terug

EERSTE KWESTIE
OVER DE GEWIJDE LEER: WAT ZIJ IS EN WAT ZIJ BEVAT.

(Tien artikelen)

Opdat nu ons inzicht nader zou omschreven worden, is het voor alles nodig aangaande de gewijde leer te onderzoeken wat zij is en wat zij bevat. Daaromtrent stellen wij tien vragen:
1. Over de noodzakelijkheid van deze leer.
2. Is zij een wetenschap?
3. Is ze één of veelvuldig?
4. Is ze beschouwend of praktisch?
5. Over haar verhouding tot de andere wetenschappen.
6. Is ze de hoogste wetenschap of "wijsheid"?
7. Waarover handelt ze?
8. Wendt men er bewijsvoeringen bij aan?
9. Mag ze overdrachtelijke of symbolische spreekwijzen aanwenden?
10. Heeft de H. Schriftuur, welke deel uitmaakt van deze leer, verschillende betekenissen?

ARTIKEL 1.
Is er buiten de wijsbegeerte nog een adere leer nodig?

BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat er buiten de wijsbegeerte geen andere leer nodig is. De mens behoeft immer niet te streven naar wat boven zijn verstand is, volgens het woord van de Prediker (3, 22): "Zoekt niet naar wat boven U verheven is". Welnu, wat onder het bereik van de rede valt, wordt voldoende verhandeld in de wijsbegeerte. Een andere leer buiten de wijsbegeerte is dus overbodig.
2. Iedere leer handelt alleen over het zijnde. Inderdaad, alleen het ware, - dat met het zijnde gelijkstaat, - is het voorwerp van de wetenschap. Welnu de wijsbegeerte handelt over al het zijnde, ook over God. Er is imers een deel van de wijsbegeerte dat godgeleerdheid of goddelijke wetenschap genoemd wordt, naar de leer van de Wijsgeer in het VIe Boek van de Metaphysica (Ve B., Ie H., Nr 7). Het is dus niet nodig, dat er buiten de wijsbegeerte nog een adere leer is.

Daartegenover staat echter wat we lezen in de IIe Brief aan Timotheus (3, 16): "Alle door God ingegeven Schriften hebben hun nut te onderrichten, om te weerleggen, om te berispen, om te onderwijzen tot gerechtigheid". Welnu, de H. Schrift behoort niet tot de wijsbegeerte, want ze is door God ingegeven, terwijl de wijsbegeerte door de menselijke rede is uitgewerkt. Het is dus nuttig, dat er buiten de wijsbegeerte een andere wetenschap is, door God ingegeven.

LEERSTELLING - Buiten de wijsbegeerte, die een werk is van de menselijke rede, is er voor het heil van de mensen een leer nodig, die steunt op de goddelijke openbaring. De mens is immers naar God gericht als naar een doel dat het begrip van de mensen te boven gaat, volgens het woord van Isaias (64, 4): "Zonder U, God, heeft geen oog gezien wat Gij voorbereid hebt voor hen die U beminnen". Welnu, de mensen moeten het doel te voren kenen, want wij moeten er hunne inzichten en handelingen naar richten. Het is dus noodzakelijk voor 's mensen zaligheid, dat sommige waarheden die de rede te boven gaan, door goddelijke openbaring meegedeeld worden.
Wat nu de goddelijke waarheden betreft, welke de menselijke rede kan bereiken, ook deze dienen door God geopenbaard, en dit omdat de waarheden die de rede aangaande God kan achterhalen, niet dan door enkelen, en na lange tijd, en met veel dwalingen vermengd kunnen begrepen worden. En van de kennis van die waarheden hangt nochtans heel 's mensen heil af, dat in God gelegen is. Opdat nu de mensen algemener en zekerder de zaligheid zouden bereiken, is het nodig, dat ze door goddelijke openbaring over God onderwezen worden.
Wij mogen dus besluiten, dat buiten de wijsbegeerte, het werk van de rede, de gewijde leer, het werk van de openbaring, nodig is.

ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN. - 1. Wat boven de menselijke rede is, moet zij niet trachten te achterhalen, maar wanneer God het openbaart, moet zij het door het geloof aanvaarden. Daarom wordt t.a.pl. ook gezegd: "Veel van wat boven 's mensen kennis verheven is, werd U geopenbaard". Daarom nu juist bestaat de gewijde leer.
2. De verscheidenheid van de wetenschappen ontstaat uit hun verschillend formeel kenmiddel. Astronomen en natuurkundigen bewijzen immers beiden eenzelfde stelling, b.v. de bolvormigheid van de aarde; maar de sterrekundige doet dit door middel van een wiskundige bewijsvoering die van de stof abstaheert; de natuurkundige, door middel van een waarneming van de stof. Hieruit volgt, dat vraagstukken die, in zover zij in het bereik van de menselijke rede liggen, door de wijsbegeerte behandeld worden, bovendien ook het voorwerp van een andere wetenschap kunnen zijn, wleke ze kent door het licht van de goddelijke openbaring. De godgeleerdheid welke bij de gewijde leer behoort, verschilt dus soortelijk van die godgeleerdheid, welke een deel van de wijsbegeerte is.

ARTIKEL 2.
Is de gewijde leer een wetenschap?

