kerk, en wie toegang heeft tot de 30 enorme banden van de Dictionnaire de thťologie catholique, kan in deel IV /1, col. 685- 703 (1920) een uitvoerig artikel lezen over de geschiedenis van het vrouwelijk diakonaat, met een uitgebreide opgave van litteratuur over het onderwerp. Er zijn in de oude Kerk diakonessen geweest, voornamelijk in de eerste eeuwen, en de huidige Maronieten van de Libanon (katholieke Oosterse Christenen, met Rome al vele eeuwen lang verenigd) kunnen ze nog hebben, zoals een van hun synoden in 1736 heeft bepaald. In het in 1957 te Rome gepubliceerde Pontificale van de katholieke ChaldeeŽrs wordt als laatste taak van de te consacreren bisschop de wijding van diakonessen genoemd. Diakonessen werden oudtijds wel gewijd door handoplegging, evenals de diakens, en enkele ons bekende wijdingsformulieren waren zo goed als dezelfde als die voor de diaken.

Het Nieuwe Testament.

In het Nieuwe Testament komen drie teksten van St. Paulus in aanmerking om van diakonessen te worden verstaan: Rom. 16,1; 1 Tim. 3,11; 5,9-11. In Rom. 16, 1 beveelt Paulus de lezers van zijn brief " onze zuster Phoibe" aan, die "diaken" is van de kerk in Kenchreai. Het woord heeft hier de algemene betekenis van "dienaar" (de apostel gebruikt een mannelijk woord), zoals ook elders bij St. Paulus het geval is. In 1 Tim. 3, 8-10 zegt de apostel welke eigenschappen de diakens moeten hebben en zegt dan hetzelfde van " de vrouwen", waaronder men vermoedelijk hun vrouwen moet verstaan, want in vs 12 wordt gezegd, dat de diakens maar eenmaal gehuwd mogen zijn. In 5,9-11 gaat het over de deugden, die een weduwe moet hebben om in de Kerk voor een dienstwerk te worden aangesteld. Uit deze drie teksten valt niet op te maken dat de Apostel echt "diakonessen" op het oog had en zeker niet vrouwen, die tot de kerkelijke hiŽrarchie behoorden. Wel heeft hij het over vrouwen die, in de Christengemeente waartoe zij behoorden, een dienstwerk uitoefenden; welk, wordt niet nader toegelicht.

In 111 schreef Plinius de Jongere aan keizer Trajanus dat hij twee Christinnen had laten folteren die "ministrae" (dienaressen) waren. In een aan Paus Soter (165-174) toegeschreven tekst beklaagt deze zich erover dat aan God gewijde vrouwen zich in de Kerk gedroegen als de vestaalse maagden (die priesteressen waren) en het "waagden" de heilige vaten (kelk en pateen) aan te raken, ja met wierook rond het altaar te gaan. Dit werd door hem als een heidens misbruik beschouwd en hij beveelt dat er overal een einde aan wordt gemaakt, opdat deze "pest" zich niet verder verbreidt.

De Kerk.

Het is verder bekend dat weduwen (mits zij maar ťťnmaal gehuwd waren geweest) en aan God gewijde maagden bijzondere plaatsen in de kerk innamen. De H. Efraim de SyriŽr (4de eeuw) vervaardigde lange gedichten die "de zuivere (vrouwen)" in de kerk moesten zingen. Latere kerkvergaderingen troffen regels voor diakonessen.

De voornaamste functie van de diakonessen, ja hun allereerste reden van bestaan, was in de oude tijd behulpzaam te zijn bij het doopsel. Dit geschiedde door onderdompeling, waarbij de dopeling geheelontkleed moest zijn. Zijn dagelijkse kleren waren de zinnebeelden van de oude mens, waarvan hij zich moest ontdoen, het witte doopskleed dat hij na het doopsel ontving was het zinnebeeld van de "nieuwe mens", die hij had "aangedaan". Dit gold zowel voor mannen als voor vrouwen en het doopsel werd publiek toegediend. In de oude tijd werden nog veel volwassenen gedoopt, wat gebeurde door de bisschop of door een priester, die hem verving; bij vrouwen moest de noodzakelijke eerbaarheid in acht worden genomen. Het was hierbij dat de diakonessen haar hulp verleenden, in het bijzonder wat de zalving betrof. Het hele lichaam werd bij mannen gezalfd door bisschop of priester, maar bij vrouwen zalfde hij alleen haar hoofd, terwijl de rest van de ceremonie door diakonessen werd voortgezet.

In het dienstwerk van de Kerk was het ook nodig dat priesters en diaken hun gelovigen thuis bezochten, maar het was in de oude tijd meestal ondenkbaar dat een man een vrouwalleen in haar huis bezocht. Die taak werd toevertrouwd aan de diakonessen. Zo verrichten zij een dienstwerk, dat door de eisen van de eerbaarheid en de opvattingen van de tijd noodzakelijk was. Toen bijna iedereen Christen was, het doopsel van de volwassenen zo goed als verdwenen was en (in het Westen) de onderdompeling vervangen door begieting, verloren de diakonessen haar belangrijkste functie. Daarom verdwenen zij in het Westen al vrij vroeg, maar in het op dit en andere punten behoudende Oosten bleven zij bestaan. Daar bleven zij enkele diensten ten bate van de gelovigen verrichten. Ook werd "diakones" een soort kerkelijke eretitel (b. v. voor de overste van een klooster of voor de vrouw van de gehuwde priester).

