www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / De Sacramenten

De H. Eucharistie

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Maandblad - 14e JAARGANG - No. 2 - APRIL/JUNI 2002

De H. Eucharistie is het grootste en meest eerbiedwaardige sacrament, omdat het, onder de gedaanten van brood en wijn, Christus zelf bevat, de Gever van alle genaden. Het sacrament wordt met verschillende namen aangeduid, waarvan Eucharistie (dankzegging, liturgische lofprijzing) door de Kerk in haar officiële uitspraken het meest wordt gebruikt. Men spreekt ook van "het Sacrament des Altaars", "het Allerheiligste", "de H. Communie", "ons Heer" e.d.m. Oudtijds zegde men God dank door Hem te prijzen en veeloosterlingen doen dit nog. Daarom is de viering van de H. Eucharistie een akt van lofprijzing, zoals ook uit de liturgische teksten blijkt. Wij zullen er drie aspecten van beschouwen: de Werkelijke Tegenwoordigheid, het Offer, de H. Communie. Elk aspect wordt hieronder afzonderlijk besproken.

De Werkelijke Tegenwoordigheid

De leer over de H. Eucharistie komt niet voor in het Credo van de H. Mis; zij is te vinden in het Nieuwe Testament, in de liturgie, bij de Vaders en bij kerkelijke schrijvers en in de uitspraken van de Kerk. Zij is op bijzonder duidelijke wijze uiteengezet in de dogmatische verklaringen van het Concilie van Trente (ITRT-1563). Pausen hebben er aandacht aan gewijd in brieven, toespraken, encyclieken. Van deze laatste is Mysterium Fidei van Paulus VI (3 augustus 1965), die geheel aan de Eucharistie is gewijd en de leer van Trente tot richtsnoer heeft genomen, wel de meest bekende.

De leer van de Kerk steunt op de H. Schrift en de constante overlevering der Kerk, die men al in de alleroudste tijd kan aanwijzen. Zij is pas op grote schaal weersproken en verworpen door de hervormers van de 16de eeuwen hun volgelingen, Het laatste is de reden dat het Concilie van Trente zich er uitvoerig mee heeft bezig gehouden, de oude leer nog eens opnieuw heeft uiteengezet en de dwalingen heeft veroordeeld. In de veroordeling van de dwaling ligt meestal ook de bevestiging der ware leer opgesloten; zij zal door ons in deze zin worden gebruikt. De encycliek van Paulus VI, hoe positief ook, was gericht tegen de modernistische dwalingen die in de Kerk vaste voet begonnen te vatten.

De leer van het Nieuwe Testament en van de overlevering betreffende de H. Eucharistie vullen elkaar aan en zijn, zeker samen genomen, al in heeloude geschriften volkomen duidelijk. De teksten van het Nieuwe Testament verstaan wij zoals de Kerk dit doet en altijd heeft gedaan, in de overtuiging dat, zo ergens, dan hier de overlevering niet van de H. Schrift is te scheiden.

Christus heeft de Eucharistie ingesteld tijdens het Laatste Avondmaal, een joodse paasmaaltijd. Men neemt vrij algemeen aan dat de ceremonies ervan, voor zover niet in het Oude Testament te vinden, in wezen dezelfde zijn als die men aantreft in het rabbijnse traktaat over het Pasen, dat in de tweede helft van de 2de eeuw in de joodse Misjna is opgenomen en, met latere commentaren, ook in de Talmoed.

De viering van de Eucharistie, die het eerst heeft plaatsgehad bij het Laatste Avondmaal, is van dit Avondmaal géén herhaling met christelijke zingeving. Het is immers duidelijk dat Christus de Eucharistie wel tijdens het Laatste Avondmaal heeft ingesteld, maar niet als een onderdeel daarvan. Tijdens die laatste maaltijd heeft Hij aan twee afzonderlijke, ondergeschikte onderdelen een volstrekt nieuwe betekenis gegeven, die ver uitging boven die van het joodse paasmaal. Vermoedelijk heeft Hij er ook een eigen vorm aan gegeven.

Bij het paasmaal vormde het in de tempel geslachte lam de hoofdschotel die in de christelijke Eucharistie niet voorkomt. Deze werd ingesteld bij het gezamenlijk nuttigen van één der stukken brood die bij de maaltijd hoorden en het gezamenlijk drinken van de laatste der vier voorgeschreven bekers wijn. Met uitzondering van het eerste en een laatste brood brak ieder het gewoonlijk zelf, terwijl elk zijn eigen beker of drinkgerei had voor de wijn. Als Jezus dus onder de maaltijd aan zijn leerlingen een voor Hem persoonlijk klaargezette beker wijn gaf, deed Hij hiermee iets nieuws, dat niet overeenstemde met het gebruik. Gehéél zeker is dit weliswaar niet, maar wel erg waarschijnlijk, en het is daarom de moeite van het vermelden meer dan waard. Er volgt eens te meer uit dat Jezus het joodse avondmaal niet heeft willen verchristelijken, maar het door iets geheel nieuws heeft willen vervangen.

Het verhaal van de instelling van het sacrament lezen wij in vier bronnen, die elkaar aanvullen, in kleinigheden verschillen, maar wat het voornaamste, het wezenlijke betreft hetzelfde zeggen: Matt. 26,26-28; Marc. 14,22-24; Luc. 22, 17-20; 1 Cor. 11, 23-26. In het Evangelie van Johannes wordt de instelling van de Eucharistie niet vermeld, maar daarin vindt men de toespraak van Jezus over het Brood des Levens, die Hij in de synagoge van Kafarnaum heeft gehouden (zie Joh. 6, 22-66 en vgl. 6, 59). In deze laatste heeft Hij onmiskenbaar, hoewel op bedekte wijze, over de Eucharistie gesproken.

