www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / Apostelen en Bisschoppen

Apostelen en Bisschoppen

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Maandblad - 1e JAARGANG - No. 1 - JANUARI 1989

De bisschoppen der katholieke Kerk zijn de opvolgers der twaalf apostelen. Dit wordt ons vaak onder ogen gehouden en wij nemen het aan. Op het grote onderscheid tussen de Twaalf en de bisschoppen der Kerk wordt echter maar zelden gewezen. Wij willen het hier uiteenzetten.

De apostelen

"Apostel" is een grieks woord dat "gezondene" betekent. Het woord komt eenmaal in de evangelies van Mattheus, Marcus en Joannes voor, 7x in dat van Lucas, 29x in de Handelingen, 31x in de brieven van St. Paulus en 7x in de overige boeken van het Nieuwe Testament; in totaal is dit 77 keer. In de griekse tekst (Septuaginta) van het Oude Testament staat het alleen in I (III) Kon. 14,6, waar te Silo een profeet zich zo noemt, "gestuurd" om slecht nieuws te melden. In het klassiek grieks kan het een gezant aanduiden en ook wel een vlootvoogd. Het woord is afgeleid van een werkwoord dat "zenden" betekent. Het hebreeuws kent een analoge uitdrukking, eveneens afgeleid van een werkwoord "zenden"; de sjaloach is de gezondene, de bode, de gevolmachtigde. Het woord kan de man aanduiden die van de gemeente volmacht heeft gekregen om voor te gaan in het gebed. Hij kan ook de gevolmachtigde van een vrouw zijn, die in haar naam een scheidsbrief aanneemt. Ook hij die uit naam van de gemeente te Jerusalem daarbuiten aalmoezen inzamelde, kon zo worden genoemd. In de Islam is Mohammed de rasoeI = gezondene, apostel, van Allah; dit is de titel waarmee hij in de korte geloofsbelijdenis wordt aangeduid ("Er is geen God dan Allah en Mohammed is zijn Apostel".).

In het Nieuwe Testament duidt het woord "apostel" zo goed als altijd een der Twaalf door Jezus "gezondenen" aan, maar niet uitsluitend (zie b.v. Hand. 4,36). In Luc. 6,13 lezen wij hoe Jesus uit zijn leerlingen twaalf mannen uitkoos "die Hij ook apostelen noemde". Tijdens zijn sterfelijk leven hadden zij al zendingen te verrichten, maar na zijn verrijzenis gaf hij hun een opdracht voor de hele wereld: "Gaat en onderricht alle volkeren, hen dopend in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en hen Ierend alles te onderhouden wat Ik u heb bevolen" (Mt. 28, 19-20). In de evangeliën is "apostelen" de bijzondere naam voor de Twaalf. Nadat Judas door zijn verraad was uitgevallen, koos men Matthias om de lege plaats aan te vullen en het "dienstwerk" (diakonia), dat aan Judas was toebedacht, over te nemen (Hand 1, 17). Het "dienstwerk" der apostelen was onderscheiden van dat der andere leerlingen.

Het is opvallend dat ook St. Paulus, die niet tot de Twaalf behoorde, zich een "apostel van Jesus Christus" noemt. Hij doet dit, omdat Jesus hem persoonlijk is verschenen en hem een opdracht heeft gegeven gelijk aan die van de Twaalf.

Volgens de overlevering hebben de twaalf apostelen zich over heel de wereld verspreid, tot in Zuid-India toe, om er het evangelie te verkondigen. Daarbij traden zij individueel op, niet als groep of als "college". Als groep zijn zij opgetreden op het eerste Pinksterfeest der Kerk; tijdens Jesus' sterfelijk leven waren ze immers altijd samen geweest en kort na zijn Hemelvaart waren zij het nog. Zij zijn enige tijd in Jerusalem bijeengebleven. (Het is niet te zeggen of zij daar altijd allen samen waren. Bij een verschijning van de Verrezene had Thomas ontbroken.) Door de vervolging van de zijde der Joden zijn zij uiteengegaan. Het eerst gingen de gelovigen uit elkaar (Hand. 8, 1), later ook zijzelf.

Toen er in Antiochië een strijdvraag was ontstaan over de noodzakelijkheid van de besnijdenis, stuurde men Paulus, Barnabas en enkele niet genoemde anderen "naar de apostelen en de oudsten te Jerusalem" (Hand 15,3). Daar werden zij ontvangen "door de gemeente (ekklèsia), de apostelen en de oudsten" (vs 4) en zij verhaalden er wat God door hen tot stand had gebracht. Toen kwamen "de apostelen en de oudsten" bijeen om de zaak te bezien (vs 6). Na lange gesprekken nam Petrus het woord en deed een uitspraak, die door Jacobus werd onderstreept en in vier punten geformuleerd (vs 20). Daarmee was de zaak beslist en men gaf Paulus en Barnabas een brief mee van "de apostelen en de oudsten" (vs 23), waarin mededeling werd gedaan van het besluit. De vergadering, die ook wel het eerste Concilie der Kerk wordt genoemd, had plaats in 49/50. Van latere bijeenkomsten der apostelen horen wij niet meer. Opvallend is dat naast de apostelen de "oudsten" (presbutérous) worden genoemd. Van dit griekse woord is ons woord "priesters" afgeleid.