BEDENKING. - 1. Men beweert, dat de gewijde leer geen wetenschap is. Een wetenschap immers ontstaat uit door zichzelf klaarblijkelijke beginselen. De gewijde leer integendeel ontstaat uit de geloofsartikelen, die niet uit zichzelf klaarblijkelijk zijn, want dan zouden ze door iedereen aangenomen worden. Maar "niet iedereen is gelovig", zegt de Apostel (IIe Brief aan de Thessalonicensers, 3, 2). Dus is de gewijde leer geen wetenschap.
2. Er is geen wetenschap van het individuele. Welnu, de gewijde leer handelt over individuele dingen, b.v. over de geschiedenis van Abraham, Isaac en Jacob. Dus is de gewijde leer geen wetenschap.

Dit is echter strijdig met wat Augustius zegt in zijn werk Over de Drie enheid (XIVe B., Ie H.): "Tot de gewijde leer wordt alleen datgene gerekend, waardoor het allerheilzaamste geloof ontstaat, waardoor het ontwikkeld, verdedigd en versterkt wordt."

LEERSTELLING. - De gewijde leer is een wetenschap. Er dient opgemerkt, dat er twee rlei wetenschappen zijn: sommige ontstaan uit beginselen die gekend worden door het natuurlijk licht van het verstand, zoals de rekenkunde, de meetkunde en dergelijke; andere ontstaan uit beginselen die gekend worden door een hogere wetenschap, zoals de wetenschap van het perspectief voorvloeit uit de geginselen van de rekenkunde. De gewijde leer nu is een wetenschap in deze tweede betekenis, want ze vloeit voort uit beginselen, die door een hogere wetenschap gekend worden, nl. door de wetenschap van God en die van de heiligen. Evenals de muziek de beginselen aanneemt van die door de rekenkunde aangegeven worden, zo neemt ook de gewijde leer de beginselen aan, door God geopenbaart.

ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN. - 1. De beginselen van iedere wetenschap zijn ofwel uit zichzelf klaarblijkelijk, ofwel te herleiden tot een hogere wetenschap. Dit laatste is het geval met de gewijde leer, zoals in de loop van het Artikel gezegd werd.
2. Individuele dingen worden in de gewijde leer niet behandeld als hoofdzaak, maar worden alleen aangevoerd of als voorbeelden, gelijk men ook in de zedeleer doet, of om het gezag toe te lichten van hen door wie de goddelijke openbaring tot ons gekomen is. De goddelijke openbaring is immers de grondslag van de H. Schrift of de gewijde leer.

ARTIKEL 3.
Is de gewijde leer een enkelvoudige wetenschap?

BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat de gewijde leer geen enkelvoudige wetenschap is. Die wetenschap immers is één, welke maar één subject heeft, gelijk de Wijsgeer zegt in zijn eerste werk Over het Oordeel (Ie B., XXVIIe H., Nr. 1). Welnu de Schepper en het schepsel, waarover de gewijde leer handelt, maken niet   n subject uit. Dus is de gewijde leer geen enkelvoudige wetenschap.
2. De gewijde leer handelt over de engelen, de lichamelijke schepselen, de zeden van de mensen. Welnu, dit hoort bij verschillende wijsgerige wetenschappen. Dus is de gewijde leer een wetenschap zonder éénheid.

Dit is echter strijdig met de H. Schrift, die van de gewijde leer spreekt als van een enkelvoudige wetenschap. Het Boek van de Wijsheid zegt immers (10, 10): "Hij heeft hem gegeven de wetenschap van de heiligen".

LEERSTELLING. - De gewijde wetenschap is een enkelvoudige wetenschap. De eenheid van het vermogen of van de hebbelijkheid hangt immers af van de eenheid van het voorwerp, niet materieel, maar formeel genomen. Zo komen de mens, de ezel en de steen overeen in   n en hetzelfde formeel opzicht van gekleurd-zijn, wat object is van het gezicht. Zoals nu hierbove gezegd werd (Ie Art., antw. Op de 3e bed.), beschouwt de H. Schriftuur of de gewijde leer waarheden in zover ze door God geopenbaard zijn. Maar al wat door God geopenbaard kan worden, valt onder het   ne formeel voorwerp van deze wetenschap. En daarom hoort dit alles tot de gewijde leer als tot een enkelvoudige wetenschap.

ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN. - 1. De gewijde leer handelt niet op gelijke wijze over de schepselen en over God. Ze handelt in de eerste plaats over God; over de schepselen handelt ze maar in zover die in betrekking staan tot God als tot hun beginsel en hun einddoel, zodat er wel eenheid is in de gewijde leer.
2. Er is niets op tegen, dat ondergeschikte vermogens of hebbelijkheden in verschillende soorten onderscheiden worden ten opzichte van voorwerpen, die door een enkel hoger vermogen of door   n hogere hebbelijkheid bereikt worden. Dit verhevener vermogen of die verhevener hebbelijkheid beschouwen het voorwerp immers van een algemener standpunt uit. Zo is het voorwerp van het algemeen zintuig het zinnelijke, dat toch door oog en oor verschillend bereikt wordt, en zo bereikt het algemeen zintuig, al is het maar een enkele vermogen, alles wat door de vijf uiterlijk zintuigen wordt bgereikt. Op dezelfde wijze nu beschouwt de gewijde leer, dank zij haar eenheid, de verschillende dingen, welke door afzonderlijke wijsgerige wetenschappen bereikt worden,in eenzelfde opzicht, in zover ze namelijk door God kunnen geopenbaard worden. En om die reden is de gewijde leer als een mededeling van de goddelijke wetenschap, die, - ofschoon één en enkelvoudig -, toch alles omvat.

ARTIKEL 4.
Is de gewijde leer een praktische wetenschap?

BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat de gewijde leer een praktische wetenschap is. Het doel van het praktische is immers de handeling, naar de Wijsgeer zegt in het IIe Boek der Metaphysica (Ie B., Ie H., Nr. 4). Welnu de gewijde leer is op de handeling gericht, volgens het gezegde van Jacobus (1, 22): "Handelt naar het woord (Gods) en luistert er niet alleen naar". De gewijde leer is dus een praktische wetenschap.
2. De gewijde leer bestaat uit de oude en de nieuwe wet. Welnu, de wet hoort bij de zedeleer, een praktische wetenschap. Dus is de gewijde leer ook een praktische wetenschap.

Daar kan echter tegen ingebracht, dat een praktische wetenschap handelt over hetgeen door de mens verricht wordt, gelijk de zedeleer over de menselijke handelingen, en de bouwkunst over de gebouwen. De gewijde leer echter handelt hoofdzakelijk over God, door Wie de mens gemaakt is. Zij is dus geen praktische, doch eerder een bespiegelende wetenschap.

LEERSTELLING. - De gewijde leer blijft één, al behandelt ze wat het voorwerp is van verschillende wijsgerige wetenschappen, en de reden daarvan is het   ne formeel opzicht waarin ze die verschillende dingen beschouwt, nl. in zover ze kenbaar zijn door het goddelijk Licht. Hoewel nu in de wijsbegeerte het bespiegelend deel verschilt van het praktische, toch omvat de gewijde leer beide. Zo kent ook God door dezelfde wetenschap zichzelf en hetgeen Hij verricht. Toch is de gewijde leer meer van bespiegelende dan van praktische aard, omdat ze meer handelt over het goddelijke dan over de menselijke handelinge; hierover immers handelt ze maar in zover de mens er door gericht wordt op de volmaakte kennis van God, waarin de eeuwige zaligheid bestaat.

Het antwoord op de bedenkingen blijkt uit het artikel zelf.

ARTIKEL 5.
Is de gewijde leer verhevener dan de andere wetenschappen?

BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat de gewijde leer niet verheven is boven de andere wetenschappen. De waardigheid toch der wetenschappen berust op hun zekerheid. Welnu de andere wetenschappen, waarvan de beginselen niet kunnen betwijfeld worden, schijnen meer zekerheid te bezitten dan de gewijde leer waarvan de beginselen, nl. de geloofsartikelen, in twijfel kunnen getrokken worden. De andere wetenschappen schijnen dus verhevener te zijn.
2. Een ondergeschikte wetenschap ontleent haar beginselen aan een hogere; de muziek b.v. neemt haar beginselen over van de rekenkunde. Welnu, volgens Hieroymus' getuigenis ontleent de gewijde leer veel aan de wijsbegeerte (Brief aan een groot Romeins rhetor): "De oude leraren, zegt hij, hebben zodanig hun boeken met aanhalingen uit de wijsgeren doorweven, dat men niet weet wat men er het meest in moet bewonderen, of hun natuurlijke geleerdheid, of hun bekendheid met de H. Schriftuur." Dus is de gewijde leer minder verheven dan de andere wetenschappen.

Daartegenover staat echer dat de andere wetenschappen haar dienstmaagden genoemd worden, volgens het Boek der Spreuken (9, 3): "Zij heeft hare dienstmaagden uitgezonden naar de burcht om haar uitnodiging te doen."

LEERSTELLING. - Aangezien de gewijde leer in een zeker opzicht bespiegelend, en in een zeker opzicht praktisch is, overtreft ze al de wetenschappen, de bespiegelende en praktische. Bij de bespiegelende wetenschappen wordt de een van hoger waardigheid geacht dan de andere om haar zekerheid en waardigheid van het behandelde. En in dit dubbel opzicht overtreft de gewijde leer de andere bespiegelende wetenschappen. Wat ten eerste de zekerheid betreft, putten de andere wetenschappen hun zekerheid uit het natuurlijk licht van de menselijke rede die feilbaar is, de gewijde leer echter put uit het licht van de goddelijke wetenschap, die onfeilbaar is. Wat ten tweede waardigheid van de behandelde stof betreft, gaat de gewijde leer in hoofdzaak over hetgeen boven de rede verheven is, de andere wetenschappen over hetgeen aan de rede onderworpen is.
Onder de praktische wetenschappen nu is diegenen verhevener die op eenhoger liggend doel gericht is; om deze reden is de staatskunde verheven boven de krijgskunst, want het leger staat in de dienst van de gemeenschap. Het doel nu van de gewijde leer, van praktische zijde beschouwd, is de eeuwige zaligheid waaraan als aan hun einddoel, al de doeleinden van de praktische wetenschappen ondergeschikt zijn. Het blijkt dus, dat de gewijde leer in alle opzichten verheven is boven de andere wetenschappen.

ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN. - 1. Wat op zich zelf zekerder is, kan voor ons zeer dikwijls minder zeker zijn, om reden van de zwakheid van ons verstand, dat tegenover de meest klaarblijkelijke dingen staat gelijk een nachtuil tegenover het licht van de zon, zoals in het IIe Boek van de Metaphysica gezegd wordt (Ie B., Ie H., Nr. 2). Als er dan ten opzichte van sommige geloofsartikelen twijfel opkomt, dan ligt dit niet aan de onzekerheid van die waarheden, maar aan de zwakheid van het menselijk verstand. Toch is de geringste kennis van de hoogst dingen nog meer begerenswaard dan de zekerste kennis van de kleinste dingen, gelijk gezegd wordt in het IXe Boek Over de Dieren.
2. De gewijde leer kan de wijsgerige gegevens gebruiken, niet alsof ze die noodzakelijk behoefde, maar om haar eigen voorwerp duidelijker te belichten. Haar beginselen ontleent ze echter niet aan andere wetenschappen, maar wel onmiddellijk aan de goddelijke openbaring. Daarom maakt ze geen gebruik van de andere wetenschappen, alsof die boven haar stonden, maar integendeel in zover ze haar ondergeschikt zijn; zo ook heeft de bouwkunde andere kundigheden in haar dienst, en maakt de staatskunde de krijgskunde aan haar dienstbaar. En wanneer de gewijde wetenschap op voormelde wijze andere wetenschappen gebruikt, dan is het niet omdat ze zelf ontoereikend zou zijn, maar dan is dit een aanpasssing aan onze zwakheid. Het is immers een feit, dat wij uit hetgeen we kenen door de natuurlijke rede, die de oorsprong is van andere wetenschappen, als bij de hand geleid worden tot hetgeen boven de rede verheven is, wat juist de inhoud uitmaakt van de gewijde leer.

ARTIKEL 6.
Is de gewijde leer de hoogste wetenschap of "wijsheid"?

BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat de gewijde leer de hoogste wetenschap niet is. Een leer toch die haar beginselen aan een andere ontleent mag niet "de hoogste wetenschap" of "wijsheid" genoemd worden. Het past toch de "wijze", te ordenen, niet geordend te worden (Ie Boek der metaphysica, IIe H., Nr. 3). Welnu, de gewijde leer ontleent haar beginselen aan een andere, zoals uit het gezegde blijkt (2e Art.). Dus is deze leer de hoogste wetenschap niet.
2. Het komt de hoogste wetenschap toe, de beginselen van de andere wetenschappen te bewijzen, en daarom wordt zij dan ook het "hoofd" van de wetenschappen genoemd, zoals uit het VIe Boek van de Ethica blijkt (VIIe H., Nr. 3). Welnu, deze leer bewijst de beginselen van de andere wetenschappen niet. Dus is zij de hoogste wetenschap niet.
3. Men kent de gewijde leer door studie, terwijl de "wijsheid" wordt ingestort, en juist daarom een der zeven gaven van de H. Geest is, zoals blijkt uit Isaïas (11,2). Dus is de gewijde leer geen "wijsheid".

Daartegenover staat echter, dat in het Boek Deuteronomium (4,6) in het begin van de Wet staat: "Deze is onze wijsheid enonze kennis voor het volk".

LEERSTELLING. - De gewijde leer is in de hoogste mate een "wijsheid" onder al de menselijke "wijsheden", en dit niet slecht betrekkelijk, maar volstrekt. Wijs immers is hij die niet schikt en oordeelt. Een oordeel nu wordt geveld wanneer van lagere dingen een hogere oorzaak wordt aangegeven. Wijs is hij dus in iedere soort van kundigheden, die de hoogste oorzaak van de dingen beschouwt. Zo wordt in de bouwkunde hij die het plan van het huis ontwerpt, een "wijze"genoemd, en noemt men ook de uitvoerder er van een "wijze", tegenover de werklieden die het hout en de stenen voorbereiden. Daarom wordt er ook in de Ie Brief aan de Corinthiërs (3,10) gezegd: "ln een wijze bouwmeester heb ik de grondslag gelegd". Zo ook noemt men met betrekking tot geheel het menselijk leven, hem een "wijze" die de menselijke daden naar het gepaste einddoel richt: "De beraden man", zegt het Boek der Spreuken (10,23), "zal een wijzezijn". De grootste "wijze" is hij dus die de hoogste oorzaak van het heelal beschouwt, nl. God. Daarom wordt door Augustinus in het XIIe boek Over de Drieëenheid (XIVe H.) de kennis van Gods "wijsheid" genoemd. Dit nu is eigen aan de gewijde leer, dat ze God beschouwt als een hoogste oorzaak, niet enkel in zover Hij kenbaar is uit de schepselen, - een kennis die ook de wijsgeren verwerven, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (1, 19): "Wat van God kenbaar is, is hun openbaar", - maar ook in zover Hij alleen zichzelf kent en die kennis door de openbaring aan anderen mededeelt. De gewijde leer is dus in de hoogste mate "Wijsheid".

ANTWOORDEN OP DE BEDENKINGEN. - 1. De gewijde leer ontleent haar beginselen niet aan een menselijke wetenschap, maar aan de goddelijke. Deze is het die als een opperste wijsheid geheel onze kennis regelt.
2. De beginselen van de andere wetenschappen zijn ofwel uit zichzelf klaarblijkelijk, en dan kunnen ze niet bewezen worden; of worden door een natuurlijke redenering bewezen in een andere wetenschap. De eigenlijke kennis nu in de gewijde leer komt uit de openbaring, niet uit de natuurlijke rede. Daarom hoeft ze ook de beginselen van de andere wetenschappen niet te bewijzen, maar alleen ze te beoordelen. Al wat immers in de andere wetenschappen strijdig is met de waarheden van de gewijde leer, veroordelen we als onwaar. Vandaar het woord uit de IIe Corienthiërbrief (10,4): "We vernietigen elke redenering, en ieder hoogmoedig verzet tegen de goddelijk wetenschap".
3. Daar het de wijze eigen is te oordelen, moet er, naar de tweevoudige manier van oordelen, een tweevoudige wijsheid zijn. Men kan immers oordelen, ofwel onder de invloed van een neiging, en op die wijze kan de deugdzame, bij wie de deugd tot een hebbelijkheid is uitgegroeid, een juist oordeel vellen over wat volgens de vereisten van de deugd moet gedaan: dan doet hij omdat hij zich tot de deugd getrokken voelt. Daarom wordt in het Xe Boek der Ethica (Ve H., Nr. 10) gezegd, dat de deugdzame de maat en de regel is van de menselijk daden. Men kan ook op louter verstandelijke wijze oordelen. Zo kan iemand, die op de hoogte is van de zedeleer, een oordeel vellen over de deugdzame daden, ook al is hij niet deugdzaam. De eerste manier van oordelen over de goddelijk dingen is eigen aan de wijsheid, de gave van de H.Geest, volgens de getuigenis van de Ie Corrienthiërsbreif (2,15): "Een geestelijk mens beoordeelt alles", enz. En hiermee overeenkomstig zegt Dionysius in het boek Over de goddelijk Namen (IIe H.): "Hierotheus is een geleerde, niet zozeer door de goddelijke dingen aan te leren, als door ze te ondergaan". De tweede wijze van oordelen echter komt de gewijde leer toe in zover ze door studie aangeworven wordt, hoewel haar beginselen uit de openbaring komen.