In de teksten waarnaar boven is verwezen, staat bij Mattheus: "Neemt en eet, dit is mijn lichaam"; Marcus: "Neemt, dit is mijn lichaam"; Lucas: "Dit is mijn lichaam, dat voor u wordt gegeven; doet dit tot mijn gedachtenis"; Paulus: "Dit is mijn lichaam voor (=omwille van) u", waaraan vele handschriften nog toevoegen: "...gebroken", dat in oosterse liturgieën (Byzantijnse, Syrische) is overgegaan. Bij de wijn heeft Jezus bij Mattheus gezegd: "Drinkt allen hieruit, dit is mijn bloed, van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergiffenis van zonden"; Marcus: "Dit is mijn bloed, van het verbond, dat voor velen wordt vergoten"; Lucas: "Deze kelk is het Nieuwe Testament in mijn bloed, dat voor u wordt vergoten"; Paulus: "Deze kelk is het Nieuwe Testament in mijn bloed; doet dit, zo dikwijls gij (hem) drinkt, tot mijn gedachtenis; want zo dikwijls gij dit brood eet en deze kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt".

Niet alleen in het Nieuwe Testament vertonen de instellingswoorden afwij- kingen, maar ook in de liturgieën, een bewijs dat men de woorden van Jezus niet scrupuleus precies heeft willen herhalen, maar naar de betekenis. Het uitvoerigst is St. Paulus, bij wie men volgens velen de oudste geschreven tekst vindt. Bij hem alleen vinden wij de toevoeging: "Doet dit, zo dikwijls gij hem drinkt. ..enz."

Gemeenschappelijk aan de vier Griekse teksten is het woord is: dit is mijn lichaam, is mijn bloed, een woord dat in de door Jezus gebruikte Aramese taal kan uitgedrukt zijn (îtaw), hoewel dit, zonder afbreuk te doen aan de betekenis niet nodig was. Jezus kan korte nominale zinnen gebruikt hebben, zoals de katholieke Chaldeeën doen (hanaw pagr = dit is mijn lichaam). Voor "wordt gegeven, gebroken, uitgestort" staan in het Grieks deelwoorden die in het Aramees tijdloos zijn, maar vaak van de toekomst gebruikt worden, zoals hier zonder twijfel het geval is geweest. De drie Evangeliën hebben "dat… vergoten wordt" gemeen; Mattheus en Marcus hebben er "voor velen" aan toegevoegd, Lucas "voor u", dat bij Paulus ontbreekt, die in een hem eigen toevoeging verwijst naar de dood des Heren. Lucas geeft bij het brood aan dat het "omwille van u gegeven"(resp. gebroken) wordt, Paulus heeft "gegeven" niet. Bij het brood staat bij Lucas alleen nog "doet dit tot mijn gedachtenis" en bij de kelk zegt alleen Mattheus dat het bloed wordt uitgestort "tot vergiffenis van zonden". De vier teksten vullen elkaar aan en zeggen, samengevat: Jezus schenkt zijn apostelen zijn lichaam en bloed, dat voor hen en voor vele wordt weggegeven resp. uitgestort, tot vergiffenis van zonden; de apostelen moeten wat Jezus deed herhalen, als gedachtenis aan zijn dood.

In het uitspreken der instellingswoorden herinnert Jezus aan drie bijzonder belangrijke plaatsen van het Oude Testament. De eerste is Ex. 24, 8 waar staat dat Mozes, bij de sluiting van het verbond van God met Israël aan de voet van de berg Sinaï, de helft van het bloed van het daarbij geofferde dier over het volk sprenkelde met de woorden: "Zie, dit is het bloed van het verbond dat Jahweh met u heeft gesloten." Deze bloedceremonie is enig in het Oude Testament en de daarbij gesproken woorden eveneens, zodat het evident is dat Jezus er op zinspeelt en de woorden er van op zichzelf toepast: zijn bloed is dat van het verbond, dat niet bij de berg Sinaï, maar op de Calvarieberg gestort wordt. Het is een nieuw verbond ( vgl. 1 Cor. 11, 25) en van zulk een verbond was sprake in Jer. 31, 31, waarin gezegd wordt dat een nieuw verbond het oude zal vervangen dat de Israëlieten "hebben verbroken" (Jer. 31,32). Door de uitdrukking "voor velen" in de samenhang der instellingswoorden te gebruiken herinnert Jezus duidelijk en met nadruk aan Isaïas 53, de voorspelling van de lijdende Dienaar van Jahweh, van wie tot vijfmaal toe wordt gezegd dat hij plaatsvervangend lijdt voor anderen (in deze vorm uniek in het Oude Testament), die driemaal met "velen" worden aangeduid (Is. 53, 11.12; vgl. ook 52, 13).

Wat betekent nu het Griekse estin = "is" in de instellingswoorden? Heeft het een symbolische zin (wil 'is' zeggen: 'dit betekent') of een werkelijke? De gestelde vraag lijkt niet onredelijk omdat bij een echte gelijkstelling wat Jezus heeft gezegd buiten alle proporties uitzonderlijk is, waarbij men aan Joh. 6, 60 denkt: "De taal is hard, wie kan Hem aanhoren?" Hoe meer men zich echter in de instellingswoorden en hun samenhang met de tekst waarin zij staan verdiept, hoe minder men aan een alleen maar symbolische betekenis kan denken. Als Jezus slechts een symbool had willen instellen, had Hij zich beter en duidelijker op een andere manier uitgedrukt. Een stukje brood en wat wijn zijn immers maar een pover symbool, en een povere herinnering (resp. gedachtenis) aan zijn lijden en sterven.

Bij Johannes leest men de woorden van Jezus: "Mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank" (Joh. 6,55; i.p.v. "ware" hebben veel handschriften "waarlijk"). Zij waren een krachtige bevestiging, die volgde op de verbaasde vraag van de joden: "Hoe kan die ons zijn vlees te eten geven?" (vers 52). Jezus zeide niet dat men Hem verkeerd had begrepen en voor een aantal van zijn leerlingen waren zijn woorden zulk een harde taal, dat zij Hem verlieten (Joh. 6, 60.66).

Alle (eventuele) twijfel wordt bij ons weggenomen door de praktijk en de overlevering van de Kerk van het begin af. Zij heeft het tweevoudige is van de Evangeliën steeds in letterlijke zin verstaan en dit is voor ons de doorslaande reden het eveneens te doen. Wij lezen de H. Schrift in een zaak als deze in en met de Kerk.

