www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / En Ik zal u de kroon des levens geven

En Ik zal u de kroon des levens geven

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Preek in de Parochiekerk "Maria Regina" te Boxtel, 2 november 1969

"Wees getrouw tot in de dood en Ik zal u de kroon des levens geven." (Openb. 2, 10)

Wij vieren vandaag, gelovigen en beminde christenen, het feest van Allerheiligen. Wij zijn bijeengekomen om door gebed en de Viering van het H.Misoffer getuigenis af te leggen van ons aller katholiek geloof, van onze trouw aan God, aan Jezus Christus, waarlijk God en waarlijk mens, aan de Kerk en aan allen, die haar goed en trouw besturen, bij welke laatsten onze gedachten allereerst uitgaan naar Paus Paulus, Christus' plaatsbekleder op aarde. Deze dag om getuigenis af te leggen is de feestelijke herdenking van Alle Heiligen, die de getuigen zijn bij uitstek van het katholiek geloof. In het Epistel hebben wij over hen een lezing gehoord uit het Boek der Openbaring: hoe de apostel Joannes in een visioen uit elke stam van IsraŽl 12.000 getekenden zag, die een zegel hadden gekregen, dat hen moest beschermen tegen dood en verderf. Dit zegel was van God en betekende dat de gezegelden Hem toebehoorden. In de oude christenheid heeft men al heel vroeg het doopsel zo genoemd, dat vergezeld ging van de zalving met olie op het voorhoofd, en later op. het gehele lichaam, in de vorm van een kruis, het teken van de christen bij uitstek.

Daarnaast zag Joannes een onafzienbare menigte verlosten uit de heiden volkeren, die niemand tellen kon, uit alle volkeren, rassen, stammen en talen. Zo zag hij allen die trouw zouden zijn, of het reeds geweest waren, tot aan de dood en die van God de kroon des levens hadden ontvangen. Hoe zij de eindstreep konden behalen wordt ons duidelijk gemaakt in het Evangelie der H.Mis, in de vorm der acht zaligheden, die bedoeld zijn als inleiding op de grondwet van het Evangelie: de rede van Jezus op de berg. Zij waren arm van geest, dwz. arm in de geest, overtuigd uit zichzelf niets te hebben, en alles te hebben ontvangen van God. Zij weenden en treurden over hun zonden en die van anderen, en over alle ellende die in de wereld daarvan het gevolg is. Zij waren nederig en bescheiden, zachtmoedig; niet zoals zovele mensen trots, hovaardig; hardvochtig. Zij hadden honger en dorst naar de rechtvaardigheid, dwz. zij hebben er hevig naar gestreefd, dat iedereen op deze wereld zou krijgen wat hem toekwam, maar voor alles God, de mens loon en geluk en waar het moet verdiende straf, maar God eer en.gehoorzaamheid en dat Zijn Wil geschiede, opdat Zijn Rijk kome. Zij waren barmhartig en, vergolden geen kwaad met kwaad. Zij waren zuiver van hart. Uit het hart immers komt elke slechte en elke goede daad. Pas als het hart zuiver is, is de mens goed en kan hij met een reine blik God zien. Zij brachten de vrede, dwz. de rust der orde, en niet de zo vaak in deze wereld met geweld, zelfs met moord en brand afgedwongen schijnrust der wanorde. En tenslotte zij werden om al deze dingen vaak niet geprezen en beloond op aarde en door de mensen, maar vervolgd, zoals de Heer Jezus Christus, belasterd, gesmaad, gedood tot de dood van het martelaarschap. Want onder de heiligen van vandaag zijn vele martelaren en zij zijn de eersten, die in de Kerk als heiligen vereerd zijn, zodat wij in het Te Deum nog steeds zingen: "Te martyrum candidatus laudat exercitus": U prijst het leger der in. het witte feestgewaad geklede martelaren!

Beminde Christenen! In deze acht zaligheden staat niet alles, wat de heiligen hebben gedaan, en hebben moeten doen. Heel in het bijzonder wordt er niet in gesproken over Jezus Christus, zijn Kruis, zijn Kerk; maar dit is alles ingesloten, omdat het Jezus zelf is die deze woorden heeft gesproken, toen Hij.begon het volk IsraŽl te onderrichten, en niet ineens alles kon zeggen, maar wel bedoelen. Het zijn tevens woorden, die ons laten zien hoe de christen in deze wereld leeft, met deze wereld, maar niet volgens deze wereld om daar, als hij kon, altijd te blijven; hij leeft voor een andere wereld, die wij nog niet kennen, en die wij bij gebrek aan, betere taal, woorden, voorstellingen, uitdrukkingen, de hemel noemen. Zo moeten de heiligen, zo heet het, zich verheugen en verblijden, wanneer zij op aarde moeten lijden, want hun loon is groot in de hemel. En deze heiligen, beminde christenen, zijn niet die enkelen die wij bij naam kennen en wier, leven onnavolgbaar ver van ons af schijnt te liggen, maar zijn wij allen.