Oudsten en priesters

Het instituut der "oudsten" was in Israël heel oud en stamt uit de tijd dat het volk nog in stamverband leefde. De "oudsten" vormden een raad, die grote invloed had in de leiding van een stam of groep, die altijd onder een stamhoofd stond. De oudste Christenen hebben hun geestelijke ambtsdragers niet "priesters" willen noemen. Die naam hoorde thuis in de joodse eredienst en in die van de heidenen. In de tweede eeuw kwam zij echter al in gebruik en werd spoedig algemeen aanvaard. Zodra het begrip "oudsten" dat van een functie wordt, is deze niet meer aan een leeftijd gebonden en kan deze functie ook jongeren worden opgedragen.

We mogen aannemen dat de "oudsten" der kerkgemeente van Jerusalem al "priesters" waren in onze zin van het woord. Zij waren onderscheiden van de apostelen, maar vormden op de vergadering met hen één gezaghebbende groep.

Voorrechten der apostelen

De katholieke theologen kennen de apostelen bijzondere voorrechten toe.

1. Hun arbeidsveld was heel de wereld. In die tijd sprak men nog niet van "jurisdictie" zoals wij dit doen. In ons woordgebruik zou het kunnen heten: zij hadden geen plaatselijke of landelijke jurisdictie, maar een die heel de wereld omvatte. Wij weten hoe St. Paulus te werk ging. Hij was apostel "voor de heidenen", maar wendde zich overal, waar hij kon, het eerst tot de Joden; ook trok hij heen waar het hem goed dacht. De latere overlevering Iaat de andere apostelen overal persoonlijk, niet collectief, optreden tot in verre landen. De modernisten ontkennen doorgaans, dat men in de oudste tijd al van één Kerk kon spreken; zij was, zeggen zij, een verzameling van plaatselijke "kerken", die later tot één Kerk zijn samengegroeid. Deze opvatting is onjuist en komt niet overeen met de uitspraak van Christus "op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen" (Mt 16,18). In I Cor 12,12 vergelijkt St. Paulus de Christenen met de leden van één lichaam. En ofschoon "kerk" in het Nieuwe Testament meestal de plaatselijke kerkgemeenschap aanduidt (daarmee had men in die oudste tijd het eerst en het meest te maken), is het duidelijk genoeg dat alle Christenen wisten, dat zij tot één Kerk behoorden.

Wel was het in de eerste eeuwen, die tijden van vervolging waren en waarin de middelen van communicatie niet te vergelijken waren met de onze, natuurlijk zo, dat van een centraal bestuur der Kerk nog geen sprake kon zijn, noch van iets dat daarop lijkt. Wel blijkt al heel vroeg dat de bisschoppen van Rome, opvolgers van St. Petrus, de voorrang hadden op de andere. Zo nu en dan grepen zij zelfs in het gebied van anderen in. Van een door de bisschoppen "collegiaal" bestuurde Kerk horen wij niet.

2. Het tweede voorrecht, dat men de apostelen toekent, was dat van hun persoonlijke onfeilbaarheid in het verkondigen van de geopenbaarde leer. Indien de apostelen zich in deze laatste hadden kunnen vergissen, zou het met de Kerk al in haar begin slecht gesteld zijn geweest. De Kerk is op hen bij wijze van spreken "gebouwd" en dat kon alleen op waarheid.

3. Een derde voorrecht dat men hun toekent, was het "bevestigd zijn in de genade". Door de bijzondere genade van God hebben zij deze nooit door de zonde verloren. Dit voorrecht werd hun ten deel na de nederdaling van de Heilige Geest en hangt samen met hun taak: de apostelen moesten overal het voorbeeld geven.

4. Enkele theologen zijn van mening dat alle geschriften der apostelen ook steeds door de Heilige Geest geïnspireerd waren. Men leidt dit af uit het feit dat de geschriften van het Nieuwe Testament door de oudste Kerk aan de apostelen als auteurs zijn toegeschreven, terwijl men in het geval der evangelisten Marcus en Lucas van mening was, dat hun leer die van resp. Petrus en Paulus was. Maar juist dit laatste is een ernstige moeilijkheid tegen de genoemde theorie, want Marcus en Lucas hebben ieder hun eigen evangelie geschreven, Lucas na veel persoonlijk onderzoek. Het is wel zo geweest, dat kerkelijke geschriften, die ten onrechte aan apostelen werden toegeschreven, door de Kerk niet als heilige boeken werden aanvaard en men kan in zulke gevallen de indruk krijgen, dat de apostolische oorsprong een kenmerkwas om als H. Schrift aanvaard te worden. Zeker, maar het ten onrechte aan een apostel worden toegeschreven van welk geschrift dan ook, werd als bewijs gezien, dat de Geest der Waarheid de auteur niet tot schrijven had aangezet.

5. De apostelen hadden verder de wijdingsmacht, die dezelfde was als die der bisschoppen van vandaag. En in de door hen gestichte kerkgemeenschappen (de plaatselijke "kerken") oefenden zij ook een herderlijke macht uit.

6. De Kerk vereert de apostelen ook als geloofsgetuigen, die voor hun Heer Jesus Christus en het door Hem verkondigde evangelie gestorven zijn, of zwaar geleden hebben en bereid waren te sterven. Bijna allen vereert zij uitdrukkelijk als martelaren.