De getuigenissen der overlevering, die tot de alleroudste tijd terug gaan, zijn zo talrijk, dat het niet nodig is ze hier aan te halen. Zeker, Jezus heeft in de synagoge van Kafarnaüm verklaard dat zijn woorden "geest en leven" zijn en dat het vlees "van geen nut is" (Joh. 6, 63), maar dit betekent dat zij een mysterie bevatten: vanzelfsprekend geeft Jezus niet zijn sterfelijk lichaam en bloed te eten en te drinken in de vorm die ze tijdens zijn aardse leven hadden. Het is zijn bij de verrijzenis verheerlijkt lichaam dat St. Paulus "een geestelijk lichaam" heeft genoemd (I Cor. 15,44). Zo verstonden het ook de leraars der oude Kerk: de Eucharistie was voor hen een mysterie, een geheim; onder wat de gelovige uiterlijk ziet, voelt, proeft, gaat een andere, bovennatuurlijke werkelijkheid schuil, die hij niet ziet en die daarom "geestelijk" kan worden genoemd; men kent haar alléén door het geloof.

Dwaalleer

Het kan niet verwonderen dat theologen, die over het hoog verheven geheim der Eucharistie hebben nagedacht en zich hebben afgevraagd hoe het mogelijk is, soms tot opvattingen zijn gekomen die door de Kerk zijn afgewezen. Bekend is die van Berengarius, aartsdiaken van Tours (tlO88), die niet wilde erkennen dat bij de consecratie der H. Mis brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus; volgens hem zijn deze slechts geestelijk aanwezig, niet in die werkelijkheid die substantieel wordt genoemd. In de H. Mis houdt dan de priester Christus niet in zijn handen en deelt hem niet aan de gelovigen uit; brood en wijn zijn slechts een symbool, een bijzonder teken van zijn vlees en bloed. Berengarius beriep zich op Ratramnus,' een monnik van Corbie in Noord-West Frankrijkrijk uit de 7de eeuw, maar ten onrechte (dit wordt echter betwist). Ratramtius heeft zelfs gezegd dat de substantie van brood en wijn die van het lichaam en bloed van Christus worden (zie Migne, Patres Latini, C XXI, 140). De Kerk heeft Berengarius' opvatting in 1059 (DS 690) en 1079 (DS 700) afgewezen en veroordeeld.

In de middeleeuwen wilden ketters van rnanicheïsche afkomst, zoals de katharen die de stof als slecht beschouwden, niets van de Eucharistie en de andere katholieke sacramenten weten.

In de 12de eeuw heeft de jurist Ugo Speroni van Piacenza (Noord-Italië) de leer der katholieke Kerk op een groot aantal punten bestreden, waarbij ook de Eucharistie en het priesterschap het moesten ontgelden; de Eucharistie aanbidden was voor hem een vorm van afgoderij .De nestorianen hebben de theorie uitgedacht dat brood en wijn zich in de Eucharistie met Christus tot een hogere eenheid verbinden, zoals bij de menswording de menselijke persoon in Christus met die van het Woord. Maar in hun liturgie noemen zij de Eucharistie onveranderlijk "lichaam" en "bloed"; dit is de uitdrukking van hun geloof, dat ouder is dan der achteraf ervan gegeven theologische verklaring. Zonder de leer der "Kerk van het Oosten" (=de nestoriaanse) te kennen, hebben westerse theologen in de middeleeuwen soms gelijke gedachten uitgesproken. De Kerk van het Westen moest zich dus al in de middeleeuwen te weer stellen tegen onjuiste opvattingen betreffende de Eucharistie en de echo daarvan vernemen wij op verschillende algemene kerkvergaderingen, waarin het katholiek geloof wordt gehandhaafd tegen katharen en albigenzen.

In 1215 wordt voor het eerst in een officieel document het woord transsubstantiatie gebruikt, en wel op het vierde algemeen Concilie van Lateranen, in een definitie van het katholiek geloof (DS 802). Dit woord is sindsdien in de kerkelijke documenten de uitdrukking waarmee de algehele verandering van brood en wijn, die in de consecratie plaatsvindt, wordt aangeduid. Wij komen er straks op terug.

De eerste die zich tegen de leer der substantieverandering verzette was John Wycliff (1324-1384), priester in Zuid-Engeland, in dat land een voorloper van de hervorming. In 1377 werden door Gregorius XI (1370-1378) negentien stellingen van hem veroordeeld en in 1415 door het Concilie van Konstans 45 andere, waarvan de eerste drie betrekking hadden op de Eucharistie (DS 1151-1153). Wycliffhad o.a.verdedigd dat de "stoffelijke substantie van brood en wijn" in de H. Mis blijft en dat Christus niet echt en werkelijk lichamelijk tegenwoordig is in het H. Sacrament (DS 1151; 1153).

De grote aanval op de katholieke leer der Eucharistie volgde pas in de 16de eeuw van de zijde van Zwingli, Luther en Calvijn. De Zwitser Zwingli (1484-1531) was van mening dat het Sacrament der H. Eucharistie niet meer is dan een symbool, waarin Christus aanwezig is als in een teken. Luther (1483-1546) hield vast aan een werkelijke tegenwoordigheid van Christus, die hij zelfs een "substantiële" heeft genoemd in, met, door brood en wijn. Zelfs heeft hij gedacht dat deze tegenwoordigheid begon bij het uitspreken van de instellingswoorden en eindigde bij het vergaan van brood en wijn, maar zijn theoloog Melanchton (1497-1560) hield dat Christus alleen tijdens de nuttiging door de gelovige in brood en wijn aanwezig is en dit is later de opvatting der lutheranen geworden. Luther was van mening dat het verheerlijkte lichaam van Christus overal aanwezig is, omdat het met de alomtegenwoordige Godheid verbonden is en dit vergemakkelijkte zijn opvatting der H. Eucharistie.