Het Evangelie stelt ons de weg naar de heiligheid voor, dat is de christelijke volmaaktheid en voortreffelijkheid, en dat niet als een gemakkelijk pad dat over rozen gaat, en ook niet een dat leidt naar het geluk, het heil, uitsluitend van deze aarde, maar als de smalle weg die naar boven klimt en waarvan wij o, zo gemakkelijk kunnen afdwalen en vallen. Voor wat het Evangelie "de wereld" noemt heeft het weinig goede woorden en het stelt er het Rijk Gods, het Rijk der Hemelen, tegenover. Haar Rijk hier op aarde is de. Kerk en allen die tot haar behoren, uiterlijk en innerlijk; zij lijdt geweld van de zijde der wereld, die haar wil vernietigen; helaas is nu een vijfde colonne in haar werkzaam, niet om de muren van het huis van God van buitenaf te doorbreken, maar om van binnen zijn fundamenten te slopen. En dat is wel de voornaamste reden, waarom wij hier vandaag in, gebed en belijden, bijzonder bijeen zijn gekomen. Laat mij, beminde en gelovige christenen, in verband met het feest van vandaag, een fundamentele geloofswaarheid toelichten.
Wij vieren het feest van Allerheiligen, die wij juist daarom heiligen noemen, ,omdat zij het eeuwige leven bezitten en voor eeuwig leven bij God. Wij belijden deze geloofswaarheid aan het einde van het Credo, als wij zeggen: "Ik geloof in het eeuwige leven". Dit geloof houdt in, dat de mens, de christen, zijn; bestemming, zijn uiteindelijk en definitief geluk, niet bereiken kan in dit korte aardse leven, maar in het eeuwige aan de andere kant van de dood, met God en bij God. Dit is het oude, constante, vaste, christelijke geloof, waaraan geen christen kan twijfelen, zonder zijn christen-zijn op te geven. Dat is niet iets wat onzeker is, met welke onzekerheid wij zouden moeten leven, zoals men ons wel tracht voor te houden; het is de vaste, volledige zekerheid van het geloof. Wij verbinden aan dit geluk, dat wij hopen te ontvangen de naam "hemel", zonder dat wij precies kunnen, zeggen, wat daaraan beantwoordt, omdat er ten volle van waar is, wat de Apostel Paulus zegt: "Geen oog heeft gezien, geen,Oor heeft gehoord, ja, in geen mensenhart is opgekomen, wat God heeft bereid voor wie Hem liefhebben." (I Kor. 2, 9; vgl. Is. 64, 3). Wij denken hierbij aan het echte, blijvende, en daarom ook ware leven, waarop het aardse slechts een voorspel is (laten we hopen een gelukkig voorspel), maar slechts een voorspel en een voorbereiding, en ook een tijd van beproeving.

Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel te komen. "Wat heeft de mens", zo zegt het Evangelie, "als hij de hele wereld wint, maar zijn ziel verliest?" (Matt. 16, 26). In hun vast geloof hebbon de heiligen geleefd, die door de Kerk zijn verheven, maar daarnaast ontelbare anderen, waarbij er zeker velen zijn die wij zelf hebben gekend, als wij het grote geluk hebben gehad vrome ouders en familieleden te hebben gehad, waarvan wij welhaast met zekerheid aannemen, dat zij vandaag,bij de velen horen, die wij op Allerheiligen vereren en aanroepen, en van wie het vandaag ook hun feestdag is.

