(drie artikelen)
Aangezien het hoofddoel van de gewijde leer is: God te leren
kennen, en dit niet alleen zoals Hij is in zichzelf, maar ook in
zover Hij, zoals uit het voorgaande blijkt (Ie Kw., 7e Art.), het
beginsel en het einddoel is van alles en vooral van het redelijk
schepsel, gaan we nu over tot de uiteenzetting van die leer. Wij
zullen achtereenvolgens handelen: ten 1e over god; ten 2e, over het
streven van het redelijk schepsel naar God; ten 3e, over Christus,
die naar zijn mensheid de weg is waarlangs wij tot God moeten
opstijgen.
Aangaande God handelen wij, ten 1e, over de goddelijke
wezenheid; ten 2e, over de onderscheiden personen; ten 3e over de
oorsprong van de schepselen uit Hem.
Aangaande de goddelijke
wezenheid onderzoeken wij: ten 1e, of God bestaat; ten 2e, hoedanig
Hij is, of beter niet is; ten 3e, welke zijn werking is, te weten
zijn wetenschap, zijn wil, en zijn macht.
Aangaande de eerste
kwestie stellen wij drie vragen:
1. Is het
klaarblijkelijk, dat God bestaat?
2. Is het
bewijsbaar?
3. Bestaat Hij?
BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat het bestaan van God een
uit zichzelf klaarblijkelijke waarheid is. Die waarheden immers zijn
uit zichzelf klaarblijkelijk, waarvan we de kennis van nature
bezitten, zoals dit het geval is met de eerste beginselen. Welnu,
naar het getuigenis van Joannes Damascenus in zijn boek Over het ware
Geloof (Ie en IIIe H.), is de kennis van Gods bestaan iedereen
aangeboren. Dus is de waarheid uit zichzelf klaarblijkelijk.
2.
Die dingen zijn uit zichzelf klaarblijkelijk, welke duidelijk zijn
uit de kennis van de termen zelf, zoals dit het geval is met de
eerste beginselen van elke bewijsvoering, naar het getuigenis van de
Wijsgeer in zijn tweede werk Over de redenering (Ie B., IIIe H., Nr
4). Weet men b.v. wat het geheel is, dan weet men ook dat ieder
geheel groter is dan een zijner delen. Welnu, kent men de betekenis
van dit woord: God, dan weet men onmiddellijk dat God bestaat. Door
dit woord wordt immers het hoogste denkbare wezen aangeduid. Maar
iets wat zowel in de werkelijkheid als in het verstand bestaat, is
groter dan wat in het verstand alleen bestaat. En aangezien God in
het verstand bestaat zo gauw iemand het woord God begrijpt, volgt
hieruit, dat Hij ook in de werkelijkheid bestaat. Zo is het
duidelijk, dat Gods bestaan een uit zichzelf klaarblijkelijke
waarheid is.
3. Dat er waarheid is, is klaarblijkelijk,
want men bevestigt het, door het feit alleen, dat men het loochent.
Als er immers in het geheel niets waar is, dan is het toch waar, dat
er niets waar is. Is er echter iets waard, dan moet er waarheid zijn.
Welnu, God is de waarheid zelf, volgens het gezegde bij Johannes
(14,6): "Ik ben de weg, de waarheid en het leven".
Dus is het uit zichzelf klaarblijkelijk, dat God bestaat.
Daartenover kan echter aangevoerd, dat niemand het tegenovergestelde kan denken van wat uit zichzelf klaarblijkelijk is, zoals de Wijsgeer aantoont in het IVe Boek van de Metaphysica (IIIe B., IIIe H., Nr 7), en in zijn tweede werk Over de redenering, (Ie B., Xe H., Nr 7), waarin hij handelt over de eerste beginselen van elke bewijsvoering. Welnu, men kan een oordeel uitspreken dat in tegenspraak staat met het oordeel: God bestaat, volgens dit woord van Psalm 52, 1: "De dwaze heeft in zijn hart gezegd: Er is geen God". Het bestaan van God is dus niet uit zichzelf klaarblijkelijk.
