www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / Het bestaan van de erfzonde

Het bestaan van de erfzonde

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Maandblad - 1e JAARGANG - No. 11 - NOVEMBER 1989

De katholieke leer van de erfzonde is er een die tegenwoordig ook binnen de Kerk (d.w.z. wat "daarbinnen" heet) wordt betwist. Dit gebeurt zo dikwijls en op zo vanzelfsprekende manier, dat men mij heeft gevraagd er in dit blad nog eens over te schrijven. Ik heb dit al gedaan in mijn boek Ik geloof (19822), zie vooral p. 192 vv.

De leer over de erfzonde is met die van de verlossing nauw verbonden. Door zijn lijden en dood heeft Christus zijn hemelse Vader verzoening aangeboden voor de zonden van alle mensen gezamelijk (objectieve verlossing), wat ons de mogelijkheid biedt ook persoonlijk verlost te worden (subjectieve verlossing; toepassing op ieder individueel van de vruchten van de objectieve v .). Was er geen zonde geweest, dan ook geen verlossing. Nu leert St. Paulus in Rom 5, 12 uitdrukkelijk dat de zonde "door één mens de wereld is binnengetreden en door de zonde de dood, en zo is de dood over alle mensen gekomen omdat allen gezondigd hebben". De dood, straf voorde zonde, is ook het deel geworden van hen die niet op de manier van Adam hebben gezondigd (vs 14). Eén mens, Jesus Christus, heeft verlossing gebracht voor die ene zonde van Adam (vs 17).

De Apostel leert dit alles met de grootste nadruk en steunt daarbij op het verhaal van paradijs en zondeval, dat wij in Gen 2-3 lezen; het is onze lezers bekend en hoeft hier niet te worden herhaald. In dit verhaal staat te lezen dat alle nakomelingen van Adam (dus de hele mensheid) de gevolgen van de eerste zonde moeten dragen en zondig zijn.

In Ps 51 (Vulg. 50) lezen wij nog: "Zie in schuld ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen"; in het boek Job wordt er herhaaldelijk op gewezen dat geen mens rein is voor God (o.a. 25, 4-6). Deze uitspraken zijn vaak aangehaald voor het bestaan van de erfzonde in christelijke zin. Zij komen zeker dicht bij die van St. Paulus in de brief aan de Romeinen, maar omdat het begrip van de rituele onreinheid van een vrouw die ontvangt en baart, en het feit dat alle mensen zondigen, een rol spelen in de uitspraken van het boek Job, is het beter Job niet te gebruiken als dóórslaand bewijs van het bestaan van de erfzonde in haar overgeërfde vorm.

Het is vooral St. Augustinus (354-430) geweest die de katholieke leer van de erfzonde theologisch heeft uitgewerkt. Het Concilie van Trente heeft haar nog eens uiteengezet met onfeilbaar leergezag. De Kerk kan er dus niet op terugkomen zonder zichzelf te verloochenen. Zou zij zich vergist hebben, dan zou zij niet "Moeder en Leermeesters" van de geopenbaarde waarheid zijn.

Een moeilijkheid voor het gevoel van velen is dat de Kerk spreekt van erfzonde. Wij plegen onder "zonde" een daad te verstaan, waaraan wij ons zelf hebben schuldig gemaakt, maar bij de erfzonde is dit niet het geval. Het eerste mensenpaar heeft haar bedreven, niet wij en wij kunnen er dus niet voor ter verantwoording worden geroepen. Maar omdat St. Paulus nu eenmaal spreekt van "zonde" heeft St. Augustinus, en heeft de Kerk, dit woord eveneens gebruikt.

We moeten bedenken dat op die manier "zonde" een analoog begrip is, d.w.z. dat het van ongelijksoortige daden kan worden gebruikt. Wij zeggen dat God is en dat ook een schepsel is, maar beiden zijn het op geheel andere manier. Hetzelfde moet ook worden gezegd van nog meer dat wij aan God toeschrijven; zo is God op een overtreffende, heel andere manier goed dan wij dit zijn. "Zijn" en "goed" zijn analoge begrippen.

