24. Voor de katholieken is de paus Christus’ plaatsbekleder op aarde; zo wil hijzelf ook beschouwden genoemd worden. Maar hoe durft de paus dan te leven in de pracht van een koninklijk paleis, terwijl Christus zelfs geen steen had om Zijn hoofd op neer te leggen? Is de levenswijze van het hoofd der Katholieke Kerk geen aanfluiting van Christus' leer over armoede en onthechting?
Om te beginnen moeten we onderscheid maken tussen de praal bij
kerkelijke plechtigheden, de kostbare gewaden en versieringen, enz.
en de rijkdommen van het pauselijk hof. Tegen pracht bij de eredienst
aan God zelf zal wel niemand bezwaren maken; dan immers gebruiken wij
het mooiste en heerlijkste van de schepping om God te huldigen.
Christus zelf stond ook toe, dat Maria van Bethanië voor
driehonderd denariën kostbaar reukwerk over Hem uitstortte, en
Hij nam haar in bescherming tegen de kritiek.
Ten tweede moeten we
er op wijzen, dat Christus wel van Zijn leerlingen armoede van
geest en onthechting aan aardse goederen geëist heeft; maar
Hij heeft niet voorgeschreven, dat de mensen feitelijk arm zouden
moeten zijn en niets zouden mogen bezitten. Het volkomen verlaten van
alle bezittingen heeft Hij alleen aangeraden als een bijzonder
middel om volmaakt te zijn; maar daarvan heeft Hij geen gebod
gemaakt. Christenen, en ook de paus, kunnen dus rijkdommen bezitten
zonder in strijd te komen met het evangelie, zolang zij zich er niet
aan hechten.
Wat vervolgens de "rijkdommen van den paus"
betreft, moeten we in aanmerking nemen, dat de paus persoonlijk zeer
sober leeft wat eten, kleding, enz. betreft; en dat zijn paleis
grotendeels een openbaar museum van kunstschatten is. Zijn inkomsten,
die moeilijk te schatten zijn, moet hij verder gebruiken tot
onderhoud van degenen, die hem helpen bij het bestuur van de Kerk,
tot steun van de missies, opleiding van geestelijken, bouw van
kerken, geven van aalmoezen, enz. Men kan dus helemaal niet zeggen,
dat de paus in zijn persoonlijk leven van die "grote rijkdommen"
geniet.
En wat nu de eigenlijke pracht van zijn hofhouding, zijn
kamerheren, edelgarden, zwitserse lijfwacht (die met de ouderwetse
helmen en hellebaarden militair natuurlijk niets te betekenen
heeft!), enz. aangaat, moet de paus zelf beoordelen, door welke
manier van optreden hij de goede vervulling van zijn verheven taak
het best kan bevorderen. Nu is hij werkelijk het hoofd van de
Kerk; hij moet b.v. staatslieden en ministers ontvangen om met hen te
onderhandelen; hij moet bij allerlei gelegenheden tonen, dat hij een
verheven positie bezit. En als de mensen nu eenmaal gewend zijn om
bij een verheven positie een prachtige omgeving te vinden en daarvan
onder de indruk komen, dan mag hij zich toch zeker wel aan dergelijke
opvattingen aanpassen?
Uit: de meest gemaakte moeilijkheden, door Prof. Felix Otten O.P. en Dr. C.F. Pauwels O.P.