LEERSTELLING. - Iets kan op een tweevoudige wijze uit
zichzelf klaarblijkelijk zijn: ófwel op zichzelf en niet voor
ons, ófwel op zichzelf en ook voor ons. Klaarblijkelijk is
elke zin waarvan het gezegde ligt opgesloten in het begrip van het
onderwerp, zoals b.v. deze: De mens is een dier. Het begrip dier ligt
immers besloten in het begrip mens. Voor allen nu die dit onderwerp
en dit gezegde kennen, zal deze zin klaarblijkelijk zijn. Dit nu is
het geval met eenieder, voor wat de eerste beginselen betreft: de
termen er van toch zijn zó algemeen gebruikelijk, dat een
ieder ze kent, zoals zijn en niet-zijn, het geheel en het deel, en
dergelijke. Zijn er nu aan wie het onderwerp en het gezegde onbekend
zijn, dan zal de zin wel op zich zelf klaarblijkelijk zijn, maar niet
voor hen die het onderwerp en het gezegde niet kennen. En zoals
Boëtius in zijn boek Over de Tijdstippen opmerkt, zijn er
gegevens die alleen voor de geleerden klaarblijkelijk zijn, zoals de
stelling: De onstoffelijke dingen nemen geen plaats in.
Welnu,
deze zin: God is, is op zich zelf klaarblijkelijk uit zichzelf, omdat
het gezegde één is met het onderwerp; God is immers
zijn eigen bestaan, zoals later zal bewezen worden (IIe Kwestie, 4e
Art.) Aangezien we echter van God niet weten wat Hij is, is deze zin
voor ons niet uit zichzelf klaarblijkelijk, maar moet hij bewezen
worden uit dingen die ons beter bekend zijn, al zijn zij naar hun
natuur minder bekend, en dit zijn de uitwerkselen.
ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN. - 1. Het is ons door de natuur
gegeven God te kennen, maar in het algemeen en op een enigszins vage
wijze, in zover Hij nl. ons geluk uitmaakt. De mens verlangt immers
van nature zijn geluk, en wat hij van nature verlangt, moet hij ook
van nature kennen. Maar dat is nog niet zonder meer het bestaan van
God kennen. Veronderstel b.v. dat men iemand op zich ziet aankomen,
laten we zeggen Petrus, maar men hem niet herkent: dan zou men niet
weten dat het Petrus is die er aankomt, ofschoon dit feitelijk het
geval is. Zo ook laten velen het volmaakte goed van de mens nl. de
zaligheid, in de rijkdommen bestaan; anderen in genietingen of nog in
iets anders.
2. Er zijn er ook die bij het horen van Gods
naam zich van Hem geen begrip vormen, als van het hoogste wezen, daar
sommigen dachten dat God een stoffelijk iets is. En zelfs zij die
onder die naam begrijpen wat er door betekend wordt, nl. het hoogste
wezen, weten daarom nog niet, dat dit hoogste wezen in werkelijkheid
bestaat, maar alleen dat het in het verstandsbegrip bestaat. Dan
alleen kan tot zijn werkelijk bestaan besloten worden, wanneer
aangenomen is dat het hoogste wezen werkelijk bestaat, wat juist niet
toegegeven wordt door diegenen die Gods bestaan ontkennen.
3.
Klaarblijkelijk is het uit zichzelf, dat er waarheid is, in het
algemeen gesproken, maar dat er een eerste waarheid is, dit is voor
ons niet uit zichzelf klaarblijkelijk.
BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat men Gods bestaan niet
kan bewijzen. Het is immers een geloofsartikel, en wat tot het geloof
hoort, is onbewijsbaar, want de bewijsvoering brengt ons tot de
kennis van iets; het geloof daarentegen heeft, naar het getuigenis
van de Apostel in de Hebreërbrief (11, 1) de niet waarneembare
dingen tot voorwerp: God bestaan is dus onbewijsbaar.
2. De
wezenheid is de middenterm in de bewijsvoering. Welnu, van God kunnen
we niet weten wat Hij is, maar alleen wat Hij niet is, volgens
Damascenus in zijn werk Over het ware Geloof (Ie B., IVe H.).
Bijgevolg is Gods bestaan onbewijsbaar.
