www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / Aangesteld door de H. Geest, om Gods Kerk te hoeden

Aangesteld door de H. Geest, om Gods Kerk te hoeden

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Preek in de Parochiekerk van de H. Jozef, "Den Heuvel", Tilburg, 31 januari 1971

"Geeft acht op uzelf en op heel de kudde waarover de Heilige Geest u tot leiders heeft aangesteld, om Gods Kerk te hoeden, die Hij zich verworven heeft door het Bloed van Zijn eigen Zoon." (Hand. 20, 28)

Deze woorden, beminde Christenen, sprak de Apostel Paulus in het jaar 58 te Milte in Klein-Azi, tot de geestelijke leiders van het niet ver gelegen Efese, die hij bij zich had laten roepen om hun zijn laatste vermaningen mee te geven, toen hij op zijn laatste reis was naar Jeruzalem. De katholieke Kerk herinnert aan deze woorden heel in het bijzonder hen, die zij heeft geroepen tot het ambt van bisschop, om de Kerk van God in een bisdom te besturen. Naar aanleiding hiervan wil ik U in het kort trachten uiteen te zetten, zover de tijd het vergunt, wat een bisschop is, of moet zijn, wat zijn plaats is in de Kerk van God en in zijn bisdom.

De Kerk, door Christus gesticht

Wat de Kerk is, leert het geloof. Men noemt haar het "Volk Gods", want zij is de opvolgster van het vroegere Volk Gods, Isral, en de erfgename der aan dat uitverkoren volk door God gedane toekomstbeloften. Zij bestaat uit allen, die het onderscheidend kenteken van het doopsel hebben ontvangen en samen n zijn zoals Christus het heeft gewild, in geloof, hoop en liefde, in het bedienen en ontvangen der Sacramenten, waarbij zij geheel de leiding aanvaarden van de Paus van Rome, opvolger van Petrus, van wie zij in geloof aanvaarden dat hij op aarde de plaatsbekleder van Christus is, het Hoofd der Kerk, haar Bisschop en Opperpriester.

De Kerk is ook het Mystiek Lichaam, waarvan Christus het Hoofd is en wij de ledematen zijn. Daarmee wordt de bovennatuurlijke aard der Kerk aangeduid, die God zich heeft verworven door het Bloed van Zijn Zoon. Deze is het onzichtbaar Hoofd, waarvan een stroom van heiligende genade uitgaat, waardoor wij verlost worden van de zonde en tegelijk geheiligd, zodat wij een geheel nieuw leven bezitten: het eeuwige leven, in intieme gemeenschap met God en Zijn heiligen (Jo. 6, 40 vv.).

De Kerk is door Christus gesticht en wel door Hem zelf en onmiddellijk. Hij noemde Simon de steenrots, op wie Hij Zijn Kerk wilde bouwen en gaf hem de naam Kefas, dat wil zeggen: Petrus, Rots (Mt. 16, 18). En St. Paulus schreef aan de Efesirs, dat Christus "de Kerk heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen, haar reinigend door het waterbad met het woord, om zichzelf de Kerk toe te voeren als een heerlijke bruid, zonder vlek of rimpel of fout, opdat zij heilig zij en onbesmet" (Ef. 5, 25-27).