ARTIKEL 7.
Is God het onderwerp van deze wetenschap?

BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat God het onderwerp van deze wetenschap niet is. In iedere wetenschap toch moet men de wezenheid van het onderwerp kennen, volgens de leer van de Wijsgeer in zijn tweede werk Over de Redenering (Ie B., Ie H., Nr. 4). Welnu, de gewijde leer gaat niet uit van de kennis van Gods wezenheid. Damascenus toch zegt in zijn werk Over het ware Geloof (Ie B., IVe H.): "Het is onmogelijk, te zeggen wat God is". Bijgevolg is God het onderwerp van deze wetenschap niet.
2. Al wat in een wetenschap behandeld wordt, valt onder het onderwerp van die wetenschap. Welnu, in de H. Schrift wordt over vele andere dingen gehandeld dan over God, b.v. over de schepselen en over de zeden van de mensen. Dus is God het onderwerp van deze wetenschap niet.

Daartegenover kan echter het volgende aangevoerd: datgene is het onderwerp van een wetenschap, waarover in die wetenschap hoofdzakelijk gehandeld wordt. Welnu, in deze wetenschap wordt vooral over God gehandeld. Ze wordt immers "Theologie" genoemd, d.i. de leer over God. Bijgevolg is God haar onderwerp.

LEERSTELLING. - God is het onderwerp van deze wetenschap. Het onderwerp van een wetenschap toch staat in dezelfde verhouding tot die wetenschap als het voorwerp van een vermogen of een hebbelijkheid staat tot dit vermogen of die hebbelijkheid. Het voorwerp nu van een vermogen of van een hebbelijkheid is juist datgene waardoor alles met het vermogen of de hebbelijkheid verband houdt. Zo vallen de mens en de steen onder het gezicht in zover ze gekleurd zijn, en daarom is het gekleurde het eigen voorwerp van het gezicht. Alles nu in de gewijde leer wordt beschouw in zover God er in beschouwd wordt, omdat het ofwel God zelf is, ofwel in betrekking staat tot God, als met zijn beginsel en einddoel. God is dus het onderwerp van deze wetenschap. Overigens blijkt dit ook uit het feit, dat de beginselen van deze wetenschap, nl. de artikelen van het gloof, over God handelen. Het onderwerp nu van een wetenschap is hetzelfde als dat van de beginselen, aangezien geheel de wetenschap virtueel in haar beginselen opgesloten is.
Enkele schrijvers, die meer gelet hebben op hetgeen in de gewijde leer wordt behandeld dan op het gezichtspunt waaruit het beschouwt wordt, gaven een ander subject op, b.v. de dingen, de tekenen, of het werk van de verlossing, of de hele Christus, het hoofd samen met de ledematen. Maar feitelijk wordt in de gewijde leer over dit alles gehandeld, in zover het in betrekking staat met God.

ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN. - 1. Hoewel we de wezenheid van God niet kennen, toch geven we, in plaats van een eigenlijke bepaling van God, de uitwerkselen aan, die Hij in de orde van de natuur of in de orde van de genade heeft voortgebracht. Dezelfde methode wordt ook gevolgd in sommige vakken van de wijsbegeerte, waarin men door de uitwerkselen iets bewijst aangaande de oorzaak. Dan ook nemen de uitwerkselen de plaats in van de bepaling van de oorzaak.
2. Al wat in de gewijde leer wordt behandeld, is in God vervat, niet als een deel of een soort of een bijkomstigheid, maar als enigerwijze tot Hem in betrekking staande.

ARTIKEL 8.
Wendt men bij deze leer bewijsvoeringen aan?

BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat men in de gewijde leer geen bewijsvoeringen aanwendt. Ambrosius zegt immers in zijn werk Over het Katholieke Geloof (Ie B., XIIIe H.): "Geen bewijsvoeringen, waar naar het geloof gestreefd wordt!" Welnu, in de gewijde leer wordt vooral naar het geloof gestreefd, volgens het woord van Johannes (20, 41): "Dit alles werd geschreven opdat gij geloven zoudt". Dus wend men bij deze leer geen bewijsvoeringen aan.
2. Wendt men in deze leer bewijsvoeringen aan, dan wordt geredeneerd ofwel op grond van gezag, ofwel op grond van redelijk inzicht. Is het op grond van gezag, dan komt dit niet overeen met de waardigheid van de gewijde leer, aangezien de op gezag gevestigde bewijsgronden volgens Boëtius' gezegde de zwakste van zijn van alle. Is het op grond van redelijk inzicht? Zulks past niet bij het doel van deze wetenschap. Volgens Gregorius immers (XXVIe Homelie) is "het geloof niet verdienstelijk indien de menselijke rede het bewijs levert" . De gewijde leer wendt dus geen bewijsvoeringen aan.