Zonde in de meest eigenlijke zin van het woord is de doodzonde waardoor wij aan God, ons hoogste goed en einddoel van ons leven, de rug toekeren. Vergeleken met de doodzonde is de dagelijkse zonde analoog "zonde", wij doen er wel verkeerd mee, maar wenden ons niet van God af. Nog duidelijker analoog wordt het begrip zonde wanneer wij van "erfzonde" spreken. Zijn doodzonde en dagelijkse zonde nog persoonlijke zonden, de erfzonde is dit niet. Zij wordt wel "zonde van de natuur" genoemd, in zover het hele mensengeslacht, dat afstamt van de eerste ouders, onder een schuld ligt, waaraan alleen de stamouders persoonlijk schuldig zijn. Als een edelman voor straf uit de adel wordt verwijderd, kan het zijn dat al zijn afstammelingen automatisch in dit lot delen. Onrecht wordt hun daardoor niet aangedaan en persóónlijk gestraft worden zij evenmin; van adel te zijn is immers een voorrecht, gewone burger te zijn géén onrecht. De onsterfelijkheid die Adam toekwam, is verloren gegaan voor zijn nageslacht en andere voorrechten eveneens. De mens heeft opgehouden volkomen en zonder moeilijkheid meester te zijn van zijn eigen daden, zijn verstand is niet altijd helder en het kan vooral door de hartstochten verduisterd worden.

Door de erfzonde is de mens, door de schuld van Adam, tot de natuurlijke toestand vervallen, waarin hij door God zou zijn gesteld wanneer Hij hem niet op bovennatuurlijke wijze bevoorrecht had geschapen.

Moeilijkheden

De moeilijkheden die tegen het bestaan van de erfzonde, in christelijke zin opgevat, worden gemaakt zijn van verschillende aard. Wij kunnen ze onder drie hoofden samenvatten: I. kritische beoordeling van Gen. 2-3; 2. de evolutieleer; 3. het modernisme, dat niet aanneemt dat God in deze wereld geheel zelfstandig en alleen tussenbeide komt.

1. Het verhaal van paradijs en zondeval, waarop Romeinen 5, 12v.v. steunt, is, zegt men, een typisch volksverhaal, dat wil verklaren hoe het is gekomen dat alle mensen zondigen, dat zij hard moeten werken voor de kost, dat de vrouw in weeën kinderen ter wereld moet brengen, dat zij klederen dragen enz. Voorstellingen, als die van de boom van goed en kwaad, de boom des levens, de sprekende slang, de vier paradijsstromen, het voortkomen van Eva uit een rib van Adam e.d.m., kunnen door ons niet meer letterlijk worden opgevat. Daarmee valt ook de historische basis weg van het feit van de eerste zonde, begaan door één eerste mensenpaar.

Het antwoord van de z.g. fundamentalisten is, dat de Bijbel het woord Gods is en men een verhaal als dat van paradijs en zondeval tot in onderdelen letterlijk moet opvatten. Dit is een exegese, waaraan nog maar weinig katholieke uitleggers meedoen. Wanneer wij Gen. 1, 1-2, 4a (de schepping van de wereld in zes dagen) en Gen. 2, 4b -3, 24 (schepping; paradijs en zondeval) met elkaar vergelijken, dan blijkt dat het tweede verhaal veel meer "populair" van voorstelling is dan het eerste en daar zelfs (in onderdelen) van afwijkt. Immers, volgens Gen. 1 worden de planten geschapen op de 3de dag, de dieren op de 6e en daarna, op dezelfde dag, ook de mens. Volgens Gen. 1 wordt eerst de mens geschapen, daarna de planten, vervolgens de dieren en tenslotte de eerste vrouw. Gen. 1, 27 spreekt in één adem van de schepping van man en vrouw op de 6de dag; volgens Gen. 1 vormde God het lichaam van de eerste mens uit aarde, en blies hem toen de levensadem (zijn eigen adem) in de neus. Deze verschillen wijzen er niet alleen op dat de auteur van het boek Genesis voor beide verhalen verschillende bronnen heeft gebruikt, maar ook dat hij op zijn minst voor een aantal trekken van deze verhalen niet heeft willen instaan. Hij heeft ze opgetekend zoals hij ze heeft gevonden, elk met hun eigen waarde.

