www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / Een toespraak van kardinaal Ratzinger

Een toespraak van kardinaal Ratzinger

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Maandblad - 1e JAARGANG - No. 9 - SEPTEMBER 1989

De daguitgave van de OSSERVATORE ROMANO van 1 juli '89 bracht op p. 7 de Italiaanse vertaling van een toespraak die kard. Joseph Ratzinger in de eerste week van mei '89 ergens in de nabijheid van Wenen heeft gehouden voor de vergaderde voorzitters der commissies voor de geloofsleer van de Europese bisschopsconferenties. De kardinaal heeft met veel realisme gesproken over de toestand van het katholiek geloof in de Europese landen, die er volgens hem slecht voor staat. In welke taal hij heeft gesploken werd niet gezegd, wat jammer is. De kardinaal denkt in het Duits en de Italiaanse tekst van zijn toespraak getiteld "Moeilijkheden waartegenover het geloof zich vandaag in Europa geplaatst ziet" is niet overal even duidelijk; een Duitse tekst zou dit wellicht meer zijn geweest. Het realisme van de kardinaal onderscheidt zich van een gebrek daaraan in o.a. het voorbereidend document van de a.s. Romeinse bisschoppensynode, die het zal hebben over de vorming van de priesters in de tegenwoordige tijd. Het catastrofale teruglopen van de priesterroepingen in West-Europese landen en in de U.S.A. krijgt daarin niet de aandacht die het verdient en een realistische opsomming en analyse van de oorzaken die ertoe hebben geleid vindt men niet. Het gelóófsverval is daarvan de hoofdoorzaak, maar hierover wil men in officiële Romeinse documenten zo min mogelijk spreken. Ratzinger doet dit wel, zoals men zal zien. De tussen ( ) geplaatste woorden zijn eigen toevoegingen.

De kardinaal wijst op drie verschillende wijzen waarop het geloof heden wordt "verduisterd", waardoor er een nieuwe kijk op de wereld voor in de plaats is gekomen.

1. Op de eerste plaats, zegt hij, is uit de theologie de leer van de schepping bijna geheel verdwenen. Dit komt duidelijk naar voren in een oecumenisch werk van J. Feiner en L. Vischer "Nieuw Geloofsboek" (1973) en in een ander, waarvan de auteur niet wordt genoemd, genaamd "La foi des Catholiques" (Parijs 1984). (Deze verdwijning hangt samen met het modernistische begrip van God, die niet meer als volkomen onderscheiden en geheel verheven boven zijn schepping wordt voorgesteld, maar als één ermee: God is geheel of gedeeltelijk mei de wereld identiek. Hij heeft haar niet geschapen in het begin van de tijd. Dit komt praktisch neer op pantheïsme, zoals Pius X al heeft gezegd, in zijn encycliek tegen het modernisme. (Sommigen beweren dat God ons en de wereld altijd door "schept", in zover hij de dynamische kracht in de wereld is; dit is spelen met woorden.)

In de plaats van de bijbelse scheppingsleer komt de filosofie van de evolutie, die wel moet onderscheiden worden van de wetenschappelijke theorie daarvan. (Het verschil is het volgende. De wetenschap neemt in een aantal gevallen aan, dat zekere soorten van planten en dieren zich uit andere hebben ontwikkeld, waarvoor zij de bewijzen meent te hebben gevonden in de studie van de overblijfselen van eenmaal levende wezens uit het verleden. De filosofie van de evolutie, waarvan Teilhard de Chardin een der bekendste profeten was, zet de evolutie voorop, niet als theorie maar als zekerheid, om de bestaande wereld in haar gehéél te verklaren. Teilhard nam zonder bewijs aan, dat alle leven begon met de stof en zich daaruit heeft ontwikkeld, tot het stadium "mens" bereikt was, die nog niet aan het eind van zijn ontwikkeling is gekomen, maar bestemd is een nog hogere trap te bereiken. Zo komt men van het punt alfa - eerste letter van het Griekse alfabet - tot het punt omega - de laatste letter. Enkelen hebben zelfs beweerd dat dit laatste punt al in Christus bereikt is.).