tegen hen die deze duidelijke geloofswaarheid ontkennen, heeft ede Eerste Vaticaanse Kerkvergadering een eeuw geleden het volgende plechtig verklaard:
"De eeuwige Herder en Leidsman onzer zielen (d.i. Christus, vgl. I Petr. 2, 25) heeft besloten de Heilige Kerk te stichten, om het heil brengend werk der Verlossing te bestendigen. In die Kerk worden alle gelovigen bijeen gehouden door de band van n geloof en n liefde, als in het huis van de levende God" (Dogmatische Constitutie over de Kerk: Denzinger 1821=3050). En het Concilie voegde er meteen aan toe:
"Daarom heeft Hij (d.i. Christus), vr Hij verheerlijkt werd, tot de Vader niet alleen voor de apostelen gebeden, maar ook voor allen, die door hun woord in Hem zouden geloven, opdat allen n zouden zijn, zoals de Vader en de Zoon n zijn (Jo. 17, 20-21). Zoals Hij zelf door de Vader was gezonden, zond Hij Zijn apostelen uit, die Hij zich uit de wereld had uitverkoren (Jo. 20, 21) ; z wilde Hij ook, dat Zijn Kerk herders en leraars zou hebben tot aan de voleinding der tijden" (Mt. 28, 20). Op die manier hebben de apostelen opvolgers: de bisschoppen, die ieder hun eigen diocees besturen (voor zover zij tenminste niet "titulair" zijn, wat een uitzonderingsgeval moet heten). In de alleroudste tijd noemde men "diocesen" wel "kerken". St. Paulus doet het herhaaldelijk en St. Johannes schrijft in zijn Openbaring op last van de Heer brieven an de "kerken" van Efese, Smyrna, Pergamon, Thyatira, Sardes, Philadelphia en Laodicea (Op. 2-3). Veel later werden wel hele kerkprovincies met de naam "kerk" aangeduid en sinds het laatste Vaticaans Concilie spreekt de Kerk zelfs officieel van de "Kerken van het Oosten". Maar aan dit alles gaat vooraf de waarheid van het geloof; "Ik geloof in n heilige, katholieke en apostolische Kerk". In haar volmaakte werkelijkheid is zij n in geloof en leiding. Zij is heilig, d.w.z. zij behoort in wezen niet tot deze profane wereld hoezeer zij daarin ook verblijft: zij is Christus' heilig Mystiek Lichaam, zij bezit middelen tot heiligheid en zij leidt tot heiligheid. Zij is katholiek, d.w.z.: algemeen, over heel de wereld verbreid en niet gebonden aan een bepaalde landstreek, volk of staat. Zij is apostolisch, wat o.a. zeggen wil dat zij bestuurd wordt door de apostelen en hun opvolgers, in ongebroken opvolging, daarbij de leer verkondigend die de apostelen van de Heer hebben ontvangen.
Deze Kerk is door Christus persoonlijk gesticht toen Hij ons vrijkocht door Zijn Bloed, verrees uit de doden en Zijn Geest zond over de apostelen. Hij grondvestte haar op Petrus en zijn opvolgers, die niet alleen maar "voorzitters in een liefdebond" zijn, zoals een aloude aanduiding van de Kerk van de stad Rome luidt, (die beginsel en zichtbaar fundament is van haar eenheid, zowel die van het geloof, als van de kerkelijke gemeenschap. (Vat. I, Denz. 1821 = 3051)

Toen deze Kerk er eenmaal was, zijn er "diocesen" in ontstaan. Wat een diocees is, leert ons het Decreet over het Bisschopsambt van het laatste Vaticaans Concilie (Christus Dominus, no. 11):
"Een diocees is een deel van het Volk Gods, dat toevertrouwd is aan de bisschop die het, bijgestaan door de priesters, moet leiden. Zo vormt het diocees, nauw verbonden met zijn herder en dr hem, in de Heilige Geest door het Evangelie en de Eucharistie, in n gemeenschap verbonden, een bijzondere Kerk, waarin de Ene, Heilige Katholieke en Apostolische Kerk van Christus werkelijk aanwezig en werkzaam is."
Een diocees is dus geen zelfstandige kerk, ook niet de katholieke Kerk in het klein, maar in het diocees is de ne Kerk van Christus aanwezig. In het diocees doet en werkt deze Kerk wat zij in de hele wereld doet en werkt: zij zet er het verlossingswerk van Christus voort, door het geloof van de ne Kerk te prediken en haar Sacramenten toe te dienen, door met haar en als deel van haar, aan God de eer te brengen, die Hem toekomt.