De bisschoppen

Omdat de Kerk, ook na de dood der apostelen, moest blijven voortbestaan, stelden zij op- volgers aan, op wie zij hun wijdingsmacht en herderlijke taak overdroegen. Daarnaast ko- zen zij ook medewerkers, zoals de zeven diakens, die zij de handen oplegden (Hand 6, 1-6). Ook ontmoeten wij al in het Boek der Handelingen de "oudsten" (presbúteroi) en hen, die epískopoi worden genoemd. Van welk woord ons "bisschop" afkomstig is. Het laatste woord betekent "opziener" en komt in een hebreeuwse vorm ook voor in de geschriften van de joodse secte die in Christus' tijd haar hoofdkwartier had zuidelijk van Jericho, nabij de Dode Zee. Als aanduiding van een ambt in de gemeenschap kenden ook de heidense Grieken het woord. En de joodse schrijver Philo, Christus' tijdgenoot, heeft de titel aan Moses gegeven. De oorspronkelijke betekenis van het woord wijst er niet op dat de episkopos slechts een toeziende functie had; de Grieken noemden ook overheden wel zo (o.a. die van Rhodes).

In het Nieuwe Testament is het nog niet overal voldoende duidelijk, dat "bisschoppen" en "presbyters" onderscheiden functies hadden; waaruit natuurlijk niet volgt dat er nog geen onderscheiden functies waren. Die vinden wij al in het begin der 2e eeuw duidelijk bij Ignatius van Antiochië in 110 (zie o.a. zijn brief aan de Philadelphiërs). De bisschop is daarin duidelijk het hoofd der plaatselijke kerk waarin hij de plaats van Christus inneemt. Terwijl de raad van priesters rond de bisschop met die van de apostelen rond Christus wordt vergeleken.

Omdat de indeling van de hiërarchie der Kerk in bisschoppen, priesters en diakens voor Ignatius een vanzelfsprekende zaak is, is zij ouder dan 110 en moet zij wel afkomstig zijn van de apostelen. Het is bij Ignatius ook duidelijk, dat de bisschop samen met zijn priesters aan het hoofd der kerkgemeente stond. Maar de priesters waren aan hem ondergeschikt, zoals de apostelen aan Christus.

Door zijn wijdingsmacht en zijn herderlijk ambt is de bisschop de opvolger der apostelen. Onder "apostolische successie" wordt verstaan, dat de door de apostelen gewijde bisschoppen zelf weer andere hebben gewijd enz., tot op de dag van heden. Deze apostolische successie is wezenlijke voorwaarde, maar niet de enige, voor een geldige bisschopswijding (het sacrament moet ook nog op geldige wijze worden toegediend). Ook buiten de katholieke Kerk is de apostolische successie en zijn er geldige gewijde bisschoppen (voornamelijk in de oosterse Kerken). Daarnaast ontmoet men wel z.g. episcopi vagantes (zij noemen zichzelf "vrije bisschoppen"), die tot geen Kerk behoren behalve tot hun minuscuul groepje. In de meeste gevallen zijn zij óf ongeldig óf twijfelachtig geldig gewijd. Sommigen van hen beginnen met elkaar te wijden, als zij elkaar voor het eerst ontmoeten, om op die manier een veelvoud van "apostolische successies" (soms meer dan twintig) in zich op te nemen. Men moet zich ernstig de vraag stellen of zij dan nog willen doen "wat de Kerk doet". Door de bisschopswijding wil deze immers niet een soort magische kracht aan de wijdeling meedelen, waarvan hij door herhaalde wijdingen zoveel mogelijk in zichzelf moet zien op te nemen. Het motief van die herhaalde wijdingen kan ook zijn, dat men zeker wil zijn van de apostolische successie en zoveel mogelijk twijfel uitsluiten. Hier tegenover staat, dat de bisschoppen, die zich herhaaldelijk laten herwijden, zich ook daarvóór al als echte bisschoppen hebben beschouwd. Omdat er niet weinigen bij zijn, die theosophische opvattingen zijn toegedaan, krijgt men de indruk dat zij door herhaalde consecraties méér occulte "krachten" in zich willen opnemen. "Vrije" bisschoppen vindt men vooral in West-Europa, Noord-Amerika en Australië.

Behalve dat zij de macht hebben om andere bisschoppen en ook priesters en diakens te wijden, zijn de bisschoppen de gewone bedienaars van het vormsel. De macht dit toe te dienen is in de oosterse Kerken aan alle priesters gedelegeerd. In de Kerk van het Westen wordt deze delegatie tegenwoordig op steeds ruimere schaal gegeven.

Omdat de bisschop het hoofd der plaatselijke kerkgemeenschap is, was hij het ook die oudtijds het doopsel toediende, waardoor men immers lid wordt van de Kerk. Hij was de eerste die "voorging" bij de viering van het eucharistisch offer en hij ontsloeg plechtig boetvaardige publieke zondaars van hun fouten.

Toen in de 4de eeuw en later het aantal gelovigen steeds meer groeide, en de bisschop niet meer alles zelf kon doen, liet hij zich door de priesters vervangen, waar dat mogelijk was. De bisschop was de "priester" bij uitstek, zelfs zozeer dat S. Joannes Chrysostomus (4de eeuw) in zijn beroemde en tot voor kort ook bij ons veel door priesters gelezen boek "Over het Priesterschap", met de priester de bisschop bedoelt. Hij alleen heeft de volle priesterlijke macht, die Christus aan zijn apostelen heeft geschonken.