Calvijn (1509-1564) wilde het midden houden tussen Zwingli en Luther. Hij sprak van een werkelijke en zelfs "substantiële" eenheid van Christus met de Eucharistie, maar deze komt tot stand door het geloof. Christus verenigt ons in de Eucharistie met zichzelf door zijn kracht, door wat Hij in ons uitwerkt, door zijn verdienste, maar dit is pas mogelijk door het geloof van de ontvanger. De hervormers hadden er moeite mee hun opvattingen inzake de Eucharistie te formuleren en konden niet gehéél ontkomen aan de invloed der katholieke traditie; zij waren het er echter met elkaar over eens, dat in de consecratie géén totale verandering van brood en wijn in Christus' lichaam en bloed plaatsvindt. Dit heeft in het protestantisme bijzonder ver reikende gevolgen gehad en er een radicaal einde gemaakt aan de katholieke eucharistische vroomheid, heel bijzonder zoals deze zich in de middeleeuwen had ontwikkeld.

Trente

Het Concilie van Trente (1545-1563) heeft, in zijn dogmatisch decreet van 11 oktober 1551 betreffende de H. Eucharistie, de leer der Kerk uiteengezet en die der hervormers veroordeeld (DS 1635-1661). Dit decreet bestaat uit een inleiding en acht hoofdstukken (korte) waarin de leer wordt uiteengezet, gevolgd do oor 11 canones waarin de dwalingen worden veroordeeld en de aanhangers ervan buiten de Kerk gesloten. De canones formuleren wat de Kerk niet leert en maken daarmee meestal duidelijk wat zij wel gelooft, speciaal wanneer daarbij nog naar de hoofdstukken van de uiteenzetting wordt verwezen; wij zullen ze in deze zin gebruiken.

Canon 2 (OS 1652), die verwijst naar hfdst. 4 (OS 1642), handelt over de transsubstantiatie en is daarom de belangrijkste. Een goed begrip daarvan is als het ware de spil en het hart van heel de katholieke Eucharistie-leer. Er wordt in gezegd dat in de consecratie van de H. Mis de hele "substantie" van het brood op wonderbare en uitzonderlijke wijze verandert in die van het lichaam van Christus en die van de wijn in zijn bloed, terwijl alleen de uiterlijke gedaanten (species) blijven. Deze totale verandering (conversio) wordt volgens Trente "passend en in eigenlijke zin" (convenienter et proprie, DS 1642) en "op de meest geschikte wijze" (aptissime, DS 1652) door de katholieke Kerk transsubstantiatio genoemd. Hierover straks, nadat nog ándere canones zijn bezien.

Canon 1 laat blijken dat de Kerk gelooft dat Christus "werkelijk en substantieel", met lichaam en bloed, ziel en godheid, "en dus de hele Christus" door het sacrament "wordt bevat" (contineri), waarin Hij dus niet slechts als in een of afbeelding is (DS 1651 ). De tekst van deze canon vermijdt de uitdrukking "werkelijke tegenwoordigheid", die in Denzinger wel voorkomt als titel van hoofdstuk 1 (DS 1636). "Tegenwoordigheid" kan immers op verschillende manieren worden verstaan, niet echter "waarlijk, werkelijk en substantieel… bevat worden". Men kan lichamelijk ergens tegenwoordig zijn, maar ook in zijn geest, of in de gedachte van anderen, of als in een teken of symbool. Alleen de lichamelijke aanwezigheid wordt bedoeld.

Canon 2 zegt dat na de transsubstantiatie de uiterlijke gedaanten van brood en wijn (species) overblijven.

Het Concilie van Trente heeft aan het begrip "transsubstantiatie" geen specifiek filosofische betekenis willen hechten noch een wijsgerig substantiebegrip willen opnemen in de geloofsleer. Met Aristoteles onderscheidt de scholastieke filosofie in een ding de substantie en de zgn. accidenten. De laatste zijn de eigenschappen, uitgebreidheid, kleur, reuk, smaak enz. die het ding heeft, de eerste is wat het ding is en waartoe de "accidenten" behoren. De substantie is "in zichzelf en niet meer in iets anders", de accidenten zijn "in iets anders". Een voorbeeld ter verduidelijking. De kleur van iets, bijv. groen, is een "accident", want "groen(heid)" bestaat niet op zichzelf, maar iets is groen, rood, wit, smakelijk, warm, koud enz. Dit "iets" is zelf niet meer "van iets" maar bestaat op zichzelf en is een "substantie". Eenvoudig gezegd en herhaald: de substantie is wat iets is, in en op zichzelf. Dit is scholastieke wijsbegeerte, maar men kan rustig zeggen dat het evident is en dat niemand met gezond verstand het kan ontkennen. Maar het is geen geloofswaarheid, omdat het geen geopenbaarde waarheid is.

Nu heeft het Concilie van Trente niet gesproken over substantie en accidenten, maar over substantie en gedaanten (species). Gedaante is wat men ziet, hoort, voelt enz. De substantie is wat daaronder ligt: waar die kleur, reuk, smaak enz. van zijn. Welnu, dat "wat brood en wijn zijn" in de meest algemene zin van het woord, wordt bij de consecratie totaal veranderd in het lichaam en bloed van Christus, terwijl de gedaanten die wij waarnemen (in de filosofie: de accidenten) op wonderbare wijze blijven en door God in stand worden gehouden. Daarom is "transsubstantiatie", d.w.z. overgang van de ene substantie in de andere, volgens Trente een 1;litermate geschikte term om de geloofswaarheid uit te drukken. Paulus VI heeft dit nog eens gedaan in zijn encycliek Mysterium Fidei en zijn Credo. Daaraan houden wij ons gaarne en met volle overtuiging.

Canon 3 volgt uit canon 2: de hele Christus is in elk deeltje van brood en wijn tegenwoordig (het concilie zegt weer: "het wordt erdoor bevat") en dit kan ook niet anders. Hieruit volgt ook dat elk deeltje dat er van af valt, elke druppel die de gedaante van wijn heeft, Christus geheel en al is en met dezelfde eerbied moet worden bejegend als een hele H. Hostie of een kelk vol geconsecreerde wijn. "Kruimels zijn ook brood" is een bekende volkswaarheid, waaraan men kan toevoegen dat een druppel ook wijn is.