Men spreekt in ons land tegenwoordig graag van de "lokale kerk" (waaronder dan liefst die van een land, zoals Nederland, wordt verstaan) en de "wereldkerk". Deze uitdrukkingen bevatten in zich niets onjuists, maar zijn toch niet de door het laatste Concilie gebruikte. In zijn Dogmatische Constitutie over de Kerk lezen wij: "Deze Kerk van Christus is werkelijk aanwezig in alle wettige, plaatselijke ("lokale") gemeenschappen van gelovigen, die, nauw verbonden met hun herders, in het Nieuwe Testament kerken worden genoemd" (Lumen Gentium no. 26). Van "lokale kerken" wordt niet gesproken, zeker niet in de zin van landelijke kerken. Drom is dit nieuwe woordgebruik natuurlijk niet verkeerd of af te wijzen. Maar wl is de gedachte af te wijzen, en wel met alle kracht, dat die "wereldkerk" in feite niets anders zou zijn dan een vereniging van "lokale" kerken, of dat zij uit die lokale kerken zou zijn gegroeid doordat zij zich aaneensloten, al zou dit laatste dan heel vroeg zijn gebeurd. In dat geval zou de plaatselijke kerk er eerder zijn geweest dan de algemene, en dus ook de eerste rechten hebben (dit vindt men tegenwoordig in allerlei publicaties). De algemene Kerk kan dan gemakkelijk als een kerkenbond worden verstaan en de Paus van Rome als niet mr dan haar voorzitter, die kan ordenen, regelen, tussenbeide komen, maar die haar niet in de volheid van zijn primaatschap bestuurt. zo kan men er toe komen, aan de z.g. lokale of landelijke kerk een verregaande mate van onafhankelijkheid toe te kennen, in het schismatieke Oosten zelfs een volledige. Wie het eerste is, heeft immers de eerste rechten; hij kan van sommige afstand doen wanneer hij zich bij een vereniging aansluit, maar in principe blijft hij ze behouden. Het kan geen goed katholiek ontgaan hoe gevaarlijk deze opvatting voor de Kerk van Christus is: zij bedreigt haar eenheid, die zij in de diepste grond ontkent omdat zij de aard ervan miskent. Daarom is het veilig, zich te houden aan het woordgebruik van het laatste Vaticaans concilie en te spreken van "algemene Kerk" en "bijzondere Kerk", onder welke laatste men dan, als men wil, het bisdom kan verstaan. Wat algemeen is, is altijd eerder dan het bijzondere, maar dit is niet noodzkelijk het geval wanneer men spreekt van "de wereldkerk" ten opzichte van de "lokale kerk".

De bisschop: priester, leraar, herder.

Wij hebben nu een weinig gehoord wat in de Kerk een bisdom (= diocees) is. Het Decreet over de Bisschoppen en de constitutie over de Kerk, van het laatste Vaticaans Concilie, maken het ons duidelijk en zeggen er nog veel meer van. Laat mij nu het een en ander zeggen over de bisschop.

De bisschop heeft door zijn sacramentele wijding deel aan het hogepriesterschap van Christus. Hetzelfde geldt voor alle door hem gewijde priesters, maar in mindere mate. Daarom i de bisschop in zijn diocees de eerste preister, die daar voorgaat bij de viering der H. Eucharistie. Dit "voorgaan" is niet hetzelfde als het "voorzitten" van een vergadering door een daartoe aangewezen persoon, die zelfs door de vergadering kan zijn gekozen. Het is een voorgaan in Naam van Christus, het is Christus vertegenwoordigen, door de priesterlijke macht die hij door zijn wijding van Hem, de opperste Hogepriester, heeft ontvangen. Daarom verandert de bisschop - en elke priester doet hetzelfde - brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus en stelt hij zo op het altaar het Offer van Christus op Calvari op onbloedige wijze tegenwoordig. Door de volheid van zijn wijdingsmacht kan hij priesters, diakens en geestelijken van lagere rang wijden en aanstellen, de zonden vergeven en door zijn priesters alten vergeven, het vormsel toedienen of zelfs laten toedienen, dopen en laten dopen. Dit alles natuurlijk als werktuig in Christus' hand, want uit zichzelf kan dit geen mens. Hij is priester van Christus, heeft deel aan Zijn hogepriesterschap en is in zijn diocees de opperpriester, de eerste en hoogste van alle. In het vroeger zo veel gelezen werk van St. Joannes Chrysostomus "Over het Priesterschap" is "de priester" gn ander dan de bisschop; het wordt er niet eens bij gezegd.
Een priester is steeds middelaar tussen God en de mensen. Daarom is het, dat zoals hij allereerst God bij de mensen vertegenwoordigt, hij ook namens de gelovigen tot God spreekt. De eerste betekenis van het woord "eucharistie" is: dankzegging, lofprijzing. Aan het altaar zegt de priester, de bisschop, God dank voor Zijn weldaden, vooral die van Schepping en Verlossing. Maar ook vraagt hij voor de zijnen, ja, voor de hele Kerk waar ook ter wereld, God om barmhartigheid: Heer, wees ons zondaars, Uw dienaars, genadig; Onze Vader, die in de hemel zijt en al wat daarop volgt.