De priester is ook de herder van de gelovigen van zijn bisdom. Hij moet hun het Woord Gods en de leer der Kerk verkondigen en uitleggen, en ervoor zorgen dat zij een geordende "kudde" blijven die naar hem luistert. De bedoeling bij dit alles is geen andere, dan de gelovigen naar het eeuwige leven te geleiden.

Het onderscheid tussen de apostelen en de bisschoppen

De bisschop is allereerst van de apostelen onderscheiden, doordat hij niet voor de hele wereld, maar een groep gelovigen is aangesteld. Die kan in onze tijd "groot" zijn, meer dan een rnillioen, maar ook klein en maar enkele duizenden of zelfs honderden omvatten.

De bisschop krijgt zijn sacramentele macht door de wijding, niet door de aanstelling. De laatste kan op verschillende manieren gebeuren en daarin is in de loop van de tijd verandering gekomen. In de latijnse Kerk krijgt de bisschop tegenwoordig normaal zijn benoeming van de Paus. Het eerste wat bij de wijdingsplechtigheid wordt gevraagd is: "Hebt U een apostolisch mandaat?". In sommige gelinieerde oosterse Kerken is hetzelfde het geval, maar in andere kiezen de gezamenlijke bisschoppen hun nieuwe collega. Als de bisschop van Rome hem aanvaardt, drukt hij dit uit door hem de kerkelijke "communio" (gemeenschap) te geven. De katholieke Kerk erkent niemand als een van haar bisschoppen, die niet in gemeenschap leeft met die van Rome en met de andere katholieke bisschoppen.

Titulaire bisschoppen

Vooral sinds de 12de eeuw is het in het Westen gebruik geworden bisschoppen te benoemen en te consacreren voor leegstaande bisschopszetels in het Oosten. Zij werden fictief op die zetel benoemd en kwamen er nooit. Dat gebeurde omwille van het oude gebruik dat men bisschop werd van een bepaalde stad. Zelfs bisschoppen die om een wettige reden ontslag kregen, werden "verplaatst" naar een dergelijke titulaire zetel. Tegenwoordig wordt een afgetreden bisschop doorgaans "oud-bisschop" van zijn plaats. Titulaire zetels worden in de huidige praktijk ook in het Westen aangewezen (zo is er b.v. een titulair bisschop van Tongeren, waar St. Servaas bisschop was, voor hij naar Maastricht vertrok). Een titulaire zetel krijgen hulpbisschoppen en andere prelaten, zoals nuntii en hooggeplaatste leden van de romeinse curie. Deze praktijk maakt het duidelijk, dat men bisschop is door de wijding en dat daarbij niet noodzakelijk hoort, dat men voor een bepaalde kerkgemeenschap wordt aangesteld. Bij fictieve aanstellingen op leegstaande zetels is er immers in feite geen sprake van een bepaalde kerkgemeenschap.

Dit is van betekenis, omdat nog onlangs door een franse, door Mgr. M. Lefebvre gewijde priester, is gezegd dat diens jongste bisschopswijdingen ongeldig zijn, omdat zij niet voor een diocees of met jurisdictie over een gemeenschap zijn verricht. De wijdingen, hoewel door het kerkelijk recht niet toegestaan, waren zeker geldig.

Ook is de met veel ophef door een modernistische theoloog gedane bewering onjuist, dat in de oude Kerk de keuze tot bisschop altijd werd gedaan door geestelijkheid en gelovigen (een gebruik dat weer opnieuw zou moeten worden ingevoerd), zonder welke de wijding "ongeldig" was (en dan ook: is). Voor een modernist, als deze theoloog, kan een wijding alleen juridisch "ongeldig" zijn, omdat hij niet aanneemt dat het sacrament een wezenlijke bovennatuurlijke werkelijkheid is. "Ongeldig" is dus voor hem hetzelfde als "onwettig" en wel op zodanige wijze, dat de handeling nietig is.

Zou hij gelijk hebben, dan zouden er in de Kerk nu geen geldig gewijde bisschoppen meer zijn. Ook historisch is het niet moeilijk te bewijzen dat de man zich vergist. Daarbij moet men zich eens voorstellen wat vandaag het geval zou zijn als bisschoppen "op democratische" wijze door hun bisdom zouden moeten gekozen worden! Alle middelen der publiciteit zouden worden ingezet om propaganda voor bepaalde personen te maken en de openbare mening onder druk te zetten. Gezien het ontstellend gebrek aan geloofskennis, en het nog erger gebrek aan kerkelijke tucht en vertrouwen in het door Christus aangestelde leergezag, zou zulk een keuze tot een onwaardige farce worden, waaruit zo goed als zeker de verkeerde man op een voor hem verkeerde plaats zou komen. Men begrijpt daarom nauwelijks hoe zulk een voorstel in ernst kan worden gedaan, in een tijd en in omstandigheden die zozeer verschillen van de oude!

Het is duidelijk dat een titulair bisschop, die geen zielzorg uitoefent, alleen "opvolger der apostelen" is door zijn wijdingsmacht.