3. Indien het
bestaan van God bewijsbaar is, dan is het dit alleen uit de
uitwerkselen. Welnu, deze staan niet in verhouding tot Hem: is Hij
niet oneindig, en zijn uitwerkselen eindig? En is er wel enige
evenredigheid tussen het eindige en het oneindige? Aangezien dus die
oorzaak niet kan bewezen worden dan door uitwerkselen die in het
geheel geen evenredigheid hebben met hun oorzaak, blijkt het, dat
Gods bestaan onbewijsbaar is.
Dit is echter strijdig met wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (1, 20): "Gods onzichtbare eigenschappen kunnen door de schepselen gekend worden". Welnu, dit was onmogelijk indien men Gods bestaan niet kon bewijzen uit de geschapen dingen, aangezien het eerste wat we van een wezen dienen te kennen is, of het bestaat.
LEERSTELLING. - Er is een tweevoudige bewijsvoering: in de eerste steunen we op de oorzaak van iets, en in die bewijsvoering geeft men, naar men gewoonlijk zegt, het innerlijke waarom van iets aan; ze gaat uit van bewijsgronden, die op zichzelf genomen, het eerst kenbaar zijn. In de tweede bewijsvoering steunen we op het uitwerksel: ze bewijst dan ook alleen dat iets is, en gaat uit van dingen die ten opzichte van ons eerder kenbaar zijn. Wanneer immers een uitwerksel ons beter bekend is dan zijn oorzaak, dan komen wij door het uitwerksel tot de kennis van de oorzaak. Daarom kan men bewijzen wat de eigen oorzaak is van elk uitwerksel, wel te verstaan indien dit uitwerksel ons beter bekend is dan de oorzaak. Daar immers de uitwerkselen afhangen van de oorzaak, kunnen we uit de werkelijkheid van een uitwerksel besluiten tot het vooraf bestaan van zijn oorzaak. Wij kunnen dus het bestaan van God, dat voor ons niet klaarblijkelijk is, bewijzen uit zijn ons bekende uitwerkselen.
ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN. - 1. Het bestaan van God en de
andere waarheden die volgens de Brief aan de Romeinen (1, 19) onder
het bereik vallen van de natuurlijke rede, zijn geen
geloofsartikelen, maar gaan het geloof vooraf. Het geloof immers
veronderstelt de natuurlijke kennis, zoals de genade de natuur, en de
volmaaktheid het geen voor volmaking vatbaar is. Er is echter niets
op tegen, dat hij die er niet toe in staat is de bewijsvoering te
volgen, door het geloof aanneemt wat opzich genomen bewijsbaar en met
natuurlijk inzicht kenbaar is.
2. Bewijst men de oorzaak
door het uitwerksel, dan moet het uitwerksel de rol vervullen die
anders door de bepaling van de oorzaak vervuld wordt, wanneer men wil
bewijzen dat de oorzaak bestaat, - en dat is vooral het geval bij
God. Om immers te bewijzen dat iets bestaat, moet men als
bewijsmiddel de betekenis van de naam gebruiken, niet de wezenheid,
die hij aanduidt: de vraag: Wat is het? volgt op de vraag: Is het?
Welnu, de goddelijke namen worden aan god toegekend naar zijn
uitwerkselen, zoals later zal aangetoond worden (XIIIe Kw., Ie Art.).
Om dus door de uitwerkselen Gods bestaan te bewijzen, kunnen we als
bewijsmiddel de betekenis van Gods naam gebruiken.
3. Waar
is het, dat door uitwerkselen die niet evenredig zijn met hun
oorzaak, geen volledige kennis van de oorzaak mogelijk is. Toch kan
men uit ieder klaarblijkelijk uitwerksel het bestaan van een oorzaak
bewijzen, zoals hierboven gezegd werd. En op die wijze kunnen wij uit
Gods uitwerkselen bewijzen dat Hij bestaat, hoewel we Hem hierdoor in
zijn wezenheid niet volkomen kennen.
BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat God niet bestaat. Indien
er immers twee tegenstrijdige dingen waren, en een daarvan was
oneindig, dan zou het andere geheel ontbreken. Welnu, God is het
oneindig goed; zó toch begrijpt iedereen die naam. Bestond God
nu, dan zou er geen kwaad zijn. Maar er is kwaad in de wereld. Dus
bestaat God niet.
