www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / De Ene Kerk

De Ene Kerk

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Maandblad, 12e jaargang No. 5, mei 2000

Inleiding

Vóór Vaticanum II was het de katholieken verboden deel te nemen aan de oecumenische beweging, die in het protestantisme is ontstaan en in de "Wereldraad van Kerken" nog altijd door protestanten wordt geleid. Op het 2de Vaticaans Concilie is hierin een zo goed als totale verandering gekomen: de sluizen zijn opengezet en het oecumenisme is als een stortvloed in de katholieke Kerk doorgedrongen, op zo'n manier dat haar geloofsleer; dat zij alleen de ware Kerk van Christus is, er voor talloos velen door verduisterd is geworden. Bij niet weinigen is die verduistering zelfs totaal. Zij willen niet meer weten dat de katholieke Kerk, wier hoofd op aarde Petrus en zijn wettige opvolgers zijn, zich altijd als enige ware Kerk van Christus heeft beschouwd. En als zij het weten, generen zij zich het te belijden. Velen willen nog wel tot de katholieke Kerk behoren, want zij zijn daar nu eenmaal in geboren en mogelijk hebben ze er een functie in, misschien wel een belangrijke. Die geef je zo maar niet op. Het persoonlijk bestaan zou er onzeker door worden. Maar het geloof, het vaste geloof, dat de katholieke Kerk de Kerk van Christus is en dat geen andere menselijke gemeenschap dit van zich kan zeggen, is bij velen verwaterd, om niet te zeggen verdwenen.

Het komt steeds meer (van huis uit) katholieken bekrompen, ja dwaas voor, te beweren dat je als katholiek de geloofswaarheid "in pacht" hebt, zoals men de gelovigen voor de voeten gooit. Deze laatsten worden steeds meer een minderheid en leven in een ontkerstende wereld, die eist dat men met haar meedoet en met haar meedenkt. Er behoort een rotsvast geloof toe, en moed, te blijven volhouden dat het katholieke geloof het enig juiste is en dat het in zijn door God geopenbaarde volheid alleen in de katholieke Kerk wordt gevonden. Wij zijn toch allemaal elkanders medemensen zegt men, die over geloofsverschillen moeten heenstappen en daarboven staan! Dit niet doen, brengt maar onenigheid waar niemand iets aan heeft. Overigens, beweert men nog, zijn de verschillen van ondergeschikt belang, onvoldoende om als christenen verdeeld te zijn.

"U hebt een ander geloof dan ik" zei mij niet lang geleden een academicus, die nog katholiek wilde zijn. Daarop antwoordde ik hem dat zijn geloof (of wat hij ervoor hield) er een à la carte was, een keuzepakket. "Maar is dit niet uitstekend?" kreeg ik toen te horen, "dan kun je toch het beste kiezen!" De man die zo sprak geloofde niet meer omdat God het geopenbaard heeft en door zijn Kerk te geloven voorhoudt, of omdat het in de Bijbel staat. Hij nam alleen aan wat hij zelf verkoos. Zelf was hij rechter over zijn geloof, de norm ervan was wat hij zelf voor waar wilde houden, niet wat H. Schrift of Kerk leren. Zo zijn er tegenwoordig tallozen, die daarom de Kerk nog niet de rug willen toekeren, waartoe ze nu eenmaal altijd hebben behoord.
Daarnaast zijn er de modernisten, van wie er niet weinigen binnen de zichtbare Kerk blijven omdat ze daar een podium hebben vanwaar zij hun dwaalleer het meest doeltreffend kunnen verbreiden. Een man als Schillebeeckx, die even weinig geloof heeft als wijlen A. Loisy in de tijd van Pius X, heeft het herhaaldelijk gezegd en dat niet in besloten kring, maar in het publiek. Zulke mensen maken geen deel meer uit van de katholieke Kerk.

Onder de modernisten is de opvatting veel verspreid dat "Jezus van Nazareth", zoals ze Hem noemen, geen Kerk gesticht heeft en dit ook niet heeft willen doen. Hij heeft er niet eens aan gedacht. Door zijn optreden is een "Jezusbeweging" ontstaan, waarin "verhalen" over Jesus verteld werden, verhalen die "doorverteld" worden en waarbij er zijn die ook nu nog een deel van hun waarde hebben behouden, mits men ze maar verplaatst in het kader van onze tijd en, waar nodig, anders verstaat dan vroeger. De "Jezusbeweging", zo heet het, leidde tot het ontstaan van plaatselijke "gemeenten", "kerken", die zich veellater hebben aaneengesloten en zo de tegenwoordige Kerken hebben doen ontstaan.

Wij zouden op deze manier nog een tijd kunnen doorgaan, maar willen nu overstappen van het negatieve naar het positieve. Wij hebben aan het bovenstaande herinnerd, om te verklaren waarom wij deze uiteenzetting over "de ene Kerk" hebben geschreven. Wij vertellen er niets geheel nieuws, maar zetten er de leer in uiteen die de Kerk altijd heeft verkondigden die ook die van het 2de Vaticaans Concilie is, al zijn er geweest die geprobeerd hebben haar op dit concilie te verduisteren.

Wezen der Kerk

Vele eeuwen lang hebben tal van theologen het niet nodig geacht veel en diepzinnig te redeneren over wat de Kerk in haar diepste wezen is. Ze wisten wat de Kerk concreet is. Met haar werkelijkheid hadden ze dagelijks te maken. Waarom dan er nieuwe theorieën over opstellen? Ze wisten waar de Kerk te vinden was, wat zij leerde en welke sacramenten haar door Christus waren toevertrouwd. Zij wisten dat de Kerk het nieuwe "volk Gods" was, dat de plaats van het uitverkoren volk Israël had ingenomen. Zij wisten ook dat St. Paulus haar een "lichaam" heeft genoemd, waarvan Christus het hoofd is, de gelovigen de ledematen. Ze wisten dat de Kerk een, heilig, katholiek en apostolisch is, dat zij deze eigenschappen alleen bezit.
De "Catechismus van Trente" wijdt enkele bladzijden aan de Kerk (in mijn uitgave, 15 van de 534 bladzijden). Wij lezen daarin dat de Kerk, naar een woord van St. Augustinus, "het gelovige volk, over heel de wereld verbreid" is (in zijn uitleg van Ps. 149). Zij is één grote familie, de kudde van Christus, zijn bruid, zijn lichaam. Zowel de "strijdende" Kerk op aarde als de "triomferende" in de hemel behoren er toe. In de eerste zijn zowel goeden als kwaden (zondaars) te vinden. De Kerk is zichtbaar, en daarom behoren ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden er niet toe. Zij is een door de onzichtbare Geest van God, die er zijn genade in uitdeelt zij heeft één geloof en is Christus' mystiek Lichaam.
De Kerk is volgens de catechismus van Trente heilig, omdat haar lidmaten aan Christus zijn toegewijd, omdat alleen in haar het wettige offer wordt opgedragen en de sacramenten worden toegediend, omdat zij het Lichaam van Christus is en omdat zij, die in de juiste zin van dat woord "heiligen" zijn, niet buiten de Kerk kunnen staan.
Als de Kerk zich katholiek noemt, wil zij daarmee zeggen dat zij algemeen is, over heel de wereld en bij alle volkeren verbreid. Vanaf Adam hebben alle ware gelovigen ertoe behoord. Allen die het eeuwig leven willen verwerven moeten er lid van zijn. Daarom is de ark van Noë een beeld van haar, omdat alleen zij die in deze ark zaten in de zondvloed gered zijn. Dat de Kerk apostolisch is, wil zeggen dat haar oorsprong op de apostelen teruggaat. Zij hebben het ware geloof verkondigd. En de Heilige Geest, die haar leidt, doet dit door de opvolgers der Apostelen en allen die aan hun dienstwerk deelhebben. De Kerk kan in zaken van geloof en zeden niet dwalen. In het Oude Testament wordt zij o.a. voorafgebeeld door de ark van Noë en door de stad Jerusalem, in welke alleen de ware offers aan God werden gebracht.
Dit overzicht van wat de Kerk is, noemt de elementen en de eigenschappen op die haar kenmerken.

Mystiek lichaam

Vooral in deze eeuw heeft men dieper willen graven om het wezen der Kerk zoveel mogelijk in één begrip uit te drukken. Theologen begonnen de gedachte "Mystiek Lichaam van Christus" uit te diepen en dit heeft ook Pius XII in zijn encycliek Mystici Corporis van 29 Juni 1943 gedaan. Op Vaticanum II is de nadruk komen te liggen op de Kerk als "volk van God". Hoe wààr dit laatste ook is, er zijn heel wat verkeerde conclusies uit getrokken, samengevat in de gedachte dat de Kerk op haast soortgelijke wijze een "volk" is als de andere volkeren der aarde en in haar inrichting daaraan een voorbeeld moet nemen. Over deze zeer ernstige misvatting en dwaling willen wij het hier niet hebben. Alleen nog dit: het begrip "volk" is veelzinnig, het is vaak moeilijk te zeggen wie tot een volk behoort en wie niet, de grenzen zijn dikwijls vaag en over wat het "wezen" van een volk uitmaakt wordt verschillend gedacht. Om de eenheid en enigheid der Kerk te doen uitkomen is de gedachte dat zij Christus' Mystiek Lichaam is, van meer en veel groter betekenis. Een lichaam, voorgesteld als dat van een mens, met hoofd en ledematen, is van nature één. Van hetzelfde lichaam is er geen tweede.