Canon 4 stelt vast dat Christus blijvend in de Eucharistie tegenwoordig is, niet alleen maar wanneer zij genuttigd wordt.

Canon 5 heeft het over de uitwerkingen der Eucharistie in de ontvanger: zij zijn méér dan alleen de vergiffenis der (dagelijkse) zonden. In hoofdstuk 2 (DS 1638) was gezegd dat de H. Communie een geestelijke spijs is, waardoor wij leven en versterkt worden, bevrijd worden van dagelijkse zonden en behoed voor doodzonden. Zij is een onderpand (d.w.z. een soort gedeeltelijke vooruitbetaling) van ons eeuwig geluk en een symbool van het ene lichaam, waarvan Christus het hoofd is en wij de ledematen.

Canon 6 constateert dat het sacrament moet worden aanbeden en dat de aanbidding ervan géén "afgoderij" is. Ook dit volgt uit het leerstuk der transsubstantiatie.

Canon 7 wil dat men het sacrament naar de zieken brengt en Canon 8 laat weten dat men het niet alleen "geestelijk" moet "nuttigen" (de zgn. geestelijke communie bestaat hierin, dat men zich alleen in de geest met Christus in de Eucharistie verenigt), maar dat men het ook sacramenteel moet ontvangen, d.w.z. werkelijk, omdat het sacrament de er aan eigen genade schenkt. In hoofdstuk 8 was dit toegelicht en er was aan toegevoegd: "Bij het sacramenteel ontvangen was het altijd de gewoonte in de Kerk van God, dat de leken de communie van de priesters ontvangen, en dat de celebrerende priesters ze aan zichzelf geven, welke gewoonte, als afkomstig van de apostolische overlevering, met recht en rede bewaard moet blijven" (DS 1648).

Canon 9 stelt vast dat alle gelovigen die tot de jaren van onderscheid zijn gekomen minstens eenmaal per jaar, met Pasen, moeten communiceren.

Canon 11 leert dat het geloof niet genoeg is als voorbereiding op de H. Communie en dat als iemand doodzónden heeft bedreven, hij die eerst moet biechten alvorens te communiceren, indien hij tenminste tijdig een biechtvader kan vinden. Dit laatste geldt in hoofdzaak voor de priester, als hij tot het opdragen der H. Mis verplicht is. Wie heeft moeten communiceren zonder doodzonden te kunnen biechten, moet dit daarna zo spoedig mogelijk doen. Het spreekt vanzelf dat hij zijn best heeft moeten doen een zo volmaakt mogelijk berouw te verwekken over zijn zonden. De gelovigen zijn verplicht minstens eenmaal per jaar de H. Communie te ontvangen.

Het Concilie van Trente dringt er ook op aan, dat de gelovigen "niet zonder grote eerbied en heiligheid" tot het sacrament naderen en herinnert aan de woorden van de Apostel: "Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel, omdat hij het lichaam des Heren niet onderscheidt" (1 Cor. II, 29). "Daarom onderzoeke de mens zichzelf" (1 Cor. 11,28; DS 1646).

De leer van Trente over de H. Eucharistie is even helder als voortreffelijk, zelfs het "pastorale" element is daarbij niet vergeten. Het centrum van deze leer is, zoals telkens opnieuw is gebleken, die der transsubstantiatie. Het is vooral deze, die door de huidige modernisten wordt bestreden onder het voorwendsel dat zij een filosofisch begrip is, afkomstig uit de middeleeuwse wijsbegeerte en theologie: dit zou "niet meer van onze tijd" zijn en schatplichtig aan de leer van de oude heiden Aristoteles. Om de laatste reden is zij vanzelfsprekend niet onwaar: Aristoteles was een genie. En een scholas- tieke oorsprong van de Eucharistie-leer kan best een aanbeveling zijn. Maar de Kerk heeft te Trente geen filosofie willen onderwijzen, doch het geloof voorhouden. De ware reden dat de modernisten, wier eigen theorieën zwaar belast zijn met moderne, deels valse en voor niet ingewijden meest onbegrijpelijke filosofie, het wonder der transsubstantiatie niet willen aanvaarden (zoals zij geen enkel wonder willen aanvaarden) is, dat zij niet aannemen dat God in de wereld op bovennatuurlijke wijze werkzaam is en tussenbeide komt, er dingen doet die de krachten van het geschapene geheel te boven gaan.

Om het woord transsubstantiatie niet te gebruiken heeft men twee andere bedacht, die er voor de niet theologisch geschoolde of onderrichte wellicht op lijken: "transfinalisatie" en "transsignificatie": brood en wijn krijgen in het sacrament een ander doel (trans-finalisatie) en een andere betekenis (trans-significatie). Dat de H. Hostie en de kelk met geconsacreerde wijn een ander doel hebben en een andere betekenis dan zij vóór de consecratie hadden spreekt natuurlijk vanzelf, dáárvoor behoeft men de nieuwe woorden niet te gebruiken, dat heeft elke gelovige altijd geweten. Iets dat anders wordt krijgt vanzelf een ander doel en een andere betekenis. Wanneer iemand van een stuk hout een heiligenbeeld maakt, dient het voortaan voor iets heel anders dan tevoren, maar het hout verandert daardoor niet van substantie. Daarom zijn de nieuwe woorden van geen nut en nutteloze ballast, waaronder men zijn ongeloof wil verbergen.

Wij voegen hier nog aan toe, dat Christus gehéél tegenwoordig is onder de gedaante van brood en ook gehéél onder die van wijn, zoals Trente nadrukkelijk heeft verklaard (DS 1641; 1653). In een afzonderlijk decreet over de H. Communie van 16 juli 1562 is dit met nadruk bevestigd met betrekking tot de gedaante van het brood (DS 1733). Daarom is de Communie onder twee gedaanten niet noodzakelijk en kan de Kerk goede redenen hebben haar aan anderen dan de celebrerende priester niet toe te staan. Die goede reden was voornamelijk het gevaar van profanatie van het H. Bloed door het bij de Communie te morsen. Ofschoon heden een ruimer gebruik van de Communie onder twee gedaanten in de Kerk van het Westen is toegestaan, blijft dit gevaar bestaan en de priester moet er terdege rekening mee houden. In de Kerken van het Oosten is de Communie onder twee gedaanten bewaard gebleven. In de Byzantijnse ritus wordt daarvoor door de priester een speciaal lepeltje gebruikt, dat met de inhoud boven de geopende mond van de communicant wordt omgekeerd en regelmatig aanleiding tot morsen geeft. Wie dit, zoals de schrijver dezes, meermalen heeft gezien, begrijpt het verbod van de Kerk van het Westen, dat overigens in haar geschiedenis van vrij late datum is.