Als hét er zo met de natuur uitziet, is er ook geen zedelijke natuurwet en is het geweten van de mens doof zoals zijn natuur blind is. (Een "doof" geweten luistert niet naar een stem die van buiten de wereld, van God komt, en een "blinde" natuur van de mens "ziet" geen wetten door God gegeven). Daarmee wordt de mens "autonoom", d.w.z. zijn eigen wetgever. (Hier belanden wij bij het z.g. "eigen geweten" volgens hetwelk men praktisch mag doen wat men goeddunkt).

Een 2de punt is dat er geen metafysica meer is (dat is, dat er niets is waarmee wij rekening moeten houden buiten dat, wat wij zien en ervaren). De wereld is ontstaan uit de bekende "oerknal" en daarbuiten is er niets. Hieruit volgt dat Jezus Christus niet de Zoon van God kan zijn die "van buiten" (van God) in deze wereld is gekomen. Hij is een mens, zoals wij, die geheel tot de geschiedenis behoort. Men stelt zich hem voor als de verkondiger van een geheel "vrije" moraal, zonder binding aan wetten, ofwel als een verkondiger, die gefaald heeft, van de maatschappelijke revolutie. Men ziet hem ook als de "vertegenwoordiger" van God. (Velen zien hem als de meest volmaakte "openbaring" van God, zoals de hele wereld een openbaring van Hem is. Hij is dus niet de eniggeboren Zoon, de Tweede Persoon der Heilige Drie-eenheid).

3. Ook de leer van de uitersten wordt geheel veranderd. Men spreekt niet meer van de hemel en het hiernamaals, maar wil hier op aarde een "betere wereld" doen ontstaan, door de onze grondig te verbeteren. "Het geloof in het eeuwig leven speelt tegenwoordig maar een zeer geringe rol in de prediking" (dit gaat niet alleen hiervoor op, maar zelfs voor tal van officiële kerkelijke documenten van onze tijd). Zelfs in de gebeden dringt het streven naar een betere wereld door, niet in het hiernamaals maar hier op aarde. Dit leven moet worden verbeterd, deze maatschappij, en over de eeuwigheid van het hiernamaals wordt niet gesproken. Ratzinger geeft dan het voorbeeld van een vastenpredikant, die in de jaren '70 in zijn eerste preek verkondigde dat er geen hel is, in de tweede preekte hij dat het vagevuur niet bestaat en in de derde trachtte hij de beminde gelovigen bij te brengen dat er ook geen hemel is. Zo drastisch zijn de meeste predikanten niet, voegde hij eraan toe, "maar het wantrouwen met betrekking tot het hiernamaals is algemeen geworden". Dit heeft verstrekkende gevolgen, want als er geen eeuwig leven is, (en men ook niet aanneemt dat God in dit leven loon naar werken geeft), dan verliest de zedenwet haar absoluut dwingend karakter. "Het Rijk van God" is in het algemeen bewustzijn van de Christenen bijna geheel verdrongen, voor zover ik zie, door de utopie (iets onbestaanbaars) van een toekomstige betere (aardse) wereld, "waarvoor wij werken" en waarop de (nieuwe) moraal betrekking heeft.

De kardinaal ontkent niet dat het nieuwe utopische doelwit bij jongeren geheelonbaatzuchtig een idealistisch streven kan doen ontstaan. Maar dat is niet genoeg, zégt hij, want als het Rijk Gods niet méér dan een betere wereld van morgen is, dan zal de wereld van nu ook haar rechten opeisen. Het gevolg ervan is, meent hij, de vlucht in de drugs. Hij besluit met te zeggen dat velen zijn analyse te negatief zullen vinden. Maar dan moeten zij bedenken dat het doel ervan was de beletselen in het licht te stellen die tegenwoordig in Europa hinderpalen zijn voor het geloof. Pas als wij weten hoe men in de Westerse wereld van nu tegenover het geloof staat, kunnen wij dit op de juiste manier uitdragen.