Bisschoppen niet onfeilbaar

De huidige bisschoppen zijn in hun diocesen de officiële verkondigers van de leer der Kerk. Maar zij genieten daarbij niet, zoals de apostelen, de gave der onfeilbaarheid. Zij moeten de leer der Kerk voorhouden in overeenstemming met die van de bisschop van Rome, het hoofd der Kerk, en met de traditionele leer der Kerk in het algemeen. Doen zij dit niet, dan verdienen zij geen gehoor. De bisschoppen, die in de geschiedenis der Kerk van de ware leer zijn afgeweken, zijn helaas talrijk. Er zijn ketterijen, die de naam van bisschoppen dragen. Daarom, wanneer een bisschop duidelijk een leer verkondigt die in strijd is met die van Paus en Kerk, treedt hij niet op als een opvolger der apostelen en verdient hij geen gehoor. Iets dergelijks hebben wij moeten vaststellen toen hele episcopaten reserves, of erger, maakten bij de encycliek Humanae Vitae, waarin elke vorm van kunstmatige geboortebeperking werd afgewezen.

Het hoeft geen betoog dat de mening der theologen, dat de apostelen na de nederdaling van de Heilige Geest zo bevestigd waren in de genade, dat zij geen grote zonden meer bedreven, op hun opvolgers niet toepasselijk is.

Dan is er nog een vierde onderscheid; dat alleen uit de feiten duidelijk kan worden. De apostelen hebben met hun bloed getuigenis afgelegd voor Christus en het evangelie, of hebben volgens de overlevering in elk geval getuigd, dat zij dit wilden doen. Vele bisschoppen zijn hierin helaas in gebreke gebleven. Toen koning Hendrik VIII van Engeland, de moordenaar van zijn vrouwen, de Kerk in Engeland losscheurde van die van Rome, heeft slechts één bisschop zijn bloed gestort, omdat hij trouw bleef aan Paus en Kerk. De anderen schrokken hiervoor terug en gehoorzaamden de koning in plaats van de paus.

De bisschop moet de gelovigen tot heiligheid brengen

De bisschop heeft de taak in zijn bisdom de gelovigen tot "heiligheid" te brengen, d.w.z. hen voortgang te doen maken in de christelijke volmaaktheid. Daarom is het noodzakelijk dat hij daar zelf een uitstekend voorbeeld van geeft. "Wereldse" bisschoppen verdienen niet het te zijn en zijn voor hun gelovigen bronnen van ergernis. De Kerk heeft er helaas velen gekend. En God geve dat er nu niet meer zijn. Daarom werden al heel lang, en worden nog bijna steeds in het Oosten, de bisschoppen gekozen uit de monniken. Zij moeten minstens ongehuwd zijn en wanneer in de syrische Kerk een seculier priester tot de bisschoppelijke waardigheid zal verheven worden, wordt hij eerst plechtig rabbaan (rambaan), d.i. monnik (rabbaan is een monnikstitel) gewijd. In het Oosten geldt de monnik als de volmaakte Christen. Hij leeft in celibaat en maakt ernst met de waarheid dat de Christen hier geen blijvende woonplaats heeft, maar uitziet naar de hemelse (Hebr 13,14). Daarom worden de bisschoppen uit de monniksstand gekozen. Een andere reden is dat de bisschoppen krachtens de oude kerkelijke wetten in celibaat moeten leven. En dat doen allereerst en allermeest de monniken.

In zijn boek over het Priesterschap waarschuwt Joannes Chrysostomus, die zelf monnik is geweest, dat een monnik, die geheel buiten de wereld leeft, om zijn levenswijze nog niet de meest geschikte kandidaat voor het bisschopsambt is. De bisschop moet immers met mensen kunnen omgaan, weten wat er in de wereld alzo kan gebeuren, enz. Hij had gelijk. Maar het is ook waar, dat wanneer iemand voor een hoog ambt geschikt is, maar er op het ogenblik van zijn keuze er nog niet in thuis is, in het ambt kan groeien en dit soms in korte tijd uitstekend kan uitoefenen. De Franciscaner paus Sixtus V heeft hiervan, naar de mening van Pastor, een voorbeeld gegeven. Hij is een van de grote pausen geweest.

Collegialiteit

De z.g. collegialiteit der bisschoppen, is een woord en een begrip, die sinds Vaticanum II sterk in zwang zijn gekomen.

Wanneer men spreekt van het "college" der bisschoppen en dat der apostelen (wat men al lang vóór Vaticanum II heeft gedaan), moet men bedenken dat het woord "college" verschillende betekenissen kan hebben. Wanneer men daaronder een orgaan verstaat dat volgens vaste regels is samengesteld, rechtspersoonlijkheid heeft en vaste rechten en verplichtingen (zoals bij ons b.v. het "college van burgemeester en wethouders"), dan vormen nóch bisschoppen noch apostelen zulke een college. Alleen als de bisschoppen in algemeen concilie bijeen zijn, voorgezeten en geleid door de Paus, die al het bepaalde en beslotene moet goedkeuren, vormen zij een echt lichaam dat besluiten voor de hele Kerk kan treffen, ook met betrekking tot de manier waarop zij bestuurd wordt. Daarbuiten kunnen zij geen gezamenlijk besluit nemen, tenzij de Paus het goedkeurt.