2. Kan iets door een kleiner aantal
beginselen verklaard, dan is het overbodig er een groter aantal aan
te voeren. Welnu, al wat in de wereld voorkomt, kan door andere
beginselen buiten God verklaard worden. De natuurdingen worden
verklaard door het natuurbeginsel; die dingen waaruit toeleg blijkt,
door de menselijke rede of wil. Gods bestaan dringt zich dus niet op.
Dit stemt echter niet overeen met wat God over zichzelf getuigt in het Boek Exodus (3, 14): "Ik ben degene die is".
LEERSTELLING. - Voor het bestaan van God kan men vijf
bewijzen aanvoeren. Het eerste en duidelijkste is het bewijs uit de
verandering of "beweging". Het is immers zeker - we nemen
het door de zinnen waar - dat er dingen in de wereld veranderen, of
"bewogen" worden. Welnu, al wat bewogen wordt, wordt door
iets anders bewogen. Niets toch wordt bewogen, dan in zover het in
aanleg is tot datgene, waartoe het bewogen wordt. Maar alleen datgene
wat in akt is kan iets bewegen, daar iets bewegen niets anders is dan
iets doen overgaan van aanleg tot akt. Niets echter kan gebracht
worden van aanleg tot akt, tenzij door iets dat in akt is. Zo maakt
iets dat metterdaad warm is, gelijk het vuur, het hout, dat in aanleg
warm is, metterdaad warm, en op die wijze beweegt het vuur het hout
en brengt het er een verandering in voort. Het is echter niet
mogelijk, dat iets in hetzelfde opzicht tegelijk in akt en in
potentie is, maar alleen in een verschillend opzicht. Wat b.v.
metterdaad warm is, kan niet tegelijk in potentie warm zijn, maar is
in potentie koud. Het is dus onmogelijk, dat iets in hetzelfde
opzicht beweegt en bewogen wordt, of dat het m.a.w. zich zelf
beweegt. Alles wat bewogen wordt, moet bijgevolg door iets anders
bewogen worden. Maar wanneer nu datgene, waardoor iets bewogen wordt,
zelf ook weer bewogen wordt, dan moet het ook door iets anders
bewogen worden, en dat ook weer door iets anders. Maar zo kan men
niet opklimmen tot in het oneindige,want dan zou er geen eerste
beweger zijn, en zelfs geen enkele andere, want de ondergeschikte
bewegers kunnen alleen iets bewegen, in zover ze door een eerste
beweger zelf bewogen worden: zo brengt een stok alleen dan iets in
beweging, wanneer hij zelf door de hand bewogen wordt. We moeten dus
tot een eerste beweger komen, die door geen ander wordt bewogen, en
hierdoor verstaat iedereen God.
Het tweede bewijs berust op het
begrip van werkende oorzaak. Het is immers een feit, dat er in de
stoffelijke wereld een aaneenschakeling is van werkende oorzaken. Men
vindt echter nergens een wezen, en het is ook onmogelijk er een te
vinden, dat de werkende oorzaak van zichzelf zou zijn, want dan zou
het eerder dan zichzelf moeten zijn, en dit is uitgesloten. Het is
echter ook niet mogelijk om in de reeks van de werkende oorzaken tot
on het oneindige op te klimmen, daar in een reeks van werkende
oorzaken die onderling verbandhouden, de eerste de oorzaak is van de
tussen-oorzaken, en de tussen-oorzaken de oorzaak zijn van de
laatste, hetzij er slechts één ofwel meerdere
tussen-oorzaken zijn. Neemt men echter de oorzaak weg, dan neemt men
ook het uitwerksel weg. Is er dus geen eerste werkende oorzaak, dan
is er ook geen laatste en geen tussen-oorzaak. Maar wanneer men in de
reeks van de werkende oorzaken zo tot in het oneindige voortging, dan
kon er nooit een eerste werkendeoorzaak zijn, en dus ook geen laatste
uitwerksel, noch werkende tussen-oorzaken, wat een duidelijke
ongerijmdheid is. Wij moeten dus een eerte werkende oorzaak aannemen,
die door allen God genoemd wordt.
Het derde bewijs wordt genomen
uit het mogelijke en het noodzakelijke. Het is het volgende: Er zijn
in de wereld dingen die kunnen zijn en niet zijn. Sommige dingen
immers ontstaan en vergaan, en kunnen bijgevolg zijn en niet-zijn.