Dit is echter strijdig met wat in de Ie Brief aan Titus (1, 9) van de Bisschop wordt gevergd, dat hij nl. "zich moet houden aan het naar de lering getrouwe woord, want hij moet in staat zijn om met gezonde redenen te vermanen, en de tegenstanders te weerleggen".

LEERSTELLING. - Evenmin als de ander wetenschappen hun beginselen trachten te bewijzen, maar van de beginselen uit redeneren om in de wetenschap tot verdere uitkomsten te geraken, zo wordt ook in de gewijde leer de redenering niet gebruikt om de beginselen, nl. de artikelen van het geloof, te bewijzen, maar worden integendeel uit die artikelen verdere gevolgtrekkingen afgeleid. Zo handelt ook de Apostel, wanneer hij in de Ie Corinthiërsbrief (15, 12) uit Christus' verrijzenis door redenering de algemene verrijzenis bewijst.
Toch dient er op gelet, dat in de wijsgerige wetenschappen, de ondergeschikte wetenschappen hun beginselen wel niet bewijzen noch tegen de bestrijders er van verdedigen, maar dit toch overlaten aan een hogere wetenschap. De hoogste nu onder de wijsgerige wetenschappen, nl. de metaphysica, redetwist zelf met hem die haar beginselen loochent, in geval de tegenstander tenminste iets aanneemt; neemt hij niets aan, dan kan men met hem ook niet redetwisten, maar alleen zijn opwerpingen weerleggen. Daar er geen enkele wetenschap boven de gewijde leer verheven is, redetwist ook zij zelf met hen die haar beginselen loochenen; staat ze tegenover bestrijders, die iets van de goddelijke openbaring aannemen, dan voert ze bewijsgronden aan: zo steunt ze tegenover ketters op het gezag van de H. Schrift, en voert ze een geloofsartikel aan tegen hen, die dat artikel wel aannemen, maar een ander loochenen. Gebeurt het echter, dat de tegenstander de goddelijke openbaring geheel verwerpt, dan is het verder niet mogelijk om voor de artikelen van het geloof bewijsgronden aan tevoeren, maar kunnen alleen nog de opwerpingen worden weerlegd. Daar immers het geloof berust op de onfeilbare waarheid, en het onmogelijk is het tegenovergestelde van de waarheid te bewijzen, spreekt het vanzelf dat de redenen tegen het geloofingebracht, geen bewijsvoeringen zijn, maar weerlegbare tegenwerpingen.

ANTWOORDENOP DE BEDENKINGEN. - 1. Hoewel de menselijke redenering niet bij machte is om de geloofspunten te bewijzen, worden toch bewijsvoeringen aangewend om, gelijk we gezegd hebben, uit de geloofsartikelen andere waarheden af te leiden.
2. Het is de gewijde leer eigen, het gezag als bewijsgrond aan te voeren, omdat de beginselen van deze leer door de openbaring bekend zijn en we dus moeten geloven in het gezag van hen aan wie de openbaring verleend werd. Dit nu is niet in strijd met de waardigheid van deze leer. Het gezagsargument is weliswaar het zwakste wanneer het op de menselijke rede steunt, maar wanneer het steunt op de goddelijk openbaring dan is het integendeel het sterktste.
Wanneer dan de gewijde leer op het gezag van de rede steunt, dan is dit niet om bewijzen te geven voor hetgeen we geloven moeten - hoe toch zouden we dan nog enige verdienste hebben, met te geloven? - maar wel om de gegevens van het geloof meer in het licht te stellen. Aangezien immers de genade de natuur niet vernietigt, maar ze volmaakt, moet de natuurlijke rede dienstbaar worden gemaakt aan het geloof, evenals de natuurlijke neiging van de wil de liefde dient. Daarvan ook gewaagt de Apostel, wanneer hij in de IIe Corinthiërbrief (10, 5) zegt: "We zullen alle verstand dienstbaar maken aan Christus". Daarom ook wordt in de gewijde leer het gezag van de wijsgeren aangevoerd, waar ze door het licht van de natuurlijke rede de waarheid achterhaald hebben. Aldus voert Paulus (Handelingen 17, 28) zelfs de woorden van Aratus aan "We zijn van gods geslacht".
Die gezagsargumenten worden echter alleen gebruikt als argumenten, die eigenlijk buiten de gewijde leer staan en haar niet meer dan waarschijnlijkheid geven. Alleen de gezagsargumenten uit de Schriftuur hebben een eigen en dwingende bewijskracht. Daarentegen bezitten de gezagsargumenten die aan de Varders ontleend zijn, wel een aan de gewijde leer eigenen, maar toch slechts waarschijnlijke bewijskracht. Ons geloof immers steunt op de openbaring verleend aan de profeten en aan de Apostelen, die de kanonieke boeken hebben geschreven, en niet op de een of andere openbaring door andere leraars mogelijk ontvangen. Daarom schrijft Augsutinus in zijn Brief aan Hieronymus (LXXXIIe of XIXe Brief, Ie H.):  "Ik heb geleerd, alleen aan de boeken van de H. Schrift die deel uitmaken van de Canon, de eer te bewijzen van mijn vast geloof, dat geen enkele van hun schrijvers in iets gedwaald heeft. De andere boeken leer ik zo, dat - hoe heilig en geleerd de schrijvers ervan ook mogen wezen, - ik nochtans niets voor waar aanneem, enkel en alleen omdat zij het zo ingezien hebben."