Van de dienst van het altaar waren de diakonessen buitengesloten, zij behoorden niet tot de clerus en hadden in de kerk geen plaats temidden daarvan.

Wat de wijding van de diakonessen betreft, die uiterlijk soms bijna gelijk was aan die van de mannelijke diakens, hieruit valt niet op te maken dat deze ook als een sacrament werd beschouwd, ge/ijk aan dat, wat hun mannelijke "collega's" ontvingen. Bij een sacrament staat immers de intentie, de bedoeling voorop waarmee het wordt toegediend en ontvangen.De diakonessen werden niet gewijd om aan het altaar te dienen, te preken of te dopen. Haar dienstwerk was een heel ander, het speelde een zeer ondergeschikte rol ten opzichte van dat van de gewijde clerus. Maar het was dan toch maar een wijding, zal men zeggen?

Op bovenstaande vraag is te antwoorden dat in de oude Kerk nog niet van het begin af aan een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen sacramenten en heilige handelingen die wij sacramentalia noemen. De eerste zijn door Christus ingesteld, de laatste door de Kerk. Pas in de Middeleeuwen sprak men van de zeven sacramenten. Men vroeg zich af of b.v. ook de zalving van koningen, ja de voetwassing, een sacrament was. Dit wijst niet op een onderwaardering van de sacramenten, maar eerder, als men wil, op een te hoge waardering voor sommige sacramentaliŽn. In de oude tijd werd dus de vraag niet gesteld of de wijding tot diakones een sacrament of sacramentalie was. Maar men wist wat het voor wijding was.

Uit het bovenstaande is het duidelijk dat diakonessen nodig waren in een tijd dat de vrouw nog niet zo geŽmancipeerd was in het sociale leven als nu, terwijl de plechtigheid van het doopsel van volwassen vrouwen eisen stelde, die nu niet meer aan de orde komen. Wie het diakonaat voor vrouwen wil invoeren kan zich dus niet op de oude kerkelijke instelling beroepen.

Zoals de Kerk nog heden de z.g. maagdenwijding kent, waardoor een maagd geheel en al aan God wordt toegewijd, wat een sacramentalie is, zou zij ook bij wijze van sacramentalie diakonessen kunnen wijden. Iedereen ziet echter in, dat dit in de volkomen andere levensomstandigheden van onze tijd, met name wat het verkeer van mannen met vrouwen betreft, zonder enig nut zou zijn. De "sociale werksters" doen tegenwoordig al heel wat meer dan oudtijds de diakonessen. Een bijzondere wijding is daartoe niet nodig, een aanstelling volgens de door de Kerk vastgestelde regels is daartoe voldoende.

Bovendien is te verwachten dat diakonessen het recht zouden opeisen al datgene ambtshalve te doen wat nu aan de diakens is voorbehouden. Men zou ze (met recht) aan het altaar zien dienen en de preek houden. Zouden zij hiertoe niet het recht hebben, dan zou de " discriminatie" jegens haar blijven voortbestaan. Ook zou door velen het bereiken van een soort diakonaat als een stap kunnen worden gezien naar het volledig priesterschap. Vrouwelijke helpsters zijn door de Kerk al vele jaren in haar dienstwerk ingeschakeld, men denke b.v. aan de taak van kloosterzusters in de missielanden. Voor God zijn man en vrouw gelijk; hoger bij Hem aangeschreven staat alleen wie Hem meer liefheeft. Daarin staan de vrouwen niet achter bij de mannen, het tegendeel is misschien waar. Doch ook daarin "discimineert" God niet, Hij schenkt zijn gaven aan wie Hij wil.

Nog een slotbeschouwing. Het is al meermalen betoogd dat man noch vrouw recht hebben op bisschopsambt, priesterschap of diakonaat, omdat dit een genade van God is. Iets waarop men recht heeft is geen genade meer. Christus heeft de genade van het priesterschap gegeven, niet om iets te zijn, niet om een vooraanstaande positie in de Kerk en daarmee zelfs in de maatschappij in te nemen (de. bekoring voor veel jongelui, die zich in de ontwikkelingslanden voor het priesterschap melden), maar om te dienen, Christus te dienen en de Kerk, de gelovigen. "Niemand matige zich deze eer aan, tenzij wie door God geroepen wordt, zoals Ašron" (Hebr. 5, 4). Het is nu eenmaal door Christus zo beschikt dat alleen mannen tot deze dienende funktie, dit dienstwerk, worden geroepen. De Kerk noemt het priesterschap allereerst een ministerium, geen ambt en zeker niet "het ambt" zoals tegenwoordig ook door Katholieken, in navolging van de Protestanten, die geen priesterambt kennen, wordt gezegd.

Er worden allerlei redenen aangevoerd waarom het priesterschap aan de man is voorbehouden, maar het is te begrijpen dat niet ieder zich erdoor Iaat overtuigen. Overtuigend is: het is in de Kerk nooit zo geweest en omdat niemand recht heeft op de genade van het priesterschap of op het diakonaat kan dit recht door niemand worden opgeŽist.

De vrouw staat in menselijke waardigheid gelijk aan de man, zeker. Maar daaruit volgt niet dat zij alles moet doen wat ook de man doet.

Man en vrouw zijn nu eenmaal niet hetzelfde, of men dat nu wil of niet.