De katholieke kerk is die van Christus

Pius XII begint zijn encycliek Mystici Corporis met te zeggen dat dit lichaam de Kerk is (quod est Ecclesia). Gelijk men weet is deze duidelijke uitspraak op Vaticanum II niet met dezelfde woorden herhaald, maar wel vinden wij er gelijkwaardige omschrijvingen. In Lumen Gentium (over de Kerk) wordt gezegd dat Christus, de enige Middelaar, op aarde een zichtbare Kerk gesticht heeft, die organisch is ingericht en het mystiek Lichaam van Christus is. Zij is zowel zichtbaar als geestelijk van aard (nr. 8). Dit is "de enige (unica) Kerk van Christus" die wij in het Credo belijden, lezen wij verder, die de Heer na zijn verrijzenis aan Petrus heeft toevertrouwd om haar te weiden (Joan. 21, 17); aan hem en aan alle apostelen heeft Hij de opdracht gegeven haar te verbreiden en te besturen. "Deze Kerk, heet het dan verder, bestaat (subsistit) in de katholieke Kerk, die door de opvolger van Petrus, en de bisschoppen die in gemeenschap met hem leven, wordt bestuurd" (l.c.).

Ondanks het feit dat in deze uitspraak "bestaat in" wordt gezegd en niet eenvoudig "is", is het duidelijk dat voor het concilie de huidige (rooms-) katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is. Om de uitdrukking "bestaat in" is op bet concilie gestreden. Ze is ten slotte aangenomen om wat in de hier volgende woorden wordt gezegd: "ofschoon er buiten haar verband (= van de katholieke Kerk) verscheidene elementen van heiliging en waarheid worden gevonden, die, als gaven aan de Kerk van Christus eigen, gericht zijn op (impellunt ad) de katholieke eenheid" (l.c.). Het mag zijn dat bij diegenen die het woord "is" niet wilden gebruiken er waren die de juistheid daarvan betwijfelden of erger; maar die hebben dan hun doel niet bereikt, zoals ook uit andere verklaringen van Vaticanum II blijkt.
Het decreet over het oecumenisme van hetzelfde concilie spreekt over de enige Kerk van God (unica Dei Ecclesia, nr. 3), die door Christus is gesticht, aan Petrus en de apostelen is toevertrouwd en nu wordt bestuurd door hun opvolgers, met die van Petrus aan het hoofd (nr. 2). Al vroeg zijn schisma's ontstaan (1 Cor. 11 vv.; 11, 22) en ook later hebben delen ervan zich afgescheiden (nr. 3). Het decreet maakt overal onderscheid tussen de (rooms-) katholieke Kerk en de daarvan gescheiden gemeenschappen, van welke het zegt dat zij "niet ten volle" met haar verenigd zijn (l.c.).
Ook in de verklaring over de godsdienstvrijheid vinden wij deze leer. In het begin daarvan is sprake van de "traditionele katholieke leer van de zedelijke plicht van mensen en gemeenschappen ten aanzien van de ware godsdienst en de enige (unicam) Kerk van Christus" (nr. l). Deze uitspraak volgt na een andere, waarin wordt gezegd dat "de enige ware godsdienst bestaat (subsistit) in de katholieke en apostolische Kerk". In nr. 14 wordt erop gewezen dat de gelovigen hun geweten moeten vormen "naar de ware en zekere leer van de Kerk. Door de wil van Christus is de katholieke Kerk immers de leermeesteres der waarheid"en het is haar taak deze waarheid en de beginselen der zedenleer "met haar gezag te verkondigen (declaret) en te bevestigen". De "enige Kerk van Christus", waarvan deze verklaring spreekt, kan geen andere zijn dan de Kerk van het 2de Vaticaanse Concilie, dat is de Kerk die de rooms-katholieke heet en is.
Daar komt nog bij dat dezelfde dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen Gentium, waarin wordt gezegd dat die Kerk van Christus bestaat (subsistit) in de katholieke Kerk, de plaats en de voorrechten die aan haar hoofd, de opvolger van Petrus te Rome, volgens Vaticanum I (1870) toekomen, uitdrukkelijk noemt en bevestigt. De paus van Rome, zo lezen wij er, is het hoofd van het bisschoppencollege en van de Kerk, die in zijn de hele Kerk bindende plechtige uitspraken onfeilbaar is, door een bijzonder voorrecht hem door Christus geschonken (nr:25).

Uit dit alles is het meer dan duidelijk dat Vaticanum II aan de overgeleverde leer dat de (rooms-) katholieke Kerk de Kerk van Christus is, niets heeft veranderd. Diegenen, bisschoppen of "periti", die op het concilie misschien een andere mening waren toegedaan, hebben het niet verder gebracht dan dat het woord "is" vervangen is door "bestaat in". De betekenis van zoiets moet men niet onderschatten, maar wie zeggen dat de Kerk hiermee haar tot dusver geldende leer heeft opgegeven, misleiden hun lezers en hoorders. Dit laatste had vermeden kunnen worden, wanneer de met pauselijk gezag in het begin van zijn encycliek over de Kerk (Mystici Corporis van 29.6.1943) door Pius XII gebruikte woorden waren herhaald: het Mystiek Lichaam van Christus is de Kerk (Het Mystiek Lichaam van Christus, dat de Kerk is). Met deze woorden begint de beroemde Encycliek zelfs.

Oecumenisme

Het is natuurlijk te begrijpen, dat wanneer men oecumenische gesprekken voert om de toenadering van niet-katholieken tot de katholieke Kerk te bevorderen, men niet moet beginnen met te zeggen: bedenk het wel, wij zijn de ware Kerk en U niet! Dan zou er van een gesprek niet veel meer komen. Maar men mag het ook niet ontkennen en uit vals irenisme juist doen alsof wij dit niet meer geloven.
In zijn decreet over het oecumenisme Unitatis Redintegratio wijst Vaticanum II erop dat "niets zo vreemd is aan het oecumenisme als het valse irenisme, dat tekort doet aan de zuiverheid van de katholieke leer en de echte en zekere betekenis ervan verduistert" (nr. 11). Deze woorden volgen op "Het is nodig dat de hele leer (integra doctrina) duidelijk en volkomen wordt uiteengezet". Daar hoort dus ook bij, en wel als een der belangrijkste leerstukken, dat de katholieke Kerk de door Christus gestichte Kerk is. Joannes XXIII leert het volgende in de aanhef van zijn sociale encycliek Mater et Magistra van 15.5.1961: "Als Moeder en Lerares van de volkeren is de katholieke Kerk gesticht opdat allen die in de loop der eeuwen in haar schoot en omarming zouden worden opgenomen, het heil zouden vinden, met de volheid van volmaakter leven".

De verdeeldheid der christenheid is een der grootste rampen die haar heeft getroffen, door toedoen van haar leden. Om die eenheid te herstellen moet al het mogelijke worden gedaan. Christenen moeten in deze ontkerstende wereld samenwerken waarzij ook maar kunnen. Maar het kenmerkende van de huidige oecumenische "dialoog" van katholieken en niet-katholieken is, dat men vrijwel alleen met elkaar praat over het geloof, waarin de meeste radicale verschillen bestaan, die alleen zijn te overbruggen doordat een van beide partijen die van de andere aanvaardt. Houden beiden echter principieel en radicaal vast aan wat zij altijd als inhoud van hun geloof hebben aanvaard (zoals zeker van niet-katholieke zijde gebeurt), dan is het fout een "grondige overeenkomst" vast te stellen, resp. voor te wenden en te formuleren in gemeenschappelijke verklaringen, waarbij van katholieke zijde doorgaans het meest wordt toegegeven. Daarbij wordt afgeweken van de eis van Vaticanum II, dat de katholieken de leer der Kerk duidelijk, ondubbelzinnig en volledig moeten uiteenzetten. Befaamd zijn o.a. de verklaringen van de (eerste) anglicaans-katholieke commissie (ARCIC I), waarin beide partijen tot "substantiële overeenstemming" heetten te zijn gekomen op het punt van de leer der Eucharistie, het priesterschap en het gezag in de Kerk! Men had gehoopt dat Joannes Paulus II deze conclusies tot de zijn zou maken, maar het tegendeel gebeurde: de Congregatie van de Geloofsleer veegde ze van de (gespreks)tafel. Het huiswerk moest worden overgedaan en daartoe werd een nieuwe commissie benoemd (ARCIC II).