ARTIKEL 9.
Moet de H. Schrift in beeldspraak spreken?

BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat de H. Schrift geen beeldspraak moet gebruiken. Wat immers aan de minst verheven leer eigen is, past de gewijde leer niet, die de verhevenste is. Welnu, eigen is het aan de dichtkunst, de laagste onder de kundigheden, om gelijkenissen en voorstellingen te gebruiken. Deze zijn dus niet op hun plaats in de gewijde leer.
2. De gewijde leer heeft voor doel het vekondigen van de waarheid. Wordt immers niet aan haar verkondigers de eeuwige zaligheid beloofd? "Zij die mij doen kennen," lezen we bij de Prediker (24, 3), "zullen het eeuwig leven bezitten". Welnu, door de beeldspraak wordt de waarheid eerder veborgen dan ontsluierd. Ze mag dus in de gewijde leer niet gebezigd worden.
3. Hoe verhevener de schepselen, des te godgelijkender zijn ze. Worden er dus schepselen gebruikt om God te doen kennen, dan dienen het de verhevenste te zijn, en niet de laagste. Wat in de H. Schrift het geval niet is.

Daarmee is echter het getuigenis van Oseas in strijd, bij wie we lezen (12,10): "Ik heb visioenen vermenigvuldigd, en door de profeten heb ik parabels en gelijkenissen voorgesteld". Welnu iets zinnebeeldigs voorstellen is beeldspraak gebruiken. Dus hoort het tot de gewijde leer, in metaforen te spreken.

LEERSTELLING. - Het past de H. Schriftuur de goddelijke en geestelijke waarheden voor te stellen onder stoffelijke beelden. God immers, voorziet in alle dingen, rekening houdend met hun natuur. Welnu het is de mensen van nature eigen, door middel van het zintuigelijke tot het verstandelijke op te stijgen, aangezien iedere kennis bij ons met de zinnen begint. Het is dus passend, dat de H. Schrift ons de geestelijke dingen leert in metaforen aan de stoffelijke wereld ontleend. Wat ook Dionysius opmerkt in zijn boek Over de Hemelse Koren (Ie H.): "Het goddelijk licht kan maar voor onze ogen schijnen wanneer het op velerlei wijze omsluierd is".
Het is daabij ook goed, dat in de H. Schrift, die volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (1, 14): "Ik heb verplichtingen tegenover geleerden en onwetenden", tot eenieder gericht is, de geestelijke dingen in een stoffelijke vorm voorstelt, opdat tenminste op die wijze de ongeletterden ze zouden verstaan, die louter verstandelijke dingen niet gemakkelijk begrijpen.

ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN - 1. De dichtkunst gebruikt beelden om de beelden zelve, omdat ze de verbeelding steeds aangenaam aandoen. De gewijde leer daarentegen gebruikt beelden omdat het nodig en nuttig is, zoals we hierboven gezegd hebben.
2. Het licht van de goddelike openbaring wordt niet vernietigd door de zinnelijke figuren waarmee het omsluierd is, gelijk Dionysius zegt (t.a.pl.); maar de waarheid ervan blijft onverminderd. Ons verstand toch, waaraan de waarheid wordt geopenbaard, mag niet bij de beeldspraak blijven; het moet opstijgen tot de waarheid welke ze betekenen, en zo worden anderen onderricht door hen die de openbaring hebben ontvangen. Ten tweede, wat op één plaats van de H. Schriftuur metaforisch wordt uitgedrukt, wordt op andere plaatsen meer uitdrukkelijk verklaard. Bovendien is de verborgen zin van de beeldspraak een goede prikkel voor hen die de Bijbel bestuderen, en met het oog op de ongelovigen een behoudmiddel tegen spotternij, overeenkomstig het woord van Mattheus (7,6): "Werpt het heilige niet voor de honden".
3. Naar de leer van Dionysius in het boek Over de hemelse Koren (IIe H.), is het passender dat de goddelijke waarheden in de H. Schrift voorgesteld worden door een beeldspraak, ontleend aan lagere lichamen, dan aan hogere, en wel om een driedubbele reden: ten eerste, op die wijze zijn we meer bevrijd tegen dwaling. Het is immers meer dan duidelijk, dat zulke beeldspraak niet in letterlijke zin mag genomen, wat men misschien wel kon doen, wannneer hogere beeldspraak werd gebruikt. Ten tweede komt dit soort van beeldspraak beter overeen met onze kennis van God in dit leven. We weten immers beter wat God niet is, dan wat Hij is, en zo doet de beeldspraak, ontleend aan dingen welke het verst van God verwijderd zijn, ons beter beseffen dat God verheven is boven al wat wij van Hem kunnen zeggen of denken. Ten derde, op die wijze blijven de goddelijke dingen beter verborgen voor de onwaardigen.

ARTIKEL 10.
Kan in de H. Schrift eenzelfde tekst in meerdere zinnen verstaan worden?