Wij zouden nooit op die manier te werk zijn gegaan, maar de ouden dachten daar anders over. Het verhaal van paradijs en zondeval is kennelijk een oud volksverhaal, dat in Israël leefde en aan de tijdgenoten van de schrijver zeker bekend is geweest. De auteur van Genesis geeft het weer zoals hij het in zijn bron vond en de gedachte, dat hij hiermee niets dan onfeilbare waarheid weergaf, heeft ver van hem gelegen. De verschillen tussen Gen. 1 en Gen. 2-3 bewijzen het.

Uit het bovenstaande mag men niet de conclusie trekken dat Gen. 2-3 voor de geschiedenis waardeloos zijn. Enkele fundamentele feiten, zoals dat van de zondeval van het eerste mensenpaar, zijn dat niet. De H. Schrift is immers geschreven onder ingeving van de Heilige Geest en daarom moet de auteur van Genesis met het opnemen van hfdst. 2-3 in zijn boek méér hebben bedoeld dan alleen maar een oud volksverhaal voor de vergetelheid bewaren. Enkele fundamentele feiten moeten er wel juist in zijn. Welke dat zijn, is niet door eigen uitleg uit te maken, maar leren ons de H. Schrift en de Kerk. Wat de eerste zegt, vinden wij vooral in de brief van St. Paulus aan de Romeinen hfdst. 5. Wat de laatste betreft, heeft vooral het Concilie van Trente zich duidelijk uitgesproken. Dit leert dat de eerste mens, Adam, door zijn zonde de "heiligheid en rechtvaardigheid" waarin hij door God was gesteld, heeft verloren en de dood moest ondergaan. (zie Denzinger-Sch. 1511). Daarna zegt het Concilie dat Adam zijn bovennatuurlijke voorrechten niet alleen voor zichzelf maar voor heel zijn nageslacht heeft verloren en dat zijn zonde, die de "dood van de ziel" is, op dit nageslacht is overgegaan (het beroept zich daarvoor op Rom. 5, 12). Dan wijst Trente erop, dat de zonde van Adam, "die één in oorsprong is en door de voortplanting, niet door navolging aan ieder eigen is" bij allen door de verdiensten van Christus wordt weggenomen, welke verdiensten door het doopsel op de dopelingen worden toegepast (DS 1513). Dit alles en nog meer heeft Trente als geloofsleer voorgehouden; wie het niet wil aanvaarden, wordt buiten de Kerk gesloten.

2. Een tweede moeilijkheid tegen de katholieke opvatting van de erfzonde gemaakt, zijn verschillende vormen van de evolutieleer. Kard. Ratzinger heeft er nog onlangs op gewezen dat men de laatste vaak voordraagt als een stuk filosofie, volgens welke de evolutie van de zichtbare wereld totaal is. Uit de meest primitieve levenloze stof is al het levende, planten en dieren, ontstaan, door een evolutie die millioenen jaren heeft geduurd. Teilhard de Chardin is van deze leer een van de meest bekende profeten geweest.

Omdat volledige en afdoende bewijzen uit de natuurwetenschap ontbreken, is deze "leer van de evolutie" een onbewezen (pseudo-)filosofische theorie. Dat zij zoveel aanhangers heeft komt voort uit het feit, dat zovelen het bestaan van een persoonlijke God, die de wereld heeft geschapen, ontkennen. Er zijn veel materialisten (Marx) bij, die menen, dat er niets bestaat buiten de zichtbare wereld. Monisten denken practisch hetzelfde, terwijl Pantheïsten God vereenzelvigen met zijn schepping, of deze nu alleen stoffelijk is of ook geestelijk. Denken deze mensen na over het ontstaan van de zichtbare wereld en speciaal van de mens, dan lijkt de totale evolutie hun een aanvaardbare verklaring van de verscheidenheid in deze wereld. Dat ontwikkelingen hebben plaatsgehad, en dat er nog steeds gebeuren (denk aan het kweken vooral van nieuwe plantensoorten) lijkt hun een goed argument om aan te nemen dat de ontwikkeling totaal is geweest en mogelijk nog steeds verdergaat.