Dialoog

Om het standpunt van katholieken en niet-katholieken te kennen is het heus niet nodig daarvoor telkens weer opnieuw commissies in het leven te roepen, die met elkaar een "dialoog" voeren. Er is eeuwen lang voldoende en met groot gezag geschreven over de confessionele geschilpunten, zodat ieder ter zake kundige die kan kennen zonder eerst lid te worden van een commissie. Zeker, persoonlijk contact werkt verhelderend, maar de wezenlijke punten van de leer die christenen van elkaar scheiden, zijn allang bekend. Daarom moet erop aangedrongen worden allereerst samen te werken op punten die ons duidelijk verbinden en die uitgangspunten kunnen zijn voor gezamenlijke actie. Geloofsverschillen moeten pas daarna aan de orde komen en niets mag worden ondernomen om ze te verdoezelen. Een luthers-katholieke commissie kwam tot de conclusie dat de leer der rechtvaardiging die Luther leerde in wezen dezelfde is als die der Kerk van Rome, als men ze (van katholieke zijde) maar goed begrijpt! Alsof Luther c.s. en daarnaast de katholieken die hen bestreden, zoals ook de Vaders van Trente, niet wisten wat zij dachten en geloofden en daarvoor op de oecumenici van de 20ste eeuw moest worden gewacht, die de oude "misverstanden" wel even zouden ophelderen!

Kerken

Het is uit het Nieuwe Testament en de christelijke overlevering duidelijk, dat Christus een Kerk heeft gesticht, die al heel vroeg de "katholieke", d.i. de algemene, is genoemd. "Katholiek" betekende in de praktijk ook, dat men niet tot een sekte behoorde met haar eigen leiders en vaak ook eigen geloofsopvattingen. Later kwam ook het woord "oecumenisch" in gebruik, waarmee men "wereldwijd", "algemeen", bedoelde (letterlijk: betrekking hebben op de -toenmaals bekende -bewoonde wereld). Dit heeft het woord "katholiek" niet kunnen verdringen, dat burgerrecht had verkregen door het Credo. Ook heeft het nooit een gelijkwaardige plaats naast "katholiek" gehad.

Het woord "Kerk", ofschoon van Griekse afkomst (kuriakós = betrekking hebbend op de Heer; kuriakón = huis des Heren), is vanuit Trier onder de Germaanse Angelsaksen en Franken verbreid. Het Griekse woord luidt ekklèsia, dat in het Latijn ecclesia is geworden, in het Frans église, in het Spaans iglesia, in het Italiaans chiesa. Het Griekse woord komt veelvuldig voor in het (Griekse) Nieuwe Testament en betekent daar allereerst "vergadering", "gemeente". De in vergadering bijeengeroepen vrije burgers van een stad (de "volksvergadering") heette oorspronkelijk zo en het woord werd later de naam van de oud-christelijke "gemeente" (een woord van Luther). Die had men in elke stad, waar het Christendom enige verbreiding had gevonden. Al van het begin af aan zijn de oudste christelijke "gemeenten" ecclesiae, d.i. "kerken" genoemd. De auteur van de Apocalyps schrijft brieven aan de "zeven kerken in Azië"; men lette op de uitdrukkingswijze: de kerken in, niet van Azië (Ap.l,4). Ook later is sprake van "de kerk in Efeze, in Smyrna" enz. In het boek der Handelingen en bij St. Paulus vinden we hetzelfde: de kerk te Jerusalem (Hand. 1,8), te Cenchrae (Rom. 16,1), te Corinthe (1 Cor. 1,2). In het meervoud spreekt St. Paulus van "de kerken van Galatie" (1 Cor. 16,1), "... van Macedonië" (2 Cor. 8,1). De ecclesia is duidelijk de christelijke gemeenschap in een bepaalde plaats, streek of land.

Daarnaast heeft het woord een veel ruimere betekenis. In de Griekse vertaling van het Oude Testament is ekklèsia bijna altijd de weergave van het Hebreeuwse woord qahal waarmee een al of niet saamgeroepen menigte van Israëlieten wordt bedoeld, later ook het hele volk (de "qahal van Jahwe") en dan heeft het duidelijk een godsdienstige betekenis (Num. 16,3; 20,4; Dt. 23,2, enz.). Zo betekent ekklèsia ook de hele Kerk, in de zin waarin wij het woord gebruiken, naar analogie van het gebruik van qahal in het Oude Testament. Teksten zijn er genoeg en wij willen er enkele aanhalen. De meest beroemde is Mt.16,18 waarin Jesus Petrus de "steenrots" noemt waarop Hij zijn Kerk bouwt; Hand. 9,31 ("de Kerk genoot vrede in heel Judea, Galilea en Samaria"); 1 Cor. 12,28; Ef. l,22 (Christus is hoofd van "heel de Kerk"); Col. 1,18-24 (Christus is het hoofd van het lichaam, dat de Kerk is); Phil .3,6 (Paulus bekent dat hij "de Kerk" heeft vervolgd, een algemene uitdrukking waaronder niet alleen die van Jerusalem is te verstaan).

Na duidelijke getuigenissen van het Nieuw Testament dat Jezus een Kerk heeft gesticht, en wel één Kerk, wier afzonderlijke gemeenschappen, als de cellen waaruit zij is opgebouwd, in vele plaatsen aanwezig zijn, is het alleen maar te verwachten dat de oude en oudste Vaders en kerkelijke schrijvers niet anders schrijven. Al in de Didache ("Leer der twaalf apostelen") vinden wij dit met alle duidelijkheid in een gebed dat daarin met betrekking tot de Eucharistie wordt aangehaald: "Zoals dit gebroken brood, verstrooid op de bergen en verzameld één is geworden, laat zo ook Uw Kerk verzameld worden van de uiteinden der aarde in uw koninkrijk" (9,4). "Gedenk, Heer, uw Kerk, om haar te bevrijden van alle kwaad en haar in uw liefde te vervolmaken en 'breng haar bijeen van de vier windstreken' (Mt. 24,31 ), geheiligd, in uw koninkrijk" (10,5). Het staat niet vast wanneer de Didache is ontstaan; men denkt veel aan de eerste helft van de tweede eeuw, maar er zijn er ook die haar in de tweede helft van de eerste eeuw plaatsen; wijlen de anglicaanse bisschop John A.T. Robinson dacht zelfs aan tussen 40 en 60 (in zijn geruchtmakend boek Redating the New Testament (1976)).

St. Clemens, tweede opvolger van S. Petrus op de Stoel van Rome, schreef zijn Brief aan de Corinthiërs (in 96) dat de apostelen opvolgers hebben aangesteld die van hen hun ambt hebben overgenomen en het weer aan anderen hebben overgedragen "met instemming van heel de Kerk" (44,1). St. Ignatius van Antiochië, martelaar, schreef in 107 aan de kerkgemeente van Smyrna dat men één moet zijn met de bisschop, "want waar de bisschop zich toont, moet ook het (kerk)volk zijn, zoals waar Christus is, daar ook de katholieke Kerk is" (8,1).
St. Cyprianus, bisschop van Carthago en martelaar (+258) wijst er in zijn geschrift Over de Eenheid der Kerk op, dat deze volgens het woord des Heren gegrondvest is op Petrus. De eenheid der Kerk rust op hem en zo is er maar één Kerk van Christus. De Kerk is één lichaam en verspreidt haar stralen over heel de wereld: zij is als een boom met takken, als men er een afhakt, verdort hij en kan geen vrucht meer dragen. Daarom zijn ook alle bisschoppen samen een, geen van hen mag zich afscheiden. Cyprianus bestrijdt in deze woorden de schisma 's die zich toen al in de Kerk voordeden. Bekend is zijn beroemde uitspraak: "Niemand kan God tot Vader hebben, die de Kerk niet tot moeder heeft" (o.c., 6).
Cyprianus is in conflict gekomen met paus Stephanus I (254-257), omdat hij de geldigheid van het door ketters toegediende doopsel niet wilde aanvaarden, zoals men te Rome wel deed. Men kan zijn woorden niet als een krachtig getuigenis voor het pauselijk gezag aanhalen. Zijn getuigenis geldt het bestaan van één katholieke Kerk, waartoe allen moeten behoren. De volle omvang en betekenis van het primaat van de bisschop van Rome was in die tijd nog niet voor iedereen duidelijk, zelfs niet voor een groot man als Cyprianus. Zijn standpunt met betrekking tot het primaat, waarop de eenheid der Kerk berust, is ook niet consequent. Zijn vrijwillig martelaarschap heeft hem voor God van schuld ontslagen. Voor Cyprianus is de Kerk allereerst de algemene, katholieke Kerk, niet de plaatselijke; zij is géén bond van "gemeenten" die zich hebben aaneengesloten in een soort vrije vereniging.

De Kerk een "bond"?