De huidige codex (van 1983) zegt dat de bisschoppen der katholieke Kerk samen een "college" vormen, dat met de Paus aan hun hoofd, in en over de Kerk het hoogste gezag heeft (can. 336). Een dergelijke canon kwam in het vroeger kerkelijk wetboek (van 1917) nog niet voor en is te danken aan de ontwikkelingen, die zich sinds Vaticanum II hebben voorgedaan.

In de nieuwe codex staat niet dat het bisschopscollege ook de Kerk bestuurt. Dat zou ook onmogelijk zijn. Een groep van meer dan 2000 à 3000 personen kan onmogelijk "besturen", dat doet bij ons ook het parlement niet. Besturen betekent immers de uitvoerende macht uitoefenen. Dit doet bij ons de regering. In de Kerk gebeurt het centraal door de Paus en zijn bestuursorganen, de z.g. romeinse curie. Voorts bestuurt elke bisschop zijn eigen diocees. Daarnaast zijn er nog andere besturen in de Kerk, zoals die van de religieuze orden en congregaties.

Het kerkelijk wetboek (can. 342) kent ook de op Vaticanum II ingestelde algemene synode der bisschoppen, die de gehele Kerk vertegenwoordigt en welke op gezette tijden (de codex bepaalt dit niet nader) te Rome bijeenkomt. Deze synode heeft geen bestuursmacht, zij kan volgens can. 343 slechts beraadslagen om wensen kenbaar te maken aan de Paus, tenzij deze haar in bepaalde gevallen een groter gezag zou hebben gegeven, maar ook dan komt aan de Paus het recht toe eventuele besluiten met zijn gezag rechtskracht te verlenen. De synode is ingesteld, aldus can. 342, om de band van de bisschoppen met de Paus te versterken, om hem bij te staan in het bewaren van de geloofs- en zedenleer en om vragen te behandelen die betrekking hebben op de activiteiten der Kerk in de wereld.

Synoden kende de Kerk al heel lang, diocesane en regionale. Het Concilie van Trente schreef voor dat in elk bisdom jaarlijks een synode zou worden gehouden. Het wetboek van 1917 maakte daar om de tien jaar van, het huidige bepaalt geen tijd. De bisschop kan dus een diocesane synode bijeenroepen, wanneer hij het nodig acht. AI deze synoden zijn instellingen van kerkelijk recht en de Kerk kan er vrij de volmachten aan verlenen, die zij eraan wil toekennen, mits deze niet in strijd komen met de wezenlijke rechten der bisschoppen en in het bijzonder van die van Rome.

Een vlaams "Geloofsboek" uit 1987 stelt de verantwoordelijkheid der bisschoppen voor de hele Kerk op onduidelijke wijze voor (p. 76). Het zegt dat de bisschoppen een gemeenschap vormen die de apostelgroep voortzet, wat insluit dat zij verantwoordelijk zijn voor de hele Kerk. Daarom, zo staat er verder, "kan een bisschop zijn zorg voor de eigen lokale kerk niet scheiden van die voor de universele kerk". Dit doet het voorkomen alsof de "zorg" van een bisschop voor zijn diocees voortvloeit uit zijn "zorg" voor de hele Kerk. Dit is niet juist; de afzonderlijke bisschop is krachtens zijn bisschopsambt in strikte zin alleen verantwoordelijk voor zijn eigen diocees. Dit bestuurt hij en niet de hele Kerk. Ook is hij van de laatste geen medebestuurder. Zeker, hij moet "zorg" voor de hele Kerk hebben en dat meer dan anderen (alle leden der Kerk moeten "zorg" hebben voor het geheel), maar dit is geen strenge wettelijke plicht die uit zijn bisschopsambt voortkomt. Zij vloeit eerder voort uit de liefde, die zich vooral tot de "huisgenoten van het geloof" uitstrekt (Gal 6,10).

Niet weinig mensen zouden graag willen dat de algemene bisschoppensynode ook een bestuurlijke functie krijgt, om een tegenhanger te vormen van de romeinse curie. Maar omdat deze slechts zo nu en dan zitting houdt en uit veel leden bestaat, zou zij dan veel vaker moeten bijeenkomen en een blijvend bestuursorgaan (of liever: organen) in het leven moeten roepen, dat naast de pauselijke curie zou komen te staan. Iedereen moet inzien dat dit tot een grote chaos in de Kerk zou leiden en haar centraal bestuur zou verlammen. Er kan te Rome maar één curie zijn: die van de Paus of die van de bisschoppensynode. In het laatste geval zou de Paus tot de betrekkelijke onbeduidendheid van voorzitter van het college der bisschoppen worden teruggebracht.

De schismatieke oosterse kerken kennen permanente synoden die samen met de patriarch de Kerk besturen. De patriarch is er alleen maar voorzitter van en kan niets doen, wat de synode niet wil. Om dit mogelijk te maken wonen de leden der synode vlak bij de patriarch, zo niet in zijn paleis. Zijn het bisschoppen, dan zijn het vaak titulaire bisschoppen, omdat elke bisschop in zijn bisdom behoort te wonen. De van elkaar onafhankelijke schismatieke oosterse kerken worden dus bestuurd door een college, waartoe niet alleen bisschoppen, maar ook anderen kunnen behoren, leken niet uitgesloten. Al is de traditie van zulke permanente synoden, van welke de leden samenwonen of dicht bijeen, in de oosterse kerken oud, zij is niet van apostolische oorsprong en dus van kerkelijk, niet van goddelijk recht. Dergelijke synoden hebben ongetwijfeld theologen voor ogen gezweefd, toen zij de idee van de romeinse bisschoppensynode lanceerden. Het is echter uitgesloten dat de katholieke Kerk het oosters voorbeeld overneemt: de Paus zou er een eerste onder gelijken door worden. Daarom heeft het ook geen zin dit oosters voorbeeld zoveel mogelijk na te bootsen.