Van deze niet te bewijzen algemene evolutietheorie moet de opvatting van die natuurkundigen worden onderscheiden, die menen dat gedeeltelijke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden gedurende het verloop van milli- oenen jaren. Men bewijst dit door erop te wijzen, dat in oudere perioden van de geschiedenis van de aarde doorgaans primitievere vormen van leven voorkomen dan in jongere, enz.

Omdat verworven en aangeleerde eigenschappen als niet-erfelijk worden beschouwd, neemt men aan dat deze ontwikkelingen aan spontane sprongsgewijze veranderingen te wijten zijn, die men mutaties noemt, en die zich over een periode van millioenen jaren hebben uitgestrekt. Zo zouden b.v. vogels uit het rijk van de vissen zijn voortgekomen. Wij staan hier voor raadsels, die nog niet zijn opgelost. Sommigen willen ze verklaren door aan te nemen dat God de nieuwe soorten heeft doen ontstaan door er telkens weer te scheppen. Maar ook dit is een theorie, die echter niet in strijd is met het christelijk geloof. Anderen houden het voor mogelijk dat God van het begin af aan in de levende wezens vermogens heeft gelegd, waardoor evolutie tot nieuwe soorten mogelijk was. In elk geval moet men aannemen dat God aan het begin staat van de schepping, en dat, zonder in zijn scheppende hand te geloven, het bestaan van de wereld niet is te verklaren. Dit in katholieke geloofsleer.

Ook de mens wordt door velen als een product van evolutie uit het dierenrijk beschouwd. Nam men vroeger vaak aan dat hij van de apen afstamt, thans wordt het waarschijnlijker geacht dat hij een aan de apen parallelle stam van het dierenrijk vertegenwoordigt. Wanneer de eerste mensen op aarde zijn verschenen kan niet men zekerheid worden gezegt; in elk geval rekent men met honderduizenden jaren.

Is een zo grote ouderdom van de mensheid geen bezwaar tegen het bestaan van de erfzonde, waarvan ons Christus pas heeft verlost? Kan men wel aannemen dat de rechtvaardigen, vanaf Adam, vele eeuwen op de verlossing hebben moeten wachten? Het komt ons niet toe hierover een oordeel te vellen. Wij moeten echter bedenken, dat de zielen van de vrome afgestorvenen, aan wie Christus na zijn dood de verlossing heeft verkondigd, al die eeuwen niet ongelukkig zijn geweest, al hebben zij God niet aanschouwd. Ook moeten wij het voortbestaan van de zielen van de overledenen niet beschouwen als een soort verminderd, maar in wezen toch hetzelfde aardse bestaan. Door het ontbreken van het lichaam is het een heel ander bestaan, dat wij niet met maatstaven mogen beoordelen, die op aarde gelden; o.a. geldt de aardse tijd er niet voor.

De meeste evolutionisten zijn van mening, dat de mensheid niet uit één ouder paar is voortgekomen, maar uit een groep, of zelfs uit méér groepen, welke laatste al of niet gelijktijdig op aarde zijn verschenen. Het zou al te toevallig zijn, zeggen ze, als door natuurlijke evolutie tegelijk één man en één vrouw zouden zijn ontstaan. Ook zou het ontstaan van de verschillende mensenrassen (prehistorische, de huidige blanke, zwarte, gele enz.) het waarschijnlijk maken, dat deze afzonderlijk zijn ontstaan. Dit is de theorie van de z.g. polygenese in haar verschillende vormen.