Met de opvatting dat de Kerk een "bond" is, met name een "liefdesbond", wordt de naam van de boven al genoemde martelaar St. Ignatius in verband gebracht, maar ten onrechte. Deze bewering steunt op een verkeerde vertaling, resp. een verkeerd begrip, van een passage van zijn brief aan de Romeinen. Daarin wordt de kerk "die voorzit in het land der Romeinen" (aanhef van de brief) "voorzitster van de liefde" (in het Grieks proka-thèmenè agápes) genoemd. Men heeft met de laatste uitdrukking (agápè) niet goed weg geweten en heeft daarom "liefde" maar verstaan als "liefdesbond", door Rome voorgezeten, zoals bij ons een vergadering door de voorzitter. Maar van "bond" is in de tekst geen sprake. Voor Ignatius kenmerkte de "liefde" de christelijke gemeenschappen zozeer, dat hij ze in zijn groeten er als het ware mee vereenzelvigt: "de liefde van die van Smyrna en van Efeze groet u" (Trall. 13,3); "de liefde van de broeders te Troas groet U" (Philad. 11,2 en Smyrn. 12,1); "mijn geest groet u en de liefde der kerken die mij hebben ontvangen (Rom. 9,3). Zo betekent "voorzittend in de liefde" zoveel als "vooraanstaand als kerk, waarin de liefde leeft". Ook moet men "vooraanstaand" (resp. "voorzittend") goed begrijpen. Ignatius gebruikte hetzelfde woord ook van de bisschop in zijn kerkgemeente, waarin hij de leiding had en waarvan hij de herder was.
Kortheidshalve willen wij over andere kerkelijke schrijvers en kerkvaders verder zwijgen. Het is immers duidelijk genoeg dat er voor hen maar één ware Kerk was, de ene, heilige, katholieke en apostolische, zoals de kerkvergadering van Nicea (325) het in haar Credo heeft geformuleerd.
Deze Kerk is zowel een zichtbare als een geestelijke, onzichtbare gemeenschap. Zichtbaar is zij op aarde in haar leden, hiërarchie, prediking, sacramenten enz. Onzichtbaar is de Kerk in zover zij het Mystiek Lichaam van Christus is; Hij is haar hemels en voor ons onzichtbaar hoofd, die door de genade van de Heilige Geest de Kerk vruchtbaar maakt.

Christus, Heer en God

Christus, het onzichtbare Hoofd der Kerk, is het diepste beginsel van haar eenheid. Hieruit volgt, dat om lid van de Kerk te zijn, men Hem ook moet erkennen als haar Hoofd. Velen menen dat het genoeg is Christus te erkennen als "de Heer" en oecumenici leggen hierop vaak grote nadruk. Dat is Hij zeker en zo wordt Hij ook vaak in het Nieuwe Testament genoemd, maar de gelovige kan niet aan de vraag voorbijgaan wáárom Christus de Heer van de Kerk is. Dit is Hij, zoals Hij zelf heeft geopenbaard en zijn apostelen ons hebben overgeleverd (dat is: geleerd), omdat Hij de Zoon van God is. Maar het woord "Zoon" wordt verschillend uitgelegd. Is hij alleen maar een mens, die "Zoon" van God kan worden genoemd, omdat hij de meest verheven "manifestatie" van God is, zoals geen ander ooit was? Tot degenen die zo spreken moeten wij allereerst zeggen: hoe weet U dat er geen groter mens dan Jesus heeft geleefd? Hierop moeten zij het antwoord schuldig blijven en daarom is deze bewering een slag in de lucht. De wereld heeft allerlei zeer grote mensen gekend, al moet hun grootheid niet aan hun succes worden gemeten. Menselijke grootheid is iets dat op zichzelf staat en wordt vaak niet erkend door anderen.
Daar komt bij dat de Kerk vanaf het begin heeft geleerd dat Christus als God één in substantie is ("een in wezen" zegt men vaak in het Nederlands en bedoelt daarmee hetzelfde, omdat men "wezen" opvat als "zijn") met de Vader. In een beroemde tekst heeft St. Paulus gezegd dat Christus "het gelijk zijn met God geen roof heeft geacht" (Fil. 2,6). Door mens te worden heeft Hij zich, zegt de apostel, als het ware "ontledigd" (Fil; 2,7). Dit betekent dat op aarde zijn Godheid achter zijn mensheid schuil is gegaan, Hij is niet in goddelijke glans en glorie geboren. Christus is God, maar niet als mens.
In de boven aangehaalde tekst belijdt St. Paulus zo duidelijk de Godheid van Christus, dat enkelen die dit niet willen aanvaarden er een omstreden tekst van zijn gaan maken, waartoe ze hem anders moesten vertalen dan er staat. Zelfs katholieken hebben aan die vervalsing meegedaan, o.a. in Frankrijk, waar zij in een in de liturgie gebruikte vertaling is te vinden, die luide protesten heeft uitgelokt.
Dat de Zoon van Maria God en mens tegelijk is, is een der meest verheven geheimen van ons geloof. Theologen hebben getracht enigszins in dit geheim door te dringen, maar vooral in Syrië (St. Efrem en de latere monophysieten) heeft men gewaarschuwd tegen de "onderzoekers". Toch heeft de Kerk zich moeten uitspreken, omdat er ketterijen waren ontstaan, als die van Arius, die Christus voor de mindere van de Vader hield. De Kerk kwam hierdoor zo in beroering, dat de keizer een algemene kerkvergadering bijeenriep, die in 325 de eerste officiële geloofsbelijdenis voor heel de Kerk opstelde, waarin het luidt dat Christus God èn mens is, één "in substantie" met de Vader. Hiermee moest aan de strijd een einde zijn gekomen, maar het heeft nog eeuwen geduurd voor de hele toenmalige christenheid de uitspraak van Nicea heeft willen aanvaarden. Tegenwoordig zijn er niet weinig theologen die zich nog katholiek laten noemen en weer Ariaan zijn geworden.
Maar niet alleen innerlijk, als Mystiek Lichaam van Christus, ook uiterlijk is de Kerk een eenheid. Dit drukte men oudtijds uit door haar de "katholieke" te noemen; alleen zij die haar leer aanvaardden en gemeenschap (communio) met elkaar onderhielden in één geloof en dezelfde sacramenten, behoorden ertoe. Deze communio was vooral duidelijk rond het vieren van de Eucharistie, waartoe alleen werden toegelaten die hetzelfde geloof beleden en in volmaakte vrede met elkaar leefden. Ketters behoorden er niet toe; ook geen scheurmakers die een eigen gemeenschap hadden gesticht, los van de algemene Kerk.

Petrus en zijn opvolgers

Voor een zichtbare organisatie is het nodig één hoofd te hebben. Jesus had Petrus aangesteld tot de "rots" waarop hij zijn Kerk wilde bouwen, en op het laatste avondmaal had Hij hem gezegd zijn broeders in het geloof te bevestigen, waarin de Meester eerst hemzelf had bevestigd, zodat het niet zou falen (Luc. 22,32). Na zijn verrijzenis uit de doden heeft Jesus hem tot drie-maal toe opgedragen "zijn schapen" (= die van Jesus) te "weiden". (Joan. 21, 15-17). Hiermee werd Petrus de opperherder van de door Christus gestichte Kerk. De vraag kan worden gesteld of Petrus' opvolgers (en wie waren dat?) deze functie van Hem hebben overgenomen? Het antwoord moet bevestigd luiden, al was dit in de eerste eeuwen der Kerk niet zo duidelijk als het later zou worden. Een protestant als O. Cullmann, die als "waarnemer" op Vaticanum II aanwezig was en herhaaldelijk met Paulus VI persoonlijke gesprekken heeft gevoerd, wil wel erkennen dat Petrus het hoofd der eerste Kerk is geweest, maar niet dat zijn opvolgers dit nu nog zijn. Cullmann is nieuw-testamenticus. Uit de evangeliën en de Handelingen der Apostelen is de plaats van Petrus in de oude Kerk zonneklaar. Zij kan niet worden geloochend zonder de H. Schrift geweld aan te doen. Dat zag Cullmann in. Maar moest Petrus opvolgers hebben in zijn functie als herder en hoofd van de zichtbare Kerk? In de H. Schrift staat hiervan niets en dus kunnen zij die het "alleen de Bijbel" beginsel hanteren zeggen dat hiervan niets bekend is.
Maar zo eenvoudig is dit niet. Wij kunnen allereerst zeggen dat het geheel voor de hand ligt dat een instelling die een zichtbaar hoofd heeft (waarop die instelling als op een rots gevestigd is en steunt), die de broeders moet bevestigen in het geloof en als herder allen "weiden", bij zijn heengaan een opvolger krijgt, die zijn functie overneemt. Zonder zichtbaar hoofd valt elke instelling uiteen, ook de Kerk. Welnu, vanaf de oudste tijden wordt de opvolger van Petrus op de bisschopzetel van Rome aanvaard als de eerste bisschop der Kerk. Getuigenissen op te sommen is op deze plaats overbodig, ze zijn bekend. Enkele willen wij echter geven.
De H. Clemens, de derde opvolger van Petrus, kwam rond 96 tussenbeide in moeilijkheden die in de kerkgemeente van Corinthe waren ontstaan; hij deed dit niet als iemand die bevéélt, maar als een bisschop die gezag genoeg heeft om zich met de interne aangelegenheden van een andere kerkgemeenschap te bemoeien. Paus Victor (rond 189-198) kwam in Azië tussenbeide in een strijd om de dag waarop het paasfeest moest worden gevierd; hij dreigde daarin met afbreken van de kerkelijke gemeenschap, d.i. met excommunicatie, indien men niet naar hem wilde luisteren. Andere bisschoppen, o.a. de H. Ireneüs, kwamen toen tussenbeide en hielden Victor van zijn krasse voornemen af. Dit zijn slechts twee, bijzonder bekende voorbeelden. In de hele Kerk werd de voorrang van Rome erkend en is nooit bestreden door hen die in communio met de katholieke Kerk leefden.
In de eerste drie eeuwen leidde de Kerk een volgens het Romeinse recht onwettig bestaan en in die tijd was het ondoenlijk, en ook niet nodig, de hele Kerk van Rome uit, te leiden. Bij de besluiten van de algemene concilies (door de keizer bijeen geroepen) vindt men na de handtekening van de keizer echter allereerst die van de vertegenwoordigers van de bisschop van Rome. Hij was in de Kerk de eerste, onbetwistbaar omdat hij als bisschop van Rome de opvolger van St. Petrus was. Tegenwoordig wordt een paus gekozen door de kardinalen, vroeger kozen de vooraanstaande vertegenwoordigers van de Romeinse clerus hem, waarbij ook aan het volk invloed werd toegekend. In theorie is het nog zo, want de kardinalen zijn titularissen van Romeinse kerken en van de zeven kleine bisdommetjes rond Rome, die oudtijds hebben deelgenomen aan de pauskeuze. Het was redelijk dat de opvolger van Petrus in het bisschopambt ook de eerste bisschop van de Kerk was, een andere mogelijkheid was er in die oude tijd praktisch niet, en Petrus heeft het zeker zelf zo beschikt.