De reden waarom de Communie onder één gedaante voldoende is, is dat Jezus' lichaam en bloed nu niet meer gescheiden zijn, maar in zijn verheerlijkt lichaam verenigd. Hoe wij ons dit moeten voorstellen ontgaat ons. Bij de dubbele consecratie komt telkens de hele Christus tegenwoordig en wel de verheerlijkte Christus, die één en ondeelbaar, onsterfelijk is.

Het Heilig Misoffer

De viering van de H. Eucharistie is vanaf de oudste tijden in de Kerk als het aan God aanbieden van een offergave beschouwd en daarmee als een offer. Om te weten wat dit betekent, lijkt het nodig allereerst vast te stellen wat in het algemeen onder "offer" wordt verstaan. Hiermee komt men echter op een netelig en moeilijk begaanbaar terrein, omdat allerlei sacrale handelingen van de volkeren door ons "offers" plegen te worden genoemd, terwijl zij toch voor een deel sterk van elkaar verschillen en men niet kan bevestigen dat ze alle van dezelfde soort zijn en dezelfde of soortgelijke bedoelingen hebben. Het Oude Testament kende in zijn wetgeving verschillende offersoorten, bloedige en onbloedige, zonder dat er één woord, een algemene term, is, die ze alle samenvat, zoals ons woord "offer". Doorgaans wordt er een uiterlijke daad mee bedoeld, waarmee iets wordt aangeboden of toegeheiligd aan God. Dit kon zowel een offerdier zijn als spijs en drank en ook rekenen sommigen het branden van wierook er toe. Wat men aan God aanbood werd geheel of gedeeltelijke verbrand en van het offerdier werd eerst het bloed uitgestort. Het doden van het dier was niet de meest sacrale handeling, maar wel het uitstorten van het bloed aan de voet van het altaar, het strijken ervan aan de vier "horens" (opstaande hoeken) van het altaar en het leggen daarop van de offerstukken, ter verbranding.

Het Nieuwe Testament kent slechts één offer dat met die naam wordt genoemd en dat is het Offer van Christus op het kruis. Het kent slechts één hogepriester van de nieuwe Wet: Christus, die zichzelf aan zijn Vader als Offer heeft opgedragen. Dit wordt, zoals bekend, uitvoerig uiteengezet in de Brief aan de Hebreeën en is daarvan een van de hoofdonderwerpen; zie Hebr. 7-10. In hs. 10, verzen 12, 14 en 18 wordt er de nadruk op gelegd dat Christus zijn Offer (zoen-offer) maar éénmaal heeft opgedragen, waarna er geen ander meer is. Hieruit moet men besluiten dat als de Kerk nog een Eucharistisch Offer kent, dit niet alleen moet samenhangen met dat van het kruis, maar geen ander kan zijn. Wil men dus weten om welke reden en hoe de viering van de Eucharistie een Offer is, dan moet men niet nagaan hoe het beantwoordt aan een eventueel algemeen idee van "offer", maar hoe het samenhangt met het Kruisoffer.

De nauwe band der Eucharistie met het Kruisoffer blijkt al aanstonds uit de instellingswoorden. Brood en wijn worden Christus' lichaam en bloed, gegeven resp. uitgestort voor de apostelen en voor "velen" tot vergiffenis van zonden. Jezus heeft zich hierbij onbloedig aan de Vader aangeboden, verwijzend naar het bloedig Offer op het kruis dat volgen zou. Deze handeling moet bovendien herhaald worden als een "gedachtenis".

In de eredienst van Israël was een "gedachtenis" niet slechts een louter gedenken, d.w.z. in herinnering brengen of komen, maar een luid uitspreken, proclameren van wat moet worden herdacht. Een "herdenking" bij uitstek was het luid uitspreken, zelfs vele malen, van de naam van God: Jahweh, die in Exodus 3, 15 in het Hebreeuws zelfs Gods zeker (=gedachtenis) wordt genoemd. Het talloze malen aanroepen van de naam Allah, dat in vroeger tijd veel door derwisjen is gepraktiseerd, heet in de islam zikr (het Hebreeuwse zeker komt van dezelfde stam en betekent hetzelfde als het Arabische woord). In de tempel te Jerusalem werd oudtijds de Naam van God zo vaak uitgesproken, dat Hij gezegd werd er te "wonen" (Dt. 16, 2.6.11; 1 Kon. 8,28; vgl. vers 27).

In bovengenoemde zin moeten wij het verstaan als Sint Paulus zegt dat het vieren van de Eucharistie het "verkondigen" van de dood des Heren is. Zij roept herinneringen daaraan op (er is een "gedachtenis" van) door de herhaling van de instellingswoorden, gesproken over het brood dat zijn lichaam en de wijn die zijn vergoten bloed betekent. Maar er is meer dan alleen maar "betekent": Jezus zelf is in de Eucharistieviering tegenwoordig, onder de gedaanten van brood en wijn gaan zijn lichaam en bloed schuil. Hij is er tegenwoordig in een toestand waarin Hij zich aan God als Offer opdraagt. Daarmee staat het geheel eigen offerkarakter der viering voldoende vast: Christus, die zich bloedig offerde op het kruis, doet het onbloedig in de Eucharistie.