Neemt men niet aan dat er een persoonlijke God bestaat, die de mensheid in het begin van de tijd heeft geschapen (dit is de leer van de Kerk; zie DS 800; 3002; 30025), dan is het niet vreemd, dat men zijn toevlucht neemt tot de theorie van de polygenese. Als wij aannemen dat b.v. negers en blanken uit één mensenpaar zijn ontstaan (zoals wij doen en dan wijst op evolutie van hun uiterlijk voorkomen), dan moet dit toch wel enorm lang geleden zijn. Op heeloude Egyptische voorstellingen komen negers voor, die er uitzien zoals nu. Neemt men aan, dat zowel het blanke als het zwarte ras door evolutie zijn ontstaan, dan lijkt het eenvoudiger aan te nemen dat zij uit verschillende oer-groepen voortkomen dan uit één mensenpaar.

Het grote bezwaar, dat tegen het ontstaan van de mens in verschillende tijden en streken kan worden aangevoerd, is het feit dat de verschillen tussen de mensenrassen zo goed als alleen uiterlijk en daarmee zeer gering zijn, terwijl zij zich onbeperkt met elkaar kunnen vermengen, zonder dat dit afbreuk doet aan de vruchtbaarheid. Dit lijkt op een gemeenschappelijke oorsprong te wijzen.

En wat de eventuele afstamming van een oorspronkelijke groep en niet van een tweetal mensen betreft, wanneer men aanneemt, met de H. Schrift en de leer van de Kerk, dat de eerste mensen door God zijn geschapen, dan is er geen enkele reden om aan te nemen, dat God niet een eerste ouderpaar heeft geschapen, maar een groep mensen tegelijk. Ook is niemand er bij geweest, zodat hij kan zeggen wat hij heeft gezien. Wanneer men afziet van de openbaring dan is met argumenten van de rede noch het een noch het ander te bewijzen.

Wij moeten dus concluderen dat de theorie van de polygenese onbewijsbaar is. Wel maakt het grote onderscheid der rassen dat het voor de hand ligt, dat het mensdom zeker de nodige honderdduizenden jaren oud is. Hoe het ontstaan is kan de natuurwetenschap niet zeggen; zij kan hierover alleen theorieën opstellen. Omdat de mens duidelijk in WEZEN geheel verschilt van de dieren en zijn vermogen tot abstract denken bewijst, dat zijn verstand niet stoffelijk maar geestelijk van aard is, is het ook duidelijk dat Gods scheppende almacht tussenbeide is moeten komen toen de mens, de z.g. homo sapiens, op aarde verscheen. De mens, zoals hij nu is, is niet in zijn geheel, met lichaam en ziel, door evolutie ontstaan, zoals b.v. Teilhard de Chardin heeft verkondigd. Ook al zou er geen openbaring zijn geweest, zou ons verstand ons dit toch met zekerheid hebben geleerd en leert het dit ook nu.

Omdat het menselijk lichaam tot het dierenrijk behoort en met enkele hoog ontwikkelde diersoorten zoveel gemeenschappelijks heeft, kan niet worden uitgesloten dat het lichaam van de eerste mensen uit het dierenrijk is genomen; Gods scheppende macht heeft dan de mens daaruit doen ontstaan. In zijn encycliek Humani generis (1950) leert Pius XII dat dit niet onmogelijk is, maar dat het geloof ons leert, dat de menselijke zielen on- middellijk door God worden geschapen (DS 3896). Daarnaast leert de encycliek, dat de Katholiek niet vrij is de polygenese aan te hangen, inhoudend, dat niet alle mensen van één oorspronkelijk ouderpaar afstammen (DS 3897). Hij mag ook niet aannemen dat " Adam" een groep voorou- ders betekent "omdat op geen enkele manier duidelijk is hoe een dergelijke opvatting overeen is te brengen met wat de bronnen van de geopenbaarde waarheid en de uitspraken van het Leergezag van de Kerk, voorhouden over de erfzonde, die afkomstig is van een door één Adam werkelijk bedreven zonde, die door de geboorte wordt overgebracht en die aan elkeen eigen is (vgl. Rom 5, 12-19 [Trente, DS] 1511-1514)", DS 3897.