Van goddelijk recht zijn in de Kerk alleen de plaats en het ambt der bisschoppen en van de Paus. Al het andere is menselijke instelling en kan dus ook worden afgeschaft. Aartsbisschoppen, metropolieten, patriarchen, synoden hebben hun functies in de loop van de tijd gekregen.

Dit laatste is ook het geval met de bisschoppenconferenties. Deze bestonden allang vóór Vaticanum II, het waren vrije groeperingen van bisschoppen van een land of grote landstreek, die bijeenkwamen voor het bespreken van de gezamenlijke belangen der Kerk in hun bisdommen. Sinds Vaticanum II hebben zij een door het kerkelijke recht vastgestelde status en functie gekregen, waarbij zij optreden als tusseninstanties tussen Rome en de afzonderlijke bisschoppen. Omdat zij instellingen van kerkelijk recht zijn en het goddelijk recht der bisschoppen niet kunnen opheffen, is vastgesteld dat zij alleen bepalingen kunnen doen, die ook de afzonderlijke bisschoppen moeten naleven, wanneer deze met een tweederde meerderheid zijn genomen en door de Paus zijn goedgekeurd. Dit laatste is bepaald vanwege het goddelijk recht der bisschoppen: zij staan niet onder de bisschoppenconferentie, wel onder de Paus.

Raden

Op Vaticanum II en daarna hebben ideeën der "democratie", ook in de Kerk doorgewerkt. De nieuwe status der bisschoppenconferenties is er een voorbeeld van en daarnaast het bestaan van allerlei raden, zoals de pastorale raad en de priesterraad van een bisdom. Weliswaar missen de laatste elke wetgevende macht en zijn ze bedoeld om de bisschoppen in hun bestuur door hun adviezen bij te staan, maar het kon niet anders of hun invloed is veel groter geworden. Niemand kan ongestraft een "raad", die hem van advies moet dienen, bij voortduring negeren. Doet een bisschop dit wel, dan komt hij onvermijdelijk in moeilijkheden.

Het was een idealistische gedachte om "raden" van goede, competente en geloofsgetrouwe Christenen in te stellen. Wanneer zulke hun plaats kennen, kunnen zij kerkelijke bestuurders, die niet alles kunnen weten en feilbare mensen zijn, goede diensten bewijzen. Maar in onze tijd van verval van het geloof en de kerkelijke tucht kan het gemakkelijk gebeuren, en gebeurt het, dat de raden een blok aan het been der bestuurders zijn en hen bemoeilijken in het uitoefenen van hun taak. Bovendien zijn ideale raden die van onderop gekozen moeten worden, niet te vinden. Men kan zelfs niet onverdeeld gelukkig zijn met de tot dusver gehouden romeinse bisschoppensynodes. Daarop zijn al heel wat meningen verkondigd, die in strijd zijn met de leer der Kerk of met de goede tucht. Zulke afwijkingen worden door de publiciteitsmedia over heel de wereld uitgebazuind, zodat hun verkondigers gratis reclame krijgen en pressie kan worden uitgeoefend op het rechtmatig gezag in de Kerk, met name op de Paus.

In Nederland, Duitsland en elders hebben vrij gekozen pastorale synoden en regionale bijeenkomsten al heel wat onheil gesticht door hun afwijken zowel van de leer van het geloof als van die van de tucht in de Kerk en de christelijke zeden. Daarbij zijn zij steeds massaal gesteund door pers, radio en TV.

Het is duidelijk dat na Vaticanum II het pauselijk gezag om de Kerk te besturen sterk is verzwakt. Dit is voor een niet gering deel te wijten aan het feitelijk functioneren der bisschoppenconferenties. Om een rol te kunnen spelen en om zich over allerlei zaken te kunnen uitspreken, die vroeger aan Rome werden overgelaten, zijn naast de romeinse curies talrijke curies van bisschoppenconferenties gekomen, die uit echte of vermeende specialisten bestaan (de laatste zijn er talrijk). En die, zonder bisschoppelijke verantwoordelijkheid te dragen, de besluiten der bisschoppenconferenties sterk beïnvloeden, zo niet voor een deel beheersen. Commissies werken heden niet zelden als pressiegroepen en dit geschiedt ook in het bestuur der Kerk.