Nog altijd is de opvolger van Petrus te Rome de grondslag en het fundament van de eenheid der Kerk. Het 1ste Vaticaanse Concilie heeft het nog eens uitdrukkelijk betoogd en het tweede heeft zijn uitspraken overgenomen. Zelfs de buiten de Kerk staande Grieken, Russen, enz., die zich "Orthodoxen", d.i. de (enig) rechtzinnigen noemen, kennen aan de bisschop van Rome een voorrang op alle bisschoppen der Kerk toe. Over het feit van deze voorrang kan niet worden getwist, wel wordt getwist over wat deze voorrang inhoudt. Voor de Orthodoxen is dit doorgaans niet meer dan een erevoorrang. Maar als daaraan niet tevens gezag verbonden is, is de Kerk er niet mee gebaat en ook haar eenheid niet.

De eenheid van de Kerk is allereerst een eenheid in geloof. Van groot belang daarvoor is de leer der "onfeilbaarheid" van de paus. Deze houdt in dat de paus, wanneer hij optreedt als hoofd der Kerk, niet kan dwalen wanneer hij een beslissende uitspraak doet in zaken van geloof en zeden en ieder christen verplicht die uitspraak aan te nemen, om niet buiten de Kerk te staan. Ook een algemeen concilie bezit deze onfeilbaarheid in de leer, indien de paus de uitspraken ervan tot de zijne maakt. Buiten dit strikt afgebakende terrein is van geen onfeilbaarheid sprake. Men bewijst paus en Kerk geen dienst wanneer men de leer der onfeilbaarheid verder uitstrekt dan zij op Vaticanum I is geformuleerd. Ook heeft zij in het geheel geen betrekking op het beleid van een paus. En zeker moet men niet denken - zoals wel is gebeurd - dat alles wat een paus doet en denkt altijd het beste is dat onder de gegeven omstandigheden en in de tijd waarin het gebeurt kan geschieden! De geschiedenis der pausen bewijst het tegendeel. Overigens heeft geen paus ooit zo'n voorrecht voor zichzelf opgeëist.
Wij zien dus waarop de eenheid der Kerk berust en wat zij is: zij is allereerst een eenheid in en met Christus. Hiermee samenhangend is zij een eenheid in geloof, want dit laatste berust op de goddelijke openbaring, die door Jesus Christus in haar volheid is gegeven. Wie de eenheid in geloof vernietigt, vernietigt de Kerk. Wij zien het bijzonder in de geschiedenis van de z.g. hervorming van de 16de eeuw. Luther en Calvijn c.s. bestreden het geloof der katholieke Kerk op fundamentele punten: Een breuk in de Christenheid en diepe verdeeldheid zijn er het gevolg van geweest. En doordat het fundament der eenheid: Petrus en zijn opvolgers, werd verworpen, viel het Protestantisme in steeds meer en in steeds sneller en ontstellender tempo in sekten uiteen.

De Kerk één, de christenheid niet

Wij willen hier een opmerking van betekenis maken. Het is de Kerk van Christus als zodanig, die één is en altijd blijft. Niet de Kerk is verdeeld, maar de christenheid. De eenheid is een der kenmerken van de Kerk, er is maar één ware Kerk van Christus en de katholieke Kerk van Rome is altijd ervan overtuigd geweest dat zij dit is. In de christenheid als geheel is de eenheid in geloof ver te zoeken en dat er ook eenheid in bestuur moet zijn wordt zelfs ontkend. Daardoor is er ook geen echte communio meer.
Op Vaticanum II is er in de Constitutie over de Kerk Lumen Gentium op gewezen, dat naast een volkomen communio met de katholieke Kerk er ook nog een onvolkomen gemeenschap, resp. "eenheid" is.
De eenheid der Kerk vereist een eenheid van geloof, van sacramenten, van gemeenschap, leiding en bestuur. Nu worden buiten de Kerk niet àl deze elementen van de hand gewezen. Naast tallozen die niet eens in het bestaan van God, Schepper van hemel en aarde geloven (en daarom in feite ongelovigen zijn en de naam van Christen ten onrechte dragen), zijn er ook Christenen die een deel van het geloof der katholieke Kerk aanvaarden en sommige van haar sacramenten, of zelfs alle (zie Lumen Gentium 14, 15 en ook het Decreet over het Oecumenisme, 3). Men kan dit in allerlei schakeringen vinden. Het dichtst bij de katholieke Kerk staan nog de "Orthodoxen" van het christelijk Oosten: zij belijden het geloof van de eerste algemene kerkvergaderingen en hebben geldig de zeven sacramenten. Wat hen betreft kan men zelfs horen (uit de mond van vertegenwoordigers der katholieke Kerk, niet uit hun eigen mond!) dat zij "bijna met ons één zijn". De patriarch van Constantinopel, Dimitrios, denkt daar heel anders over als hij katholieke theologen er bij herhaling - en terecht - op wijst, dat de afstand nog zeer groot is en de eenheid derhalve ver te zoeken.

Inderdaad: de elementen die niet-katholieken met ons gemeen hebben zijn allereerst onzichtbare. Maar de Kerk is ook een zichtbare gemeenschap waarvan men, zoals van elke vereniging of gemeenschap, geen lid is als men er beslist niet toe wil behoren. Dit laatste is het geval met hen die nu "gescheiden broeders" worden genoemd, maar vroeger heel anders, ketters. Op zijn vriendelijkst sprak men nog van "andersdenkenden". "Onvolmaakt" tot de gemeenschap der katholieke Kerk behoren is een uitdrukking die men dus goed moet verstaan. Het heeft geen betrekking op de zichtbare eenheid der Kerk. Men is nu eenmaal niet lid van een gemeenschap zonder het te willen, en zeker niet als men dit beslist niet wil, de katholieke Kerk zelfs verfoeit. Vóór het laatste algemeen concilie werd in de katholieke Kerk het woord "Kerk" nooit in algemene zin in het meervoud gebruikt. Nu is dat veranderd. Door Vaticanum II worden de afgescheiden kerken van het christelijk Oosten, die nog de zeven sacramenten bezitten en geldig toedienen, "Kerk" genoemd. De andere heten daarentegen "kerkelijke gemeenschappen". Maar omdat men in de omgang en uit hoffelijkheid personen en instellingen zo noemt zoals zij zichzelf noemen, spreekt men nu ook wel van "protestantse Kerken".

Buiten de Kerk geen heil?

Als we belijden dat de Kerk één is ("Ik geloof... in één heilige, katholieke en apostolische Kerk") bedoelen wij zowel dat de Kerk in zich een is en niet verdeeld, als dat er maar één door Christus gestichte Kerk is. Hiermee hangt de oude uitspraak samen (al bij Cyprianus, 3de eeuw): "Buiten de Kerk geen heil".
In het Nieuwe Testament worden degenen die zich bij de gemeenschap der eerste christenen aansloten "geredden" genoemd, vgl. Hand. 2,47: "Elke dag bracht de Heer meer geredden bijeen" (zie ook Hand. 2,40; 15,11; 1 Cor. 15,2; enz.). Het in dit verband in het Nederlands gebruikte woord "heil" betekent "redding" (niet "heelheid", zoals men tegenwoordig graag beweert; vgl. o.a. Jan de Vries, Ned. Etym. Woordenb., 1971, onder "heil"). De martelaar St. Cyprianus schreef in zijn 73ste brief (Aan Jubaianus), 21, dat er "buiten de Kerk geen redding is" (salus extra Ecclesiam non est). Deze uitspraak komt herhaaldelijk in latere kerkelijke uitspraken terug, in ongeveer dezelfde woorden. Zo vroeg Innocentius III in 1208 de bekeerde Waldenzen o.a. te verklaren: "Wij belijden dat er één Kerk is, niet die der ketters, maar van Rome en wij geloven dat daarbuiten niemand gered kan worden" (DS 792).
Het 4de algemeen Concilie van Lateranen verklaarde in 1215: "Er is één algemene Kerk der gelovigen, buiten welke in het geheel niemand gered wordt" (DS 802). Bonifacius VIII verklaarde plechtig in 1302: "Wij belijden een heilige Kerk, buiten welke er geen heil is, noch vergiffenis van zonden" (DS 870). De "Geloofsbelijdenis van Trente" (niet door dat concilie, maar op verzoek daarvan door Pius IV in 1564 opgesteld) besluit met de woorden: "Dit ware katholieke geloof, buiten welk niemand zalig kan worden, geloof, belijd en bezweer ik" (DS 1870). De (lange) tekst heeft lang deel uitgemaakt van die der katholieke geloofsbelijdenis, die volgens can. 1406 van het tot 1983 geldende kerkelijk wetboek door tallozen die in de Kerk een ambt aanvaardden, moest worden afgelegd. Joannes XXIII heeft deze geloofsbelijdenis nog in het publiek afgelegd tijdens de opening van zijn concilie; ieder heeft het op de TV kunnen zien. Uit dit alles volgt dat "buiten de Kerk geen heil" geloofsleer is.