Het valt op, dat deze uitspraak niet volkomen positief is. De Paus zegt niet: het behoort tot het geloof dat..." maar "het is op geen enkele manier duidelijk". Wat nu niet duidelijk is zou het in de toekomst kunnen worden. Het lijkt alsof Pius XII een voorbehoud maakt, zij het dan een zwak; maar zijn beroep op de uitspraken van Trente is een beroep op een absoluut leergezag, waarvan wij de positieve uitspraak in deze bijdrage hebben aangehaald. Overigens is het zo, dat wat in 1950 niet duidelijk was, het nu nóg niet is: hierin is géén verandering gekomen. Omdat de polygenese niet te bewijzen is met de ons vandaag ten dienste staande middelen, en niet is in te zien hoe de leer van de erfzonde ermee is te verenigen, moet deze theorie (dat is het nog altijd) van katholiek standpunt worden afgewezen.

Zou men bij wijze van theorie de leer van de erfzonde in overeenstemming willen brengen met het groepsgewijze (éénmaal) ontstaan van de mensheid, dan zou men moeten zeggen dat die hele "oergroep" door niets is te bewijzen en daarom heeft het ook geen zin aan de "oerzonde" van een groep te denken.

Uit bovenstaande overwegingen is het duidelijk, dat de traditionele leer van de erfzonde op geen manier is gebleken onjuist te zijn. Omdat zij door de Kerk is en nog steeds wordt verkondigd, houden wij aan haar vast. Geheel anders wordt het wanneer men niet meer aanneemt dat God de wereld in het begin van de tijd "uit het niet" en daarna ook de mens "uit het niet" (wat de ziel van de laatste betreft) heeft geschapen. Dan lijkt de katholieke leer van de erfzonde zinloos.

3. Het modernisme loochent de leer van de erfzonde om nog andere redenen dan de boven genoemde, welke laatste het doorgaans onderschrijft. Niet alle modernisten denken en Ieren hetzelfde en het is daarom niet juist ze over één kam te scheren. Maar een aantalopvattingen worden toch door de meesten gehouden en over deze willen wij het hebben.

Het modernisme wordt in het algemeen gekenmerkt door zijn verkeerde opvatting omtrent God.

In ons land heeft o.a. Prof. Carl Sträter S.J. hierop herhaaldelijk gewezen. Wie dit niet voor ogen houdt, begrijpt van het modernisme niet veel. Pius X heeft in Pascendi (tegen het modernisme) gezegd dat de opvattingen van de modernisten van zijn tijd doen veronderstellen dat zij aanhangers zijn van een vorm van Pantheïsme (alles is God). Een van hen heeft het 24 jaar geleden zo uitgedrukt: Als wij de vraag stellen 'God óf mens', dan worden wij voor een valse keus gesteld, want God en mens werken altijd samen en doen hetzelfde; het is niet zo dat het voorkomt, dat God alléén iets verricht en de mens daarbij louter passief is. Een gebied van het alléén bovennatuurlijke is er niet. Daarom is er ook geen echte geheel bovennatuurlijke genade en evenmin gebeuren er wonderen, want dan zou God op zijn eentje natuurwetten doorbreken. Deze opvatting ligt o.a. ten grondslag aan heel de Nederlandse z.g. "Nieuwe Katechismus" van 1966. De auteurs hebben dan ook geweigerd de door Rome geëiste veranderingen en toevoegingen aan te nemen, omdat deze met hun (modernistisch) grondbeginsel in strijd waren.