Bestuurders moeten er rekening mee houden en kunnen niet voortdurend hun raad in de wind slaan. Wanneer zij zouden menen dat dit toch moet gebeuren, dan moeten zij de commissies of afschaffen of van samenstelling veranderen. Doen bestuurders dat niet, dan worden zij van hun eigen ondergeschikten afhankelijk. Het gezag der afzonderlijke bisschoppen heeft daar in grote delen der Kerk zeer onder geleden. Velen missen de moed om in te gaan tegen de collectiviteit der bisschoppen en de commissies die zij samen hebben ingesteld, of zelfs - ook dit komt voor - dulden. Dit wordt hier niet voor de eerste maal gezegd. Kardinaal Ratzinger heeft er meer dan eens op gewezen, o.a. in zijn bekende en in druk verschenen gesprekken met de journalist Vittorio Messori (1985, Entretien sur la foi, Chap. 4 Entre prêtres et évêques, p. 65-72). Men dient te bedenken dat dit alles geen uitwassen zijn van een goed systeem dat slecht werkt, maar van een systeem dat in onze tijd van verwarring, onzekerheid, geloofsverval en ineenzakken der kerkelijke tucht wel zo moest werken. Wil men dit alles weer rechttrekken, dan moet het kapmes worden gehanteerd, of zelfs de bijl aan de wortel van de boom.

De verzwakking van het centrale kerkelijke gezag is een tijd als de onze bijzonder schadelijk voor haar. De Kerk wordt nog meer van binnen dan van buiten bedreigd. Zij leeft in een toestand van een soort burgeroorlog, waarin een machtige vijfde kolonne haar van binnen uit tracht te vernietigen, of haar wezenlijke samenstelling wil veranderen. Wanneer zoiets een staatswezen overkomt, dan is het noodzakelijk het centrale gezag te versterken. In tijd van oorlog wordt zelfs een aantal burgerlijke vrijheden voorlopig opgeschort. Eenheid en bundeling van alle beschikbare krachten is nodig om de vijand te verslaan. In de katholieke Kerk ziet men tegenwoordig het tegendeel gebeuren: haar decentralisatie is al voor een deel een feit en neemt nog steeds toe. Als zij niet in nationale kerken zal uiteenvallen, is dit alleen maar omdat (en in zoverre) haar Stichter haar hiertegen behoedt.

In het Credo belijden wij ons geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk. Wij hebben gezien wat dit betekent. In het begin der Kerk is het evangelie gepredikt door de apostelen. Zij hadden hiervoor bijzondere voorrechten ontvangen, die niet op hun opvolgers zijn overgegaan. Het meeste is nog overgegaan op het hoofd der bisschoppen: de Paus. Hij is onfeilbaar in het verkondigen van de leer der Kerk. Maar hij is het in een mindere graad dan de apostelen, die het in hun prediking altijd waren. Vaticanum I heeft ons geleerd dat de Paus alleen onfeilbaar is, "wanneer hij als hoofd der Kerk een beslissende uitspraak doen over geloof of zeden en elke Katholiek verplicht die uitspraak aan te nemen". Het aantal gevallen waarin de Paus van dit voorrecht gebruik maakt, is uiterst gering. Daarbuiten kan hij dwalingen verkondigen, zelfs op leerstellig gebied, wat de apostelen nimmer hebben gedaan. Het pauselijk beleid is nooit onfeilbaar, zoals de geschiedenis ons heeft bewezen.

Wij besluiten deze beschouwingen met een korte weergave van de toespraak die de consecrator van een bisschop tot de wijdeling kan houden volgens het Pontificale van 1981. Het kwam in het vroegere Pontificale niet voor en kan ook door een andere tekst worden vervangen.

De wijdeling wordt erop gewezen, dat de apostelen helpers hebben aangesteld, aan wie zij door de oplegging der handen de volheid van het sacrament van het priesterschap overdroegen. Dat was het begin der apostolische successie.

In de bisschop, omgeven door zijn priesters, is in de Kerk de eeuwige hogepriester Jesus Christus zelf aanwezig. In zijn Persoon verkondigt hij het evangelie en dient hij aan de gelovigen de sacramenten toe. Door zijn vaderlijke taak voegt hij nieuwe leden aan de Kerk toe en met wijsheid en voorzichtigheid leidt hij hen door dit aardse leven naar de eeuwige zaligheid. Daarom moeten de gelovigen denken aan wat Christus tot de apostelen heeft gezegd: "Wie u hoort, hoort mij".

Wie van het bisschopsambt spreekt, duidt daarmee een taak aan, niet de eraan verbonden eer. Want wie onder hen de eerste is, moet naar het voorschrift van de Meester de mindere zijn, en wie aan het hoofd staat, moet dienen. In gebed en offer moet de bisschop Christus' genade over de zijnen afsmeken. Hij moet het voorbeeld van Christus als goede herder navolgen.

De bisschop moet liefdevolle zorg hebben voor allen, in het bijzonder voor de priesters en diakens, maar ook voor de armen en zwakken. Hij moet de gelovigen tot medewerking in zijn ambt aansporen en graag naar hen luisteren. Ook moet hij zorg hebben voor hen die nog niet tot de ene kudde van Christus behoren.

Nooit mag hij vergeten dat een lid van het bisschoppencollege ook zorg moet dragen voor alle plaatselijke kerken en niet mag weigeren die te helpen, wanneer zij steun nodig hebben.

De bisschop moet zorg dragen voor de hele kudde, waarover de Heilige Geest hem heeft aangesteld om haar te besturen, in de naam van de Vader, wiens beeld hij in de Kerk draagt, van de Zoon, wiens taak van Leraar, Priester en Profeet hij vervult, en van de Heilige Geest, die zijn Kerk bezielt en onze zwakheid door zijn kracht versterkt.