BEDENKINGEN. - 1. Men beweert, dat in de H. Schrift eenzelfde tekst niet in meerdere zinnen kan verstaan worden. Die zinnen zouden kunnen zijn: de historische of letterlijk, de allegorische fo zinnebeeldige, de tropologische of zedelijke, en de anagogische of voorbeduidende. Hebben immers dezelfde woorden een verschillende betekenis, dan spruit daar verwarring en misvatting uit voort, en verliest de bewijsvoering haar kracht. Het is dan niet mogelijk om uit verschillende stellingen een redenering op te bouwen, want dan vervalt men in drogredenen. Welnu de H. Schrif moet in staat zijn de waarheid aan te tonen zonder drogredenen. Dezelfde woorden mogen dan ook geen verschillende betekenis hebben.
2. Volgens Augustinus in het boek Over het nut van het geloof (IIIe H.) heeft de H.Schrift de volgende viervoudige betekenis: de historische, de aetiologische, de analogische, de allegorische. Maar die verdeling komt in het geheel niet overeen met de eerst vermelde, en zo blijkt dat niet goed te zijn, dat dezelfde woorden van de H.Schrift naar de opgegeven vierdubbele betekenis verklaard worden.
3. Buiten de opgegeven betekenissen is er nog de parabolische die er niet in vervat is.

Her kan echter het woord aangevoerd van Gregorius in zijn Zedeleer (XXe B., Ie H.): "De H. Schrift overtreft door haar spreekwijze al de wetenschappen, doordat ze in dezelfde woorden een gebeurtenis verhaalt en een geheim ontsluiert".

LEERSTELLING. - De schrijver van de H. Schriftuur is God, en Deze kan niet alleen, zoals de mensen kunnen, woorden gebruiken om iets uit te drukken, maar is ook Meester van de dingen zelf. Waar nu in al de wetenschappen alleen de woord iets uitdrukken, is het die wetenschap eigen, dat ook de dingen die door de woorden worden uitgedrukt, iets betekenen. De eerste zin of betekenis is dan de historische of letterlijke, waardoor de woorden de dingen uitdrukken. De tweede zin is de geestelijke, waardoor de dingen, door de woorden uitgedrukt, nog andere dingen betekenen. Die geestelijke betekenis berust op de letterlijke en veronderstelt haar. Ze is drievoudig: zoals de Apostel zegt in de Brief aan de hebreërs (7, 19), is de Oude Wet het zinnebeeld van de Nieuwe, en de Nieuwe Wet is volgens Dionysius in zijn boek Over de Hemelse Koren (Ve H.) het symbool van de eeuwige glorie. Daarboven zijn in de Nieuwe Wet de dingen die in Christus zijn geschied, tekenen van hetgeen wij moeten doen. De allegorische zin bestaat hierin, dat de dingen van de Oude Wet de zinnebeelden zijn van de Nieuwe; de morele of tropologische zin bestaat hierin, dat hetgeen in Christus is geschied of waardoor Christus wordt aangeduid, een teken is van hetgeen wij moeten verrichten; de anagogische zin eindelijk ligt hierin, dat al die dingen de tekenen zijn van de eeuwige glorie.
Aangezien nu de letterlijke zin door de schrijver bedoeld wordt, en de schrijver van de H. Schrift God is, wienst verstand alles omvademt, is er volgens het gezegde van Augustinus in zijn Belijdenissen (XIIe B., XXXIe H.) geen bezwaar wanneer ook naar de letterlijke zin dezelfde tekst uit de H. Schrift verschillende betekenissen had.

ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN. - 1. De verschillende betekenissen in de H. Schrift geven geen aanleiding tot dubbelzinnigheid of iets dergelijks. Zoals immers gezegd werd, zijn er geen verschillende betekenissen omdat de woorden zelf verschillende begrippen weergeven, maar wel omdat de dingen die door de woorden betekend worden de tekenen zijn van andere dingen, zodat verwarring geheel is uitgesloten. De verschillende betekenissen toch berusten op één enkele zin, nl. op de letterlijke, die alleen als bewijsgrond kan aangevoerd, - de zinnebeeldige echter niet, zoals reeds Augustinus zegt in zijn Brief gericht tegen de Donatist Vincentius (XCIIIe of XLVIIIe Brief, VIIIe H.). Hierdoor gaat er echter niets van de H. Schriftuur verloren, daar er niets wat nodig is voor het geloof in de geestelijke zin schuilt, wat niet op een andere plaats in de letterlijke zin duidelijk geschreven staat.
2. De eerste drie betekenissen door Augstinus opgegeven, nl. de historische, de aetiologsiche, en de analogische, staan in verband met de letterlijke zin. De historische zin immers is volgens Augustinus die waarin de oorzaak van het uiteengezette wordt aangegeven, zoals b.v. wanneer Christus de oorzaak aangeeft waarom Mozes had toegelaten dat de man zijn vrouw zou wegzenden, nl. om de verhardheid van hun hart (Matt., 19,8). Men heeft een analogie, wanneer aangetoond wordt, dat hetgeen op één plaats van de H. Schriftuur geleerd wordt, niet strijdig is met andere plaatsen. De allegorische zin komt in deze opsomming overeen met de drievoudgie geestelijke zin, zoals ook Hugo van St.Victor bij de allegorische zin de anagogische rekend, waar hij in het IIIe Boek van zijn Sententies maar drie betekenissen aangeeft, te weten de historische, de allegorische en de tropologische.
3. De parabolische zin is vervat in de letterlijke. Door de woorden immers kan iets op eigene of op figuurlijke wijze aangeduid worden. In het tweede geval is de letterlijke zin niet de figuur zelf, maar hetgeen er door bedoeld wordt. Wanneer immers de H. Schrift gewaart van Gods arm, dan is de letterlijke betekenis niet dat God een arm heeft, maar hetgeen hierdoor betekend wordt, nl. macht om te handelen. Aldus blijkt, dat de letterlijke zin van de H. Schriftuur nooit een dwaling kan bevatten.