De bisschop is ook de leraar van het geloof. Wanneer een kind wordt gedoopt, is het eerste wat de priester vraag: "Wat verlangt ge van de Kerk?" En het antwoord luidt: "Het geloof." - Tweede vraag: "Wat geeft U het geloof?" Antwoord: "Het eeuwig leven." - De priester: "Wilt ge het eeuwig leven bezitten, onderhoud de geboden."
In de oude tijd was de bisschop d gewone bedienaar van het doopsel. Als de hoogste vertegenwoordiger en dienaar der Kerk in zijn diocees nam hij de dopelingen in de Kerk op, niet in die van het diocees, maar in de hele Kerk van Christus, de ne, heilige, katholieke en apostolische. Wij hebben series van toespraken en uiteenzettingen over het geloof, die heilige bisschoppen in de oude tijd hebben gehouden voor hen, die zij in de Paasnacht gingen dopen.

Bij het doopsel moet het geloof worden belden door het opzeggen der Twaalf Artikelen. Het is niet zo, dat men die maar hoeft te kennen, ze nu en dan op te zeggen, en dan kan leven, alsof ze er niet waren. Het geloof is er, om van en door het geloof te leven. Het leert ons, hoe wij God moeten dienen, hoe Christus ons heeft verlost en wat ons eeuwig einddoel is, een einddoel dat wij alleen maar bereiken indien wij ons in geloof geheel aan God hebben toevertrouwd en ons leven ernaar hebben ingericht. Daarom noemt men ons "gelovigen" en het is fout, daarbij vr alles te denken aan hen, die geen priester of geestelijke zijn, de "leken". Wij llen zijn gelovigen, zonder onderscheid, en de bisschop moet in zijn diocees de eerste zijn. En hij is dat, omdat hij de opvolger is der apostelen, die het geloof, dat is de door God geopenbaarde leer, van Christus hebben ontvangen.
Daarom moet de bisschop persoonlijk een man zijn van diep geloof, dat uitstraalt uit zijn persoon en zijn werken. Hij moet het geloof kennen, hij moet het beleven, hij moet het verkondigen. Hij moet k de dwaling aanwijzen en zijn gelovigen er tegen beschermen - voor zover dit in onze maatschappij nog mogelijk is. En terwijl hij het verkondigen ervan niet kan verhinderen, zal hij voor alle goedwillenden toch al veel doen, als hij de waarheid en de leugen duidelijk bij hun naam noemt, zonder vrees of menselijk opzicht (vgl. Paulus VI, Quinque iam annis, van 8.12.1970; zie ook: Osservatore Romano van 24.1.1971). En wat de verkondigers der dwaling betreft, hij zal evenveel liefde moeten hebben voor hun personen, en werken voor hun bekering, als ijver hebben bij het bestrijden van hun dwaalleer, die verdeeldheid en ellende brengt in de Kerk, en zovelen afhoudt van God, van zijn door Hem gezonden Zoon Jezus Christus, en die de Heilige Geest weerstreeft.
Zo is de bisschop de door God aangestelde eerste getuige van de leer der Kerk, wiens gezag daarin boven alle anderen staat, verheven ook boven menselijke wijsheid van geleerden en theologen.

Tegelijk moet de bisschop de zijnen als een herder leiden naar het eeuwige leven, wat wij bereiken in het onderhouden der geboden, d.w.z. de wetten van God, van Zijn H. Kerk en van allen die wettig gezag uitoefenen. Maar niet iedereen gehoorzaamt altijd aan de wetten. De mens is zwak, hij heeft fouten en ondeugden en tracht die zelfs te verbloemen. Hij kan een slaaf zijn van ondeugd, en door verkeerde leer kan hij zelfs tweedracht zaaien onder gelovigen. Hier moet de bisschop leiding geven, als een goede herder, die vr zijn schapen uitgaat en ze op het goede pad houdt. Een priester belooft bij zijn wijding aan zijn bisschop "eerbied en gehoorzaamheid" en dit eenmaal gegeven woord zal hij in zijn leven moeten waarmaken. De gelovigen moeten vol vertrouwen naar de bisschop kunnen opzien en zijn leiding aanvaarden. In deze tijd en in onze landen zal "leiding geven" andere vormen aannemen dan vroeger, maar een wezenlijk verschil kan er toch niet zijn wanneer de bisschop het met gezag doe als opvolger der apostelen, tot wie Jezus heeft gezegd: "Wie u hoort, hoort Mij, en wie u versmaadt, versmaadt Mij: maar wie Mij versmaadt, versmaadt Hem, die Mij gezonden heeft." (Lk. 10, 16)