Betekenis van "buiten de Kerk geen heil"

Op het ogenblik hebben veel katholieken de neiging zich voor deze uitspaak te generen, als zij haar zelfs niet ontkennen. Ik herinner mij nog dat ik eens in een vergadering van een klein aantal vooraanstaande katholieke priesters en leken aan deze kerkelijke leer herinnerde. Een der aanwezigen, een goede en vrome katholiek, reageerde spontaan met de uitroep: "Neen, dat is niet waar!". Hij begreep het niet. Het valt niet te ontkennen dat "buiten de Kerk geen heil" ons voor moeilijkheden plaatst, zelfs grote. Want het is óók de vaste leer der Kerk dat niemand buiten zijn schuld verloren gaat en het is niet in te zien dat zo talloos velen door schuld niet tot de katholieke Kerk behoren. Dat God rechtvaardig is, ja de Rechtvaardigheid zelf, is een van de vier hoofdwaarheden die de Kerk ons leert: "God loont het goede en straft het kwade". Dit betekent dat Hij ieder loon naar werken geeft. Dit is duidelijk. Ook menen wij te weten wat in "buiten de Kerk geen heil" de uitdrukking "heil" beduidt. Blijft dus over dat wij ons afvragen wat aan "buiten de Kerk" beantwoordt. Hiermee kan niet het geen lid zijn van de zichtbare Kerk bedoeld zijn, want het is duidelijk dat tallozen daarvan te goeder trouw geen lid zijn. Buiten de zichtbare katholieke Kerk zijn elementen van haar te vinden, zoals het geloof in God en (de) sacramenten, die iemand kunnen helpen op weg naar zijn heil. Rechtens behoren deze "elementen" toe aan de katholieke Kerk, zij heeft ze van Christus ontvangen. Christenen die daardoor zalig worden, verwerven hun heil dus niet "buiten de Kerk".

Wat echter te denken van hen die op geen manier christen zijn, in God geloven of buiten hun schuld Hem niet kennen (resp. niet erkennen)? Is er voor hen op géén manier "heil"? Gaan zij zelfs "verloren", d.w.z. wacht hun een eeuwig ongeluk, eeuwig lijden? Dit laatste zou in strijd zijn met Gods rechtvaardigheid, wanneer het gaat over mensen die hun leven lang onschuldig hebben gedwaald, resp. in onkunde hebben geleefd en daarbij een goed zedelijk leven hebben geleid, zoals hun geweten hun voorschreef. In 1947 was ik eens in de Libanon (toen nog een gelukkig land) in de oude stad Sidon. Ik was alleen en werd rondgeleid door wat toen voor mij een oude man was (ik was 38); hij deed dit ongevraagd. Wij spraken enkele woorden met elkaar en hij was zo vriendelijk voor me, dat ik op zeker ogenblik vroeg of hij christen was! Maar hij maakte een afwerend gebaar en terwijl er een gelukkige gláns over zijn gezicht trok, zei hij: "Allah zij geprezen, ik benmoslim!" De overtuiging van de eenvoudige man maakte diepe indruk op me en ik zei bij mezelf dat als zo iemand (en er zijn tallozen zoals hij), ook nog volgens zijn geweten goed leeft, hij toch niet na zijn leven eeuwig zal moeten lijden! Men heeft de moeilijkheid wel opgelost door te veronderstellen dat God mensen in het laatste ogenblik van hun sterfelijkheid bestaan, als anderen niet meer kunnen waarnemen wat in hen omgaat, in de gelegenheid stelt in een ogenblik te besluiten of ze de volle openbaring van God willen aanvaarden of niet en daarmee al of niet wensen tot de Kerk te behoren. Maar dit is een theorie, waarvan wij uit de openbaring niets weten en die ieder kan aannemen of verwerpen, naar het hem goeddunkt. Zeker, God heeft buitengewone middelen om een mens zalig te maken, die aan ons niet bekend behoeven te zijn en de stelling "buiten de Kerk geen heil" sluit deze niet uitdrukkelijk uit, omdat zij geen grens kan willen stellen aan Gods almacht. Maar welke die middelen zijn, is ons onbekend.

"Natuurlijk" eeuwig geluk?

In de 19de eeuw is door verschillende theologen de opvatting naar voren gebracht dat de niet-christenen, die heel hun leven hebben gedaan wat naar hun overtuiging goed was, en op onschuldige wijze het geloof in Christus, de Zaligmaker, niet hebben aanvaard (of zelfs niet hebben kunnen aanvaarden, omdat zij er nooit van hebben gehoord) na hun dood weliswaar niet tot de hemelse zaligheid en de aanschouwing van God worden toegelaten, maar voor altijd in het hiernamaals een natuurlijk eeuwig geluk zullen genieten. In onze eeuw heeft de beroemde kardinaal Louis Billot S.J., onder Pius X een der grote bestrijders van het modernisme (1846-1931), deze opvatting voor een deel overgenomen. Hij wees erop dat talloze heidenen, vooral de "primitieve" of half primitieve onder hen, het in hun ontwikkeling niet verder brengen dan onmondige kinderen. Als deze laatste niet gedoopt zijn, zullen zij na hun leven een natuurlijk geluk genieten, maar van de gelukzalige aanschouwing van God blijven zij uitgesloten. Hetzelfde moet men volgens Billot van de genoemde heidenen zeggen. Men moet hierbij bedenken dat de bovennatuurlijke aanschouwing van God (1 Joan. 3,2), waarin voor hem die gedoopt zijn en geloofd hebben (Mc.16, 16) het eigenlijke heil bestaat, God aan niemand verplicht is te geven. Zo schenkt Hij het, naar de algemene opvatting, niet aan ongedoopte kinderen, die zijn gestorven voor zij tot de jaren des verstands zijn gekomen.
In onze tijd zijn sommigen in de Kerk nog "ruimer" gaan denken. In de Franse Encyclopedie Catholicisme, hier; aujourd'hui, demain (begonnen in 1948, nog niet voltooid, uitgegeven door Letouzey et Allé, Parijs; men is bezig met het 13de deel, letter V) staat een artikel over het heil der ongelovigen dat maar twee kolommen groot is (dit in de Dictionnaire de Théologie Catholique omvat 205 kolommen!) Daarin wordt door B.D. Dupuy O.P. beweerd dat te goeder trouwe atheïsten en aanhangers van een der grote godsdiensten (waarom niet der kleine?) lid kunnen zijn van het Mystiek Lichaam of er minstens tot hun heil in betrekking mee kunnen staan! Hiervoor haalt de schrijver zelfs de encycliek Mystici Corporis (105) aan (zonderde plaats in de encycliek te vermelden), waarin van de mogelijkheid wordt gesproken dat sommigen die buiten de Kerk staan "onbewust door een zeker verlangen en wensen, op het Mystiek Lichaam van de Verlosser kunnen gericht zijn" (ordinentur). Maar er staat in het geheel niet dat ze er al op een of andere manier lid van zijn. Wij kunnen alleen zeggen dat mensen die in zo'n gesteltenis leven, door God niet in de steek zullen worden gelaten en grotere genaden van Hem zullen ontvangen.

Pater Dupuy beroept zich o.a. op Y. Congar en Karl Rahner. De laatste heeft de heilloze theorie, die in de Kerk zoveel kwaad heeft gedaan, van de heidenen als z.g. "anonieme christenen" in omloop gebracht. De brave heiden zegt hij, is al een christen, ook al weet hij het niet (en al wil hij het niet weten noch zijn). Dit is een fatale dwaling, die vooral aan de missie ontstellend veel kwaad heeft gedaan. Urs von Balthasar heeft opgemerkt dat men op die manier de christen een anonieme heiden kan noemen! (In veel gevallen is hij het niet eens "anoniem", maar duidelijk en in het openbaar, waardoor hij natuurlijk opgehouden heeft christen te zijn).
In de latere delen van Catholicisme is de modernistische invloed helaas duidelijk te bespeuren. Alleen die het doopsel hebben ontvangen en geloven, d.i. Gods openbaring aanvaarden, zijn lid van Christus' Mystiek Lichaam, d.i. de Kerk. Anderen kunnen het hoogstens tot een natuurlijk geluk in het hiernamaals brengen, zoals wordt aangenomen voor de onmondige kinderen die zonder doopsel sterven en allen die met hen op een lijn zijn te stellen.