Een der dwalingen, die tegenwoordig in de Kerk worden verspreid, is de ontkenning, of het in twijfel trekken van het bestaan van een hiernamaals en een eeuwig persoonlijk voortleven van de ziel na de dood. Wij zijn er, - zegt men - alleen voor dit leven. Dit alleen is belangrijk. Wat er na komt, als er iets komt, is hoogstens toegift en van geen belang of betekenis voor nu. In het bisdomblad der bisdommen Den Bosch, Roermond en Breda van 24 oktober 1969, kan men een over vier kolommen en met een schuilnaam ondertekend artikel vinden, dat na enkele duisterheden en tegenstrijdigheden besluit met: "Onoplosbare vragen, zoals wat er gebeurt na de dood, zijn in wezen niet belangrijk. Belangrijk is, wat doe ik met mijn leven van nu." Maar deze vraag, beminde christenen, is wel oplosbaar en wel van het uiterste belang. En het geloof geeft daarop een zeker en onfeilbaar antwoord. Herinner ik U slechts aan wat Jezus heeft gezegd: "In het huis van mijn Vader zijn vele woningen. Ik ga heen u er een plaats bereiden." En Paulus verlangde, zoals hij zeide: "ontbonden te worden om altijd bij Christus te zijn." (Jo. 14, 2; Fil. 1,23)

Wie het bestaan van een hiernamaals in twijfel trekt, of het voor het leven van nu belangeloos of onzeker vindt, zet de bijl aan de wortel van het Christendom of liever, graaft er de fundamenten van uit. Want zonder hoop op een eeuwig leven, waar dit leven ons heen moet leiden in geloof, onder leiding van Christus en de door Hem gestichte Kerk, heeft het christendom zijn betekenis verloren en heeft praktisch afgedaan, is gedoemd om te worden ontbonden en wij zien dit voor onze ogen geschieden. Bedenken wij: als er geen eeuwig leven is, dan zijn wij allen voor dit leven, deze aarde, deze wereld. Als men jong is, denkt men niet aan het einde en leeft men praktisch, alsof dit leven eindeloos is. Maar ook jongeren worden, soms voor zij het vermoeden, weggerukt door een snelle, bittere dood. En dan denk ik nog niet eens aan de vele jonge soldaten, die gevallen zijn en nog steeds vallen op de slachtvelden, waarvan deze wereld helaas overdekt moet zijn. De oudere mens weet, hoe kort dit leven is. Elk jaar dat hem nog rest schijnt hem vlugger te ontschieten dan het voor gaande. Eťn tot tien jaar schijnt voor jongeren een enorm lange tijd, voor een oudere mens is het maar kort, zo gedaan. En elk mensenleven kent zo veel verdriet veel.levens meer verdriet dan geluk. Als er geen eeuwig leven is, heeft God ons geschapen - laten wij aannemen dat Hij dit heeft gedaan, want ook dat wordt,ontkend -, om na een korte tijd, voor eeuwig dood te zijn, voor eeuwig te verdwijnen. Wat zouden wij ons dan nog aan deze God gelegen laten liggen? Wat zouden wij ons storen aan Zijn wetten, indien deze ons beletten onze wensen op aarde te vervullen? Waarom zou Hij het middelpunt van ons leven en van de maatschappij zijn en de Heer van de mens: de mens, zijn verlangens, zijn lusten, zelfs zijn wetten? De besten onder ons, waaronder vele idealistische jongeren, willen dan nog goed zijn voor anderen, zoals zij zeggen, maar hoeveel (beter hoe weinig) hiervan terechtkomt, dat ,zien wij in d de wereld waarin wij leven en waartegen al deze goedwillenden haast machteloos protesteren. Door het verlaten van het Christendom en de goddelijke wetten wordt de mensheid - en dat kunnen wij historisch nagaan - niet beter, maar slechter. Oorlog en vernietiging hangen dreigen boven ons allen, al willen wij daaraan liever niet denken, omdat zo het leven voor ons onmogelijk zou worden.

Beminde Christenen! Om te sluiten wil ik U nog een woord voorhouden van Sint Paulus: "Als gij dan (zo zegt hij) met Christus ten leven zijt gewekt (dus: als gij waarlijk christelijk leeft) , zoekt dan wat daarboven is, waar Christus zetelt aan de rechterhand van God. Zint op het hemelse, niet, op het aardse. Gij zijt immers gestorven en Uw leven is met Christus verborgen in God. Christus is Uw leven en, wanneer Hij verschijnt, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid" (Kol. 3, 1-4)

Laat daarom het geloof, het vaste geloof in het eeuwige leven, niet uit ons hart verdwijnen. Vertrouwen wij vast op het woord van Christus, van zijn Kerk. Luisteren wij niet naar dwaalleraren; zien wij op naar de heiligen die het eeuwige leven hebben verworven en ontvangen wij :dadelijk Jezus Christus in de Eucharistie, die het onderpand is van het eeuwige leven, want Hem, waarmee wij ons op aarde verenigen, verborgen onder de gedaante van brood en wijn, zullen wij ongesluierd met alle heiligen in de hemel eeuwig aanschouwen.

AMEN