Het bovenstaande is een menselijke, theologische redenering met de H. Schrift als uitgangspunt, die niet wordt aanvaard door hen die het offerkarakter der H. Mis loochenen. Om bij dit mysterie de zekerheid van het geloof te hebben, willen wij ons nu beroepen op de overlevering van de Kerk en op haar plechtige uitspraken, voor alles op die van Trente, die een definitief karakter dragen. In het Nieuwe Testament kan naast de in de voorgaande bladzijden aangehaalde eucharistische teksten geen andere met zekerheid van het Eucharistisch Offer worden verklaard. Van 1 Cor. 10, 21, waarin St. Paulus spreekt van het "deelhebben aan de tafel des Heren" zegt Trente dat dit vers "op niet duistere wijze suggereert" dat men onder "tafel" het (offer)altaar moet verstaan (DS 1742), maar geheel zeker is deze uitleg niet. Evenmin moet men de vermelding in Hebr. 13, 10, van het "altaar" waarvan de christenen mogen eten maar de joden niet, met zekerheid in letterlijke zin verstaan, ofschoon daar, in het licht van de oude leer der Kerk, veel voor is te voelen.

Het woord "offer" wordt in het Nieuwe Testament ook in oneigenlijke zin gebruikt. Zo zegt de Apostel in Rom. 12, 1 dat de christenen hun lichaam aan God moeten aanbieden "als een heilig offer (thusia) dat aan God behaagt, uw geestelijk eredienst" (ten logiken latreian); vgl. ook Pil. 2, 17 en 4, 18. De laatste drie teksten maken dat er twijfel kan opkomen ten aanzien van de betekenis van "offer" termen, zoals gebruikt in 1 Cor. 10,21; Hebr. 13, 10 en enkele oude christelijke teksten, die men als bewijzen voor het offerkarakter van de viering der Eucharistie pleegt aan te halen.

In de Didache (="leer der 12 apostelen"), een geschrift uit het einde der 1ste eeuw of het eerste deel van de 2de, leest men dat de christenen op zondag samenkomen na hun zonden te hebben beleden omdat hun offer (thusia) rein moet zijn, want er is voorspeld (Malachias 1, 11; 4de eeuw voor Chr. ?) dat op elke plaats aan God een rein offer (thusia) zal worden opgedragen (Did. 14, 1-3). In het licht van latere teksten verstaat men die van de Didache van een Eucharistische Offerviering, maar op zichzelf lijkt de tekst de mogelijkheid open te laten dat hij van geestelijke offers spreekt.

Clemens van Rome zegt ineen rond het jaar 96 aan de christelijke gemeenschap van Corinthe geschreven brief dat de priesters (presbuteroi) offeranden (prosforás) opdragen (Clemens,.1 Cor. 44, 4). St. Ignatius van Antiochië heeft het in zijn brieven, geschreven in het jaar van zijn dood (107), her- haalde malen over de Eucharistie. In die aan de kerk van Philadelphia spreekt hij in dit verband over "één vlees van onze Heer Jezus Christus, één kelk tot eenheid met zijn bloed, één altaar, zoals ook één bisschop met de priesterschap en de diakens" (Ign., Phil. 4). St. Justinus martelaar († rond 165) zegt dat offers die Jezus ons heeft geboden op te dragen, "door de Eucharistie van het brood en de kelk door alle christenen (aan God) worden aangebodeli> (Dialoog, 117, 3). Elders Iaat hij er geen twijfel over bestaan dat wat hij met "het brood" en "de kelk" aanduidt Jezus' lichaam en bloed is.

St. Ireneüs van Lyon schrijft in zijn werk Tegen de ketterijen dat brood en wijn, die het lichaam en bloed van Christus zijn geworden, de offeranden van het Nieuwe Testament zijn, die Jezus zijn apostelen heeft bevolen op te dragen (Boek I, 18, 1; zie ook 17, 5); de offers der Kerk komen in de plaats van die van het Oude Testament, zoals voorspeld was door Malachias.

Clemens van Alexandrië († vóór 215) leert dat het offer van brood en wijn dat Melchisedech heeft opgedragen (oude christelijke verklaring van Gen. 14, 18) een voorafbeelding is geweest van de Eucharistie, die een offerande (prosforá) voor God is (Stromata, Boek I, 25; zie ook I, 19).

Hippolytus van Rome beschrijft in zijn Apostolische Overlevering (geschreven in 215) in het kort de Eucharistische liturgie en noemt haar "de offerande der Kerk". St. Cyprianus van Carthago († 258) noemt de Eucharistie herhaaldelijk een offerande die wordt opgedragen, waarvan die van Melchisedech een voorafbeelding was: Christus droeg hetzelfde op wat Melchisedech opdroeg, nl. zijn vlees en bloed (Brief 63, 4; Patres Lat. I, 38). Hij wijst er op dat wij moeten doen wat Christus heeft gedaan en bevolen, vgl. 1 Cor. 11,25. Er is geen twijfel aan dat bisschop Cyprianus aan de viering der Eucharistie offerkarakter toekende; hij is een onbetwistbaar getuige van deze leer.

St. Ambrosius (339/40-397) laat er geen twijfel over bestaan dat de viering van de H. Eucharistie een Offer is en zijn dopeling en tijdgenoot St. Augustinus (354-430) evenmin. De laatste noemt elke goede daad waarmee de christen God wil dienen "een waar offer" (De Stad Gods, boek X, 6) en daarom moet men goed toezien op wat hij bedoelt wanneer hij daartoe ook de viering van de H. Eucharistie rekent, maar toch laten zijn opvatting en geloof hieromtrent geen twijfel.

Johannes Chrysostomus (geboren tussen 344 en 354, t 407) zegt in zijn welbekende werk over over het priesterschap o.a.: "Als gij de Heer geslachtofferd ziet liggen en de priester vóór het Offer ziet staan en bidden en allen rood worden door (het proeven van) dit kostbaar bloed, denkt gij dan nog dat gij op aarde onder de mensen zijt?" (Boek III, 4). Andere teksten van de heilige zijn niet minder duidelijk. In de zgn. Apostolische Constituties (een werk uit::!: 380, vermoedelijk in Syrië ontstaan en dat voorgeeft leer en voorschriften der apostelen te bevatten) lezen wij, dat Jezus vóór zijn lijden "een geestelijk offer" (thusia) aan de Vader heeft opgedragen en dat de priesters nu hetzelfde doen: zij offeren een zuiver en onbloedig Offer (Boek VIII, 46, 14-15).