De theologen, en zij niet alleen, wijzen er verder op dat de menselijke natuur zowel tot het kwade als tot het goede is geneigd. Beide hebben voor de mens hun aantrekkelijkheid. De boze begeerlijkheid is zelden geheel afwezig, maar daarnaast verlangen de meeste mensen ook te doen wat goed is. St. Paulus spreekt van de verlangens en de werken van "het vlees". Tot deze "werken" rekent St. Paulus: ontucht, onzedelijkheid, losbandigheid, afgoderij, tovenarij, vijandschap, twist, afgunst, woede..." enz. (Gal.5,19). Hij stelt de "vleselijke begeerte niet gelijk met de seksuele, zoals nu velen doen, maar noemt die wel het eerst, omdat zij zo vaak de sterkste is. Wij moeten de slechte begeerten in ons bestrijden met de hulp der genade van God, die ons hiervoor heel bijzonder de sacramenten der Kerk heeft gegeven. De niet-christenen en vele christenen ontberen de laatste, zodat het voor hen veel moeilijker is om een goed zedelijk leven te leiden dan voor wie tot de Kerk behoren.
Keren wij nog eens terug tot de uitspraak: Buiten de Kerk geen heil. Onder "heil" moet het eeuwige leven worden verstaan, dat Jesus ons is komen brengen; om ons dit mogelijk te maken is Hij aan het kruis gestorven. Hij heeft zijn Kerk gesticht om ons naar het eeuwige leven te leiden. Ieder die dit wil verwerven moet geloven dat Christus daarvoor is gestorven.
Dit geloof kan ook, impliciet zijn, d.w.z. dat men in God gelooft en bereid is alles aan te nemen wat Hij bekend heeft gemaakt, en alles te doen wat Hij verlangt. Zo iemand krijgt van God de genaden die God wil dat normaal door de bemiddeling van de Kerk aan de mensen toekomen. "Buiten de Kerk geen heil" moet men op die manier verstaan, zoals in overeenstemming is met Gods rechtvaardigheid die niemand buiten zijn schuld verloren laat gaan.

Kerkelijke uitspraken

De Kerk heeft over deze zaak verschillende malen gesproken. Pius IX heeft in 1863 in een brief aan de bisschoppen van Italië eerst het indifferentisme, waartegen hij steeds gestreden heeft, veroordeeld. Het is een "allerergste dwaling" zegt hij dan, te leren dat zij die in dwaling leven en buiten het ware geloof en de katholieke eenheid staan, zonder meer (dit staat er niet, maar hij bedoelde het, zoals uit het volgende blijkt) tot het eeuwige leven kunnen komen. Dan volgt:
"Het is u bovendien bekend, dat zij die op onoverwinnelijke wijze dwalen met betrekking tot onze allerheiligste godsdienst en die de natuurwet en haar geboden, die door God in de harten van allen zijn gegrift, oprecht onderhouden en klaar staan om God te gehoorzamen, en een eervol en goed leven leiden, door de kracht van het goddelijk licht en de goddelijke genade het eeuwig leven kunnen verwerven. Immers, God, die de gedachten, verlangens, overwegingen en gewoonten van allen volkomen doorziet, laat in zijn allergrootste goedheid en goedertierenheid niet toe, dat wie dan ook eeuwig wordt gestraft, die geen vrijwillige schuld heeft" (DS 2865, 2866).
Hoe de laatsten tot het eeuwig heil zullen komen, zegt de Paus niet; het is voor hem een geheim, zoals het dit voor ons allen is.
Omdat in onze eeuw enkelen in de USA de mening verkondigden dat alle niet-katholieken, met uitzondering van de catechumenen die te kennen hebben gegeven lid van de (zichtbare) Kerk te willen worden, van het eeuwig heil zijn uitgesloten, heeft de toenmalige Congregatie van het H. Officie (waarvan in die tijd de paus het directe hoofd was) op 8.8.1949 een brief gericht aan de aartsbisschop van Boston (DS 3866-3873), om deze onjuiste leer recht te zetten. Na "de onfeilbare uitspraak" te hebben herhaald, dat er buiten de Kerk geen heil is, wijst de congregatie erop dat dit moet worden verstaan in de zin waarin de Kerk dit doet en niet in een zin die men zelf verkiest eraan te hechten. Christus heeft de Kerk gesticht, maar zij is een middel en niet door haar eigen aard noodzakelijk. Daarom heeft God gewild dat in sommige omstandigheden het verlangen en de wens om Gods wil te volbrengen voldoende zijn om te worden gered. Zo is het toch ook gesteld, volgens de leer van Trente, met het "doopsel van begeerte".
Maar deze wens, dit verlangen, behoeft niet uitdrukkelijk te zijn, zij kan opgesloten liggen in de goede gesteltenis van de mens, die in alles verlangt Gods wil te doen. De genade van God doet immers dit verlangen in zijn hart ontstaan.

Ook Vaticanum II heeft zich met de vraag van het heil buiten de Kerk bezig gehouden. Wij lezen in Gaudium et Spes onder meer het volgende:
"Wie buiten hun schuld het Evangelie van Christus en zijn Kerk niet kennen, maar God met een oprecht hart zoeken en zijn wil, hun bekend door wat het geweten hun voorhoudt, door daden, onder invloed van de genade, trachten te vervullen, kunnen het eeuwig heil verwerven. De goddelijke Voorzienigheid weigert de hulp die voor het heil nodig is niet aan hen die buiten hun schuld nog niet gekomen zijn tot de uitdrukkelijke erkenning van God en die niet zonder de goddelijke genade een goed leven trachten te leiden" (nr. 16).

In deze woorden herhaalt het concilie wat de Kerk eerder had geleerd, zoals boven is getoond. De uitspraak van Vaticanum II gaat niet verder want er wordt niet gezegd hoe mensen, die in de bovengenoemde gesteltenis leven, het heil zullen verwerven en welke concreet de hulp is die zij volgens de concilietekst zullen ontvangen. In elk geval is er Godsgenade voor nodig, zoals de tekst zegt. De uitspraak van het concilie berust op de altijd erkende en nooit door de Kerk ontkende waarheid, dat niemand buiten zijns schuld verloren gaat, omdat God door zijn genade ervoor zorgt dat dit niet gebeurt.

Heil door lidmaatschap van andere kerkgemeenschappen en godsdiensten?

Ten slotte willen wij de vraag beantwoorden of het juist is (wal men tegenwoordig vaak kan horen) dat men door het lidmaatschap van een niet-katholieke kerkgemeenschap, of zelfs door het aanhangen van een niet-christelijke godsdienst, het eeuwig heil kan verwerven. Hierop kan alleen maar met een krachtig "neen" worden geantwoord, omdat anders het dogma "buiten de Kerk geen heil" geen enkele zin meer heeft.

Een christen die tot de niet met Rome verenigde "Orthodoxe Kerk" (zoals zij zichzelf noemt) behoort, ontvangt Gods genade ook door de geldige sacramenten die deze Kerk toedient. Hij krijgt die dus via de "Orthodoxe Kerk": niet in zover deze van de katholieke is gescheiden en een eigen bestaan leidt, maar in zover zij de sacramenten toedient, die Christus aan de katholieke Kerk heeft toevertrouwd.
Wat voor de van ons gescheiden christenen van Oosterse riten opgaat, geldt tot op zekere hoogte ook voor de leden van andere niet (rooms-) katholieke kerkgenootschappen. Voor hen is het echter moeilijker zalig te worden, omdat zij de door Christus ingestelde genademiddelen der Kerk missen.
Veel protestanten hebben nog een geldig doopsel, en dat is heel wat, maar zo goed als nooit een geldige Eucharistie. Andere sacramenten erkennen zij niet.
Wat de niet-christelijke godsdiensten betreft, is het duidelijk dat deze nooit als zodanig middelen van heil kunnen zijn. Zeker, de Kerk houdt ons voor, in het voetspoor der oude Kerkvaders, dat in het heidendom soms vestigia "sporen" der openbaring (natuurlijke en bovennatuurlijke) worden aangetroffen. Lang niet alles is verkeerd wat men in de islam en de heidense godsdiensten vindt. St. Paulus wees erop op de Areopaag bij Athene (Hand. 7,28), toen hij voor de ongelovigen Areopagieten heidense dichters als getuigen voor de waarheid aanhaalde. Maar in hun gehéél zijn deze godsdiensten fout: de islam, doordat hij de leer van verlossing, menswording en Heilige Drieëenheid afwijst; het hindoeïsme en boedhisme door een geheel van valse leerstellingen, die met de christelijke openbaring direct in strijd zijn. Ook kennen deze godsdiensten de verlossing door Christus niet, maar leren dat de mens zich uit eigen kracht moet "verlossen", van welke "verlossing" het verloren gaan van het eigen persoonlijk bestaan de voorwaarde is. Een uitermate niet-christelijke1eer. Daarom is de mening van Rahner, dat de heidenen al "anonieme christenen" zijn, fataal; zij is ook volkomen uit de lucht gegrepen. Een der gevolgen ervan is geweest, dat men de missionarissen tot voornaamste taak heeft willen geven "ontwikkelingswerkers" te zijn. Door hun werk en voorbeeld moeten zij van moslims betere moslims maken, van de hindoes betere hindoes, enz. Wil iemand uit eigen beweging dan nog christen worden, dan mag hij het doen, maar de missionaris moet niet proberen hem er toe te brengen, hoe dan ook. Het eerste der Tien Geboden luidt: "Gij zult geen vreemde goden voor mijn ogen hebben". Men mag hun verering en aanbidding dus onder geen beding aanbevelen en moet haar, waar dit mogelijk is, bestrijden. Door de dienst van valse goden, d.i. goden die niet bestaan, wordt niemand zalig, gaat hij eerder verloren. De H.Schrift leert dit met de grootste nadruk en de Kerk niet minder. Door de onwaarheid komt niemand tot de waarheid, wel misschien door het greintje waarheid dat deze mogelijk, maar niet noodzakelijk, bevat. Met de Kerk van alle eeuwen belijden wij: Ik geloof in een, heilige, katholieke en apostolische Kerk. In en door deze Kerk, die de katholieke is, hopen wij eeuwig zalig te worden, niet daarbuiten.