Verbonden met Christus en de Kerk

Ik zeide al, dat de bisschop voorgaat in de Eucharistie, het gemeenschapsgebed der Kerk bij uitstek. En deze is niet het enige gebed, want Jezus heeft gezegd: "Men moet altijd bidden en daarmee niet ophouden" (Lk. 18, 1) Naast het openbaar en gemeenschappelijk gebed der Kerk heeft het persoonlijk en intiem gebed zijn onvervangbare waarde. Jezus gaf er ons een voorbeeld in: Hij bracht nachten door in gebed (Luc. 6, 12). Door dit gebed komt de mens in intiem contact met God, leert hij omgaan met God, spreekt hij met Hom, bidt om vergiffenis van zonden, vraagt hulp in de nood, en leert tenslotte zeggen met de H. Schrift: "0, hoe goed en zoet, o Heer, is Uw Geest!" (Wijsh. 12, 1). Geen gelovige, geen priester, geen bisschop kan buiten dit gebod en priester of bisschop moeten daarin zelfs een voorbeeld zijn.
Daarom moet de bisschop een man zijn van gebed en innerlijk leven, die niet alleen offers opdraagt voor de hem toevertrouwde gelovigen (Hebr. 5, 1 vv.) en voor hen bidt, maar een, die ook in stilte, zonder ophouden tot God bidt, om Hem intiemer. te leren kennen, Hem vuriger te beminnen. Door deze omgang met God zal hij tot zijn priesters. en gelovigen beter kunnen spreken over de goddelijke dingen, beter kunnen zijn, wat hij voor hen zijn moet: een andere Christus.
In de oude Kerk stelde men het vaak zo voor, alsof de bisschop was "gehuwd" aan zijn diocees. Vandaar een oud gebruik in vele streken, dat hij niet van diocees mocht veranderen: een huwelijk is immers n en onverbrekelijk. De band, die de gehuwden bindt, wordt door St. Paulus vergeleken met do band, die Christus aan Zijn Kerk bindt (Ef. 5, 32). Op soortgelijke wijze moet ook de bisschop geheel toegewijd zijn aan zijn diocees. Daarom is hij vanzelfsprekend ongehuwd, in heel de katholieke Kerk en in alle Kerken van het Oosten, katholiek of niet. Aan zijn rechterhand draagt hij daarom do ring der onverbrekelijke trouw, maar op zijn borst het kruis van Christus, die hij vertegenwoordigt en verkondigt, "en wel gekruisigd" (I Kor. 1, 23; 2, 2 ). Dit.kruis is voor hem een teken der verbondenheid van de Kerk met de gekruisigde Christus, ook een symbool van het kruis, dat hij zelf moet dragen.
Ik zou u nog kunnen spreken over de taak van de bisschop in verbondenheid met zijn broeders in het bisschopsambt in de hele Kerk. Maar de tijd ontbreekt, en dit aspect is ook niet do aanleiding tot deze preek. Bovendien: de afzonderlijke bisschop heeft allerrst de zorg voor zijn eigen bisdom, niet het eerst voor de hele Kerk. Wel wil ik wijzen op het meest wezenlijke in deze verbondenheid: de bisschop van een "particuliere kerk" moet leraren, handelen en leven in verbondenheid met de Paus van Rome, de opvolger van Petrus, de eerste bisschop der Kerk, onder wiens gezag hij is gesteld en aan wie hij bij zijn wijding gehoorzaamheid belooft. In onze tijd wordt in ons land de bisschop direct door de Paus benoemd. Daardoor is hij niet zijn vertegenwoordiger: hij vertegenwoordigt Christus, en dit heeft hij van God. De eenheid en verbondenheid met andere bisschoppen heeft die met de Paus tot, voorwaarde, de Paus, die door het eerste Vaticaans Concilie is genoemd "het blijvend beginsel en zichtbaar fundament van het episcopaat" in de hele Kerk (Denz. 1821=3051). Wat een bisschop niet in verbondenheid zou doen met de Paus als hoofd der Kerk, of zelfs tegen hem in die functie, doet hij niet als vertegenwoordiger van Christus in zijn diocees. Dit gaat vooral op, in zaken die het geloof betreffen, maar ook in alle andere, waarin de opvolger van Petrus vraagt, dat hij wordt gehoorzaamd - ook al treft hij geen sancties, wanneer dit niet gebeurt.