Het bovengenoemde boek neemt niet aan dat er een eerste zonde van iemand als Adam is geweest, waaraan al zijn nakomelingen op enigerlei manier deel hebben. "Wij hoeven niet een bijzondere betekenis toe te kennen aan een 'eerste zonde' " lezen wij er (p. 309). Er bestaat alleen een algemene zondigheid, alle mensen zondigen op hun tijd en zijn ertoe geneigd. Het is aan deze "algemene zondigheid", die de ervaring ons leert, dat men volgens de N.K. rond 400 de naam "erfzonde" heeft gegeven, en hiermee is in het bijzonder de naam van St. Augustinus verbonden (p. 313). Door de grote kerkvader te noemen spreekt de "Nieuwe Katechismus" onwaarheid, want Augustinus' leer is overbekend en kan aan de auteurs van de Nieuwe Katechismus niet zijn ontgaan.

De leer van de erfzonde is verbonden met die van het bovennatuurlijk ingrijpen van God in deze wereld. Hij heeft het eerste mensenpaar, door zijn genade, in een bovennatuurlijke toestand verplaatst die het door de zonde heeft verloren. Deze erfzonde wordt weer weggenomen door Gods bovennatuurlijke genade, heel in het bijzonder door het doopsel, waarbij de mens de heiligmakende genade weer terug ontvangt. Dit alles is voor het modernisme onaanvaardbaar. Er is meer. De Kerk gelooft ook, daarbij steundend op niet weinig uitspraken van de H. Schrift, dat Christus voor ons de genade van de verlossing heeft verdiend door zijn bloedig offer aan het kruis. Ook dit houdt een bijzonder en eenzijdig ingrijpen van God in, wat de modernist niet aanvaardt. Daarom leest men in de N.K. dat Jesus ons door zijn "leven" heeft verlost, di. door zijn prachtig voorbeeld, dat wij na moeten volgen. Het is een onaanvaardbare gedachte, wordt gezegd, dat God het bloed van een onschuldige zou hebben opgevorderd; daarom zijn wij dáárdoor dan ook niet verlost. Dit is een voorwendsel, dat de ware reden verbergt: een kruisoffer, waardoor de Zoon van God geheel zelfstandig bovennatuurlijke genade voor ons zou hebben verdiend, bestaat niet, omdat die genade niet bestaat. Zo is het duidelijk, dat de katholieke leer van de erfzonde niet past in het systeem van de modemisten. Zij verwerpen haar daarom. Daarbij komt het hun gelegen, dat zij ook kunnen verwijzen naar veel aanvaarde evolutie-theorieën, die door hen doorgaans niet meer als veronderstellingen worden voorgesteld, maar als bewezen waarheid. Wat hiervan is te denken hebben wij boven uiteengezet.

Besluit

Op het gebied van de kerkelijke leer van de erfzonde bestaat geen tegenstelling tussen geloof en wetenschap. Daarom blijft een Katholiek aan de door Trente geformuleerde oude leer van de Kerk trouwen vreest hij niet haar te belijden. Het is echter te begrijpen dat zij, die de goddelijke openbaring niet als richtsnoer nemen van hun opvattingen, de leer van de erfzonde, zoals zij wordt geleerd door de Katholieke Kerk, niet aanvaarden. Als men daarbij ook niet gelooft, dat God in het begin van de tijd de wereld heeft geschapen en later de mens, dan is het verleidelijk aan te nemen dat de mens in zijn geheel door evolutie uit het dierenrijk is ontstaan. Voor de erfzonde is er dan weinig plaats.

De vanzelfsprekendheid waarmee in niet gelovige kringen de katholieke erfzondeleer wordt ontkend, is een verleiding voor veel Katholieken het dan ook maar doen. Wat in de wereld van vandaag niet wordt aanvaard zal wel niet waar zijn, denken zij in hun hart. Waarom zouden wij het mikpunt van de spot van andersdenkenden zijn? Als veel Christenen tegenwoordig wankel zijn geworden in hun geloof, is dit zeker ook omdat het hen diep kwetst door anderen niet voor "vol" te worden aangezien; te weten, dat hun geloofsopvattingen worden geminacht, kunnen zij niet verdragen. De meeste mensen voelen zich het veiligst wanneer zij denken en doen wat ook anderen, met wie zij zich sociaal verbonden voelen, denken en doen. Er is moed voor nodig, en kracht, om tegen die stroom op te roeien.