1. Hoe kan er een God zijn, als er zoveel ellende in de wereld bestaat: zoveel wreedheid in de natuur, waarin het een op het andere parasiteert; zoveel verwoestende natuurkrachten, vulkanen, aardbevingen, zoveel oorlogen, zoveel ongelijkheid in rijkdom en beschaving?
We moeten wel een heel gek idee van God hebben om uit dergelijke
feiten te concluderen, dat er geen God bestaat: nl. alsof God overal
klaar zou moeten staan om de hardheden en wreedheid van het leven weg
te nemen. Er zijn zeker wreedheden in de natuur, maar dat is een
noodzakelijk gevolg van de op elkander inwerkende delen van de
natuur, die ook maar een schepping is en daarom beperkt en eindig in
volmaaktheid. Parasieten b.v. leven en genieten van het leven ten
koste van andere. Maar de dieren, waarop zij parasiteren, leven en
genieten ook van het leven. De pijn, door de parasieten aangedaan, is
voor hen te dragen; anders konden ze immers niet leven!
Alle
natuurkrachten zijn goed voor het geheel; er bestaan geen louter
verwoestende natuurkrachten, die niets doen dan vernielen.
Aardbevingen, vuurspuwende bergen, enz. zijn in het geheel van de
natuur een gewoon verschijnsel en hebben in dat geheel ook wel
degelijk hun nut. Maar wel kan iets, dat goed is voor het geheel, in
zijn uitwerking soms schadelijk zijn voor een onderdeel. En zo kunnen
de natuurkrachten ook wel eens schadelijk zijn voor de mens, die ten
slotte ook thuis hoort in het kader van de natuur, en daarvan een
onderdeel is.
De mensenslachtingen in oorlogen en dergelijke
ellenden, waarin de vrije wil van de mensen een rol speelt, komen
niet op rekening van God, maar van de mensen, die Zijn wetten niet
onderhouden. God is onze Vader, zeker. Maar wij, de kinderen van God,
zijn meerderjarige kinderen en soms erg ontaarde kinderen. Wij zijn
vrije wezens, die onze vrijheid lelijk kunnen misbruiken. Maar dan
handelen we tegen Gods wil in; en zo'n wangedrag mag men dus
nooit als een aanklacht tegen God uitspelen. En van dat wangedrag
komen ook de armoede, de ongelijkheid, enz.
Maar kan God dat
wangedrag dan zo maar toelaten? Hij kan het immers beletten!
God
kan dat toelaten. Hij behoeft de rampen, die uit het wangedrag
voortkomen, niet tegen te houden; want Hij is niet verplicht om te
herstellen, wat de mens bederft. Als Hij aan de mensen de heerlijke
gave van de vrijheid geeft, mag de mens niet eisen, dat Hij ieder
misbruik daarvan door een bijzonder ingrijpen voorkomt.
Bovendien
moeten we in aanmerking nemen, dat het natuurlijke kwaad in de wereld
(dus niet het morele kwaad, nl. de zonden; maar het lijden, de rampen
en oorlogen en armoede, enz.) toch nog iets goeds in zich heeft: nl.
als een straf voor het bedreven kwaad, als middel om tot inkeer te
brengen, als oefenschool van de deugd, enz. Daarom kan God dit soort
kwaad zelfs in zeker opzicht willen; het zedelijke kwaad, de zonden,
die rechtstreeks tegen God ingaan, kan God alleen toelaten, d.w.z.
niet beletten.
Uit: de meest gemaakte moeilijkheden, door Prof. Felix Otten O.P. en Dr. C.F. Pauwels O.P.