Dat zij U kennen

(Devies van Mgr. Simonis; Jo. 17,3)

Tenslotte, beminde Christenen, zou ik nog een kort, woord willen zeggen, naar aanleiding van de laatste bisschops-benoeming in Nederland. U weet allen, wat zich heeft afgespeeld. Er hebben stemmen geklonken die hem niet als bisschop wensten te aanvaarden, en sommige waren van hen, wier eerste plicht het is, dat wel te doen. Maar daarop spraken de gelovigen. Als in de Griekse Kerk iemand voor zijn bisschopswijding door de consecrator wordt voorgesteld aan de verzamelde gelovigen en hun wordt gevraagd of hij "waardig" is, klinkt bijna altijd, van alle kanten, de roep: "Axios, axios, axios!": Hij is waardig, waardig, waardig! Ditzelfde "axios" heeft luid in het Nederlands geklonken, in het bisdom Rotterdam, en in heel de kerk van Nederland, in honderden ingezonden stukken en duizenden brieven en telegrammen, te veel om te beantwoorden; zelfs in een opiniepeiling, welke waarde die overigens mag hebben.

Wat ik U allereerst zou willen vragen is: vertrouwen hebben.in de nieuwe bisschop. Beseft toch, hoe moeilijk zijn taak is. Verwacht niet, dat hij in n handomdraai van het bisdom zal maken wat velen onder U - en daartoe reken ik mijzelf -, wensen. Dit vergt tijd, wijsheid, geduld. Vergeet ook niet, dat hij niet alleen de bisschop is van hen, die zijn komst toejuichen, maar ook van hen die deze om allerlei redenen niet wensen. Dit wil niet zeggen, dat hij met sommigen een compromis zal sluiten op punten, die wezenlijk zijn, zoals de zuiverheid van geloof en catechese, de onverbrekelijkheid van het huwelijk en andere. Weest gerust: hij is een man van geloof en onverbrekelijke trouw aan de H. Vader, de eerste Leraar van het geloof. Maar er zijn ook niet-essentile punten en alles kan niet tegelijk of in n dag, week, maand, of zelfs jaar. Hebt vertrouwen en helpt hem door Uw gebed en, waar hij dit vragen zal, ook door Uw daadwerkelijke steun.

Laat U ook niet ontmoedigen, zoals sommigen al deden na hun eerste enthousiasme, door persberichten en communiqus. Leest ze zorgvuldig; ziet, wie ze geeft en wat er staat. Bedenkt ook, dat niet alles waar is, en zeker niet de vlle waarheid, wat gedrukt staat of door radio en televisie tot U komt. De duivel was van de aanvang de vader der leugentaal en hij is nog altijd zeer actief; bedenkt het wel. En hebt boven alles vertrouwen in God. Jezus heeft tot Petrus gezegd, dat de poorten der hel Zijn Kerk niet zullen overweldigen (Mt. 16, 18). Uit mensen bestaande heeft de Kerk soms zwakheden vertoond, vroeger en nu. Maar ook grote kracht. De kracht, die de martelaren en de heiligen bezielde tot heldhaftige daden; die zoveel priesters het cel baat deed onderhouden; die zoveel gelovigen in talloze moeilijkheden in God liet blijven geloven, op Hem hopen, Hem beminnen, Zijn wetten in acht nemen, Christus' kruis dragen. Die Kerk, dat is Christus, maar dat zijn ook wij, Zijn Mystiek. Lichaam. Zij wordt geleid door God, maar veel hangt af van ons gedrag. Laten wij moed hebben en vertrouwen. Vertrouwen in God en in de nieuwe opvolger der apostelen, die Hij ons heeft gegeven.

God zegene hem - en ons allen.

AMEN

N.B.: In het bisdom Roermond is in deze dagen de bisschopszetel vacant. Daarom werd - mutatis mutandis - deze predikatie ook gehouden te Sittard op 7 feb. 1971.