Nawoord

Na de bovenstaande beschouwingen willen wij nog een woord laten volgen om op te wekken tot liefde voor de Kerk. Wij spreken immers niet alleen van de "ene, heilige en apostolische" Kerk en zijn God dankbaar dat wij er toe mogen behoren, maar wij noemen haar ook "onze Moeder de heilige Kerk". Wij horen dit woord tegenwoordig opvallend weinig, maar het blijft waar. Door het doopsel zijn wij immers lid van haar geworden en dit stelt ons in staat haar andere sacramenten te ontvangen, tot dat van het Lichaam en Bloed van Christus toe. Door het doopsel worden wij opnieuw geboren, "uit water en geest", zoals het Evangelie zegt (Joan 3,5). Door deze nieuwe geboorte is de Kerk onze Moeder. In de liturgie der oude Syrische Kerk wordt ook het doopsel onze "moeder" genoemd, wat begrijpelijk is als men bedenkt dat men oudtijds meestal door onderdompeling werd gedoopt. De dopeling stond bovennatuurlijk herboren uit het doopbekken op, als kwam hij uit de schoot ervan. En het doopsel is, zoals alle sacramenten, aan de Kerk toevertrouwd en daarom is zij vooral door dit sacrament onze Moeder.

In zijn Brief aan de Hebreeën vergelijkt de Apostel het eerste geloofsonderricht met het geven van melk en nog geen vaste spijs (Hebr. 5,12). Maar van wie ontvangen wij die anders dan van de Kerk? Ook hierin vervult zij haar moederlijke taak. Zoals een moeder haar kindje leert lopen en praten en nog veel dingen meer, zo geeft ons de Kerk het eerste geloofsonderricht. Wanneer wij daar geestelijk de jaren toe hebben ontvangen wij van haar ook de andere sacramenten; heel bijzonder met het meeste verhevene van alle: de heilige Communie. Zoals een moeder bidt voor haar kinderen, doet de Kerk het voor ons, het allermeest bij monde van de priester, als hij voor ons aan het altaar staat en daar voor ons het Offer opdraagt, waarbij hij tevens voor ons ten beste spreekt.

Volgens een aloude uitdrukking is de Kerk onze Mater et Magistra, onze Moeder en Leermeesteres, en nog Joannes XXIII begon met deze woorden een van zijn encyclieken. Zoals wij van een moeder houden, doen wij het ook van "onze Moeder de heilige Kerk", wij hebben haar lief. Dit is niet zo maar een frase, maar moet diep in ons innerlijk verankerd zijn. Er zijn ontaarde moeders en ontaarde kinderen, maar die gedragen zich onnatuurlijk en vallen daardoor op. Wanneer het geloof dat wij van de Kerk bij het doopsel hebben ontvangen (denk aan de oude, tot de dopeling gerichte woorden: "Wat vraagt gij van de Kerk?" Antwoord: "Het geloof") diep in ons hart is gaan leven, zodat het vlees en bloed van ons is geworden, dan zijn wij door de doopgenade, "een nieuw schepsel" geworden, zoals St. Paulus in verschillende van zijn brieven heeft gezegd (2 Cor. 5,17; Ga1. 6,15; Ef. 2,14; 4,24; Col. 3,10). Zo is het woord "Moeder", van de Kerk gezegd, vol diepe betekenis. Het leven dat wij in het doopsel hebben ontvangen is geen natuurlijk leven maar een leven van de geest, van de Heilige Geest, het is een zaad dat in ons is gelegd en waaruit het eeuwig leven, het ware leven (want het zal niet sterven) zal opbloeien en waardoor wij voor altijd gelukkig zullen zijn. Elke mens wil gelukkig zijn, d.w.z. zijn diepste wensen vervuld zien. Op deze aarde is dit nooit het geval, het zal er dan pas zijn wanneer wij God "van aangezicht tot Aangezicht" aanschouwen "zoals Hij is" (I Joan 3,2). In de Kerk worden wij geboren om daaraan deel te hebben, zij helpt er ons toe op ons levenspad, en daarom hebben wij haar lief.

Wij zijn de Kerk ook dankbaar d.w.z. wij erkennen dat wij van haar zulk een groot goed hebben ontvangen. Daarvoor prijzen wij haar en willen haar weldoen. Er zijn mensen die in hun leven óók de Kerk dienen en er zijn er die daarbij veel voor haar over hebben. Maar er zijn er ook die hun hele leven in dienst van de Kerk stellen en al het andere daaraan ondergeschikt maken. Een heilige martelaar en bisschop als St. Cyprianus (+ 258) wilde nadat hij in 248/9 bisschop van Carthago was geworden, alléén maar bisschop zijn van de Kerk, vader en dienaar van de hem toevertrouwde gelovigen. Als een goede herder heeft hij niet alleen voor Christus maar ook voor hen zijn leven gegeven in het martelaarschap. Een protestantse hoogleraar heeft hierop bij het 17de eeuwfeest van zijn dood gewezen in een indrukwekkende rede, die hij in de Koninklijke Academie te Amsterdam hield. Hij was vrijwel de enige die in Nederland de H. Cyprianus plechtig in het publiek herdacht. Hij legde er daarbij de nadruk op dat hij DE bisschop wilde zijn, alleen maar dat. Hij wilde het begrip "bisschop" in zichzelf verwerkelijken.
Iets soortgelijks kan men van de grote en heilige paus Pius XII zeggen. Hij wilde "alleen maar" paus zijn, DE herder van zijn Kerk en plaatsbekleder van Christus op aarde, niet de mens Eugenio Pacelli. Dat laatste was hij alleen privé en daarmee had de buitenwereld niets te maken. Hij cijferde zichzelf weg voor zijn hoge ambt. Als er sinds Pius V een heilige paus is geweest, dan was hij het allermeest, "dienaar der dienaren Gods", in de volle betekenis van dat woord.
Zo moeten ook de bisschoppen, priesters en diakens zijn. Zij hebben een herderlijke taak ontvangen om de Kerk te leiden, maar daarmee ook een om haar te dienen. Om dit goed te doen moeten zij hun persoon voor die taak inzetten. Daarom vraagt de Kerk van Oost en West van haar bisschoppen het celibaat te beoefenen, en in het Westen vraagt zij dit eveneens van haar priesters. Maar ook de gelovigen moeten uit dankbaarheid voor alles wat zij van de Kerk ontvangen hebben en voor zover het in hun vermogen ligt en bij hun levensstaat past, zich geheel voor de Kerk inzetten, om ertoe bij te dragen zoveel mogelijk leden der Kerk tot hun einddoel te brengen.
Dit zijn hooggestemde woorden, maar zij zijn niet te hoog gegrepen, want ze zijn wáár. Zij verwoorden een ideaal waarnaar ieder van ons op zijn wijze moet streven. Opzettelijke middelmatigheid ("het is wel genoeg wat ik doe") is uit den boze. Ze houdt een keuze in, niet van de smalle weg, maar van een brede, die in de richting van het verderf leidt. In een tijd als de onze heeft de Kerk meer dan ooit mannen en vrouwen nodig die zich voor haar inzetten, die aan anderen een voorbeeld geven. Zij moeten niet alleen woorden laten horen die wekken, maar voorbeelden tonen die trekken. Daarom is het bijzonder nodig dat zij de deugd van volgzaamheid aan het authentiek gezag der Kerk tonen, dat ons de leer van God en van Christus voorhoudt. Een der redenen waarom het de Kerk in onze tijd in zoveel streken zo slecht gaat, is dat men niet naar haar luistert, zelfs niet wanneer zij aan de Tien Geboden herinnert en deze inscherpt. Ik denk hier niet alleen aan de geboden "Gij zult niet doden" en "Gij zult geen onkuisheid plegen" maar ook aan "Ik ben de Heer Uw God, Gij zult geen vreemde goden voor mijn ogen hebben". Welke die afgoden in onze maatschappij zijn, behoeft hier niet te worden uiteengezet, wij herinneren slechts aan geld, macht, seks, genot, profiteren en nog zoveel andere dingen. Wie deze goden nalopen hebben van God niets te verwachten. Tot zijn leerlingen heeft Jezus gezegd: Wie u hoort, hoort Mij en wie u versmaadt, versmaadt Mij. Maar wie Mij versmaadt, versmaadt Hem die Mij gezonden heeft" (Luc 10,16). Dit woord heeft Jezus gesproken tot zijn zeventig leerlingen, de eerste verkondigers van het geloof. Het gaat nog steeds op ten aanzien van hen die in de Kerk leren wat God ons heeft geopenbaard en wat Hij ons heeft voorgehouden zowel te geloven als te doen.