Tot zover kardinaal Ratzinger. Zijn ontleding van de toestand waarin het geloof zich bij ons bevindt is zwart maar juist. Het baat niet het te ontkennen, zij wordt daardoor maar erger. Naar mijn mening was het grote gemis van de synode van de Nederlandse bisschoppen te Rome, onder voorzitterschap van de Paus in 1984, het feit dat niet allereerst werd gewezen op het enorme geloofsverval, dat in de kerkprovincie plaats vindt en de oorzaak is van veel dat fout is. Daarom moesten ook de genomen besluiten dode letter blijven. Het geloof is het fundament van het katholieke leven en waar het ontbreekt, kan men niet bouwen.

De vraag is weer opnieuw: wat moeten wij nu als onze taak beschouwen? De toestand waarin wij leven vertoont gelijkenis met die van de Christenen in de eerste eeuwen. Zij leefden in een heidense, hun vijandige omgeving en werden van tijd tot tijd vervolgd. Zij vormden een minderheid in de grote massa van het heidendom. In onze tijd zijn de echte gelovigen opnieuw een minderheid, maar nu zelfs (in een aantal landen, vooral in West-Europa) in de Kerk, die sinds Vaticanum II weigert degenen, die haar geloof niet delen en bestrijden, ja zelfs die dit hardnekkig doen zonder dat men kan hopen op hun bekering, buiten te sluiten. Daardoor is een toestand ontstaan, die de Kerk tevoren niet heeft gekend. Zij wekt bij degenen die trouw willen blijven groepsvorming in de hand. Als men de officiële zichtbare Kerk in zijn omgeving niet meer als "thuis" ondervindt, sluit men zich in kleine (als het kan grotere groepen) aaneen, om daarin onder elkaar te zijn en een tehuis te hebben. Dit ligt in de sociale natuur van de mens. Men noemt het "polarisatie", maar die is alleen mogelijk gemaakt en verwekt doordat anderen, de meerderheid, een tegenpool zijn gaan vormen, die gekenmerkt wordt door haar verzet tegen de aloude leer van de katholieke Kerk op het gebied van geloof en zeden, en tegen de kerkelijke leiders die deze handhaven. Het is voor een meerderheid altijd vrij gemakkelijk de minderheid in een hoek te drijven als zij het niet met haar eens is. Deze trouwe minderheid dan ook nog van (foute) "polarisatie" beschuldigen is een grievende onrechtvaardigheid. Om kort te gaan: wij moeten het geloof van ons doopsel blijven belijden en beleven. Zij, die daartoe zijn geroepen, moeten het in het publiek verkondigen, ook al tracht de tegenstander hen door doodzwijgen, en als dit niet helpt, door directe bestrijding het bestaan onmogelijk te maken. Voorts moeten wij de dwaling bestrijden, waarbij wij onze aandacht allereerst moeten richten op de meest fundamentele en ergste dwalingen. Ook al weten wij dat ons succes gering zal zijn of zal uitblijven, moeten wij het blijven doen. Modernisme, zedeloosheid, abortus, homosexualiteit en alle andere radicale afdwalingen moeten wij aan de kaak blijven stellen. Laat ons niet denken dat zulk een strijd in het gehéél geen succes zal hebben. Zeker, ze zal de maatschappij niet omvormen, maar ze zal althans enkelen tot betere gedachten en daden brengen. De strijd tegen de abortus, om een voorbeeld te geven, zal vooralsnog niet tot gevolg hebben dat deze in Nederland buiten de wet wordt gesteld, zoals de Wet van God verlangt, maar hij leidt er ongetwijfeld toe, dat althans een aantal ongeborenen niet in de moederschoot hun graf vinden, hun schavot. En Iaat ons vooral niet vergeten dat God ons helpt, God zonder Wie wij niets kunnen.