Welnu het is onmogelijk dat dergelijke dingen immer zouden zijn; wat
immers ook niet kan zijn, is eenmaal niet. Maar wanneer alle dingen
ook niet zouden kunnen zijn, bestond er eenmaal niets. Maar dan zou
er ook nu niets bestaan, want wat niet is begint toch enkel te zijn
door iets wat wel is. Was er dus niets, dan zou er ook niets tot het
bestaan komen bijgevolg zou er nu ook niets zijn, wat zeker vals is.
Niet alle wezens zijn dus mogelijke wezens, maar er bestaat ook een
noodzakelijk wezen. Alles nu wat noodzakelijk is, heeft ofwel buiten
zich een oorzaak van zijn noodzakelijkheid, of heeft er geen. Het is
echter niet mogeljk om in de reeks van de wezens die buiten zich een
oorzaak hebben van hun noodzakelijkheid, op te stijgen tot in het
oneindige, evenals dit onmogelijk is voor de werkende oorzaken, zoals
we hierboven bewezen hebben. Men moet dus aannemen dat er een wezen
is dat uit zichzelf noodzakelijk is, en de oorzaak van zijn
noodzakelijkheid niet buiten zich zelf vindt, maar integendeel de
oorzaak is van de noodzakelijkheid van andere wezen, en dit wezen
noemen allen God.
In het vierde bewijs voert men al bewijsgrond
aan de graden die in de dingen gevonden worden. Er zijn immers in de
wereld meer of minder goede, ware en edele dingen. Welnu "meer"
en "minder" zegt men van verschillende dingen met het oog
op hun verschillende verhouding tot het meeste; het warmere b.v. is
datgene wat dichter bij het warmste staat. Er is dus iets dat het
meest ware, het beste en het edelste is en dus het hoogste wezen,
daar volgens het IIe boek van de Metaphisica (Ie B., Ie H., Nr 5) de
meest ware wezens ook het hoogste zijn hebben. Wat nu in een bepaalde
soort het hoogste is, is de oorzaak van al wat tot die soort hoort:
zo is b.v. het vuur, dat warmer is dan wat dan ook, de oorzaak van
alle warmte, gelijk in hetzelfde Boek gezegd wordt. Er is dus iets
dat voor alle wezens de oorzaak is van het zijn, van de goedheid en
van welke volmaaktheid ook, en dit wezen noemen wij God.
De
bewijsgrond van het vijfde bewijs is het bestuur van de
wereld. We stellen immers vast, dat redeloze wezens, zoals de
natuurlichamen, handelen om een doel te bereiken, wat hieruit blijkt,
dat ze steeds of minstens gewoonlijk op dezelfde wijze te werk gaan
om datgene te bereiken wat het beste is. Ze bereiken dus hun doel
niet bij toeval, maar op een wijze waaruit toeleg blijkt. Dingen
echter die geen kennis hebben streven alleen naar een doel in zover
ze geleid worden door een wezen met verstandelijke kennis, gelijk de
pijl op het doel gericht wordt door de schutter. Er is dus een
verstandelijk wezen, waardoor al de natuurdingen op hun doel gericht
worden, en dit noemen wij God.
ANTWOORDEN OP DE BEDENKINGEN. - 1. In zijn boek Enchiridion
(XIe H.) zegt Augustinus: "Aangezien God het opperste goed
is, zou Hij in zijn werk geen kwaad laten insluipen, was Hij niet
dermate machtig, dat Hij het goede uit het kwaad kan trekken" .
Het is dus een gevolg van Gods oneindig goed-zijn, dat Hij het kwaad
toelaat om er het goede uit te trekken.
2. Aangezien de natuur
werkt met een bepaald doel onder de leiding van een hogere oorzaak,
dienen al de natuurdingen tot God herleid als tot hun eerste oorzaak.
Insgelijk dient alles wat met toeleg gebeurt teruggebracht tot een
hogere oorzaak dan de menselijke rede of wil, aangezien deze
veranderlijk zijn en gebrekkig. Al wat beweeglijk is en in gebreke
kan blijven, dient herleid tot een eerste onbeweeglijk en uit
zichzelf noodzakelijk beginsel, zoals hierboven werd uiteengezet.