Wij laten het bij bovenstaande getuigenissen, waaraan gemakkelijk andere zouden zijn toe te voegen en waarop talloze zouden kunnen volgen uit later tijd. De Traditie van de Kerk is algemeen, evident en ononderbroken en is in het Oosten zo mogelijk nog sterker dan in het Westen, speciaal in de Syrisch sprekende Kerk.

Wij kunnen daarom zonder bezwaar een sprong maken naar de middeleeuwen. In een beroemd artikel van zijn Summa (III, 83,1) zegt St. Thomas van Aquino dat Christus in het sacrament "wordt geslachtofferd", waarbij hij een beroep doet op een getuigenis van Augustinus bij Prosper van Aquitanië († na 455): "Eenmaal heeft Christus zichzelf geslachtofferd en toch wordt Hij elke dag geslachtofferd in het Sacrament". In St. Thomas' tijd (13de eeuw) was het offerkarakter van de H. Mis blijkbaar geen ernstig betwiste zaak en daarom geeft de heilige kerkleraar er geen uitvoerige beschouwingen over. Hij geeft de leer van de Kerk weer en licht die kort toe.

Het Concilie van Trente

Om uitdrukkelijke en uitvoerige uitspraken van de Kerk te vinden, moeten wij bij de algemene Kerkvergadering van Trente (1545-1563) zijn, die op 17 augustus 1562 een dogmatische verklaring Over de leer van het Offer der H. Mis heeft uitgevaardigd (DS 1738-1759), bestaande uit een inleiding, 9 korte hoofdstukken en 9 canones.

De eerste van deze canones luidt: "Indien iemand zegt dat in de Mis aan God niet een waar en eigenlijk (proprium) Offer wordt opgedragen, of dat opgedragen worden niets anders betekent dan dat Christus ons te eten wordt gegeven: hij staat buiten de Kerk" (DS 1751 ). Hierbij sluit canon 3 aan: "Indien iemand zegt dat het Offer der Mis er slechts een van lof en dank is, of alleen maar een herdenking van het op het kruis gebrachte Offer en niet verzoenend (propitiatorium), ofwel dat het alleen aan wie communiceert ten voordeel strekt, en niet moet worden opgedragen voor levenden en doden, voor de zonden, straffen, voldoeningen en andere noodwendigheden: hij staat buiten de Kerk" (DS 1753).

In canon 2 wordt geleerd dat Christus met de woorden: "Doet dit tot Mijn gedachtenis" de apostelen tot priesters heeft aangesteld, opdat zij en andere priesters zijn lichaam en bloed zouden opdragen. (DS 1752)

Samenvattend leert het Concilie van Trente dat de H. Mis een waar Offer is, een Offer in de eigenlijke zin van het woord, een verzoenend Offer. Daarnaast is het ook een Offer van lof en dank en een herdenking van het Kruisoffer (men lette erop dat het Concilie van Trente niet zegt: een herdenking van het Laatste Avondmaal!).

Het wordt opgedragen voor levenden en doden, voor zonden, straffen, voldoeningen en nog meer. Het was nodig dat Trente dit alles -de oude leer van de Kerk -nog eens plechtig vaststelde, omdat het door de hervormers, Luther voorop, werd ontkend en bestreden.

Op het kruis werd door Christus een volkomen genoegdoening voor de zonden van alle mensen aan de Vader aangeboden, omdat de positieve waarde van het lijden van de Godmens ver uitging boven de negatieve betekenis van de zonden der gehele mensheid. Johannes 2, 2: "Hij is de verzoening voor onze zonden, niet alleen voor de onze, maar ook voor die van heel de wereld" (zie ook 1 Joh. 4, 10; Rom. 3,25). Omdat Jezus dit lijden vrijwillig heeft aanvaard, uit eindeloze liefde, droeg Hij er een waar Offer mee op aan God. Hij heeft ons van onze zonden bevrijd, in de zin dat Hij heeft bewerkt dat God ze ons persoonlijk zal vergeven door het doopsel, het berouwen de sacramenten. Dan zijn wij "verzoend met God door de dood van zijn Zoon" (Rom. 5, 10).

Als nu de H. Mis door Trente een "verzoenend Offer" wordt genoemd, is het omdat zij het kruisoffer is. Wat dit betekent wordt nader toegelicht in hoofdstuk 2 (DS 1743): "De Heilige Synode leert dat dit Offer (het Misoffer) waarlijk verzoenend is en bewerkt dat wij, als wij met een oprecht hart en met recht geloof, met schroom en eerbied, met spijt en berouw tot God naderen, barmhartigheid verwerven, genade vinden en tijdige hulp" (Hebr. 4, 16). In de H. Mis wil God de zondaars de genade schenken om te doen wat nodig is opdat hun zonden daadwerkelijk worden vergeven; zo moeten wij haar verzoenend karakter verstaan. Veel theologen voegen hier aan toe dat God, omwille van de vele Heilige Missen die worden opgedragen, aan zondaars zelfs bijzondere genaden schenkt om hen op te wekken tot berouw.

Ook verkrijgt men men door de H. Mis kwijtschelding van straf voor alle vergeven zonden, volgens een maat door God bepaald, en die in overeenstemming is met de gesteltenis van degene(n) voor wie de H. Mis wordt opgedragen.

Dat de hervormers van de 16de eeuw deze leer niet wilden aanvaarden, was allereerst en allermeest een gevolg van hun opvatting over de rechtvaardiging door het geloof alléén. Daarom wilde Luther niets weten van de H. Mis en heeft hij haar heel zijn leven bestreden. Verder wordt het offerkarakter van de H. Mis door iedereen verworpen die niet gelooft dat Christus werkelijk, en wel substantieel, door de consecratie tegenwoordig komt op het altaar; in deze opvatting kan de H. Mis geen Offer zijn en daarvan dus niet de vruchten voortbrengen. Aldus leerde o.a. Zwingli.

De huidige modernisten doen hetzelfde. Ook zij geloven niet in de substantiële tegenwoordigheid van Christus in het Sacrament der H. Eucharistie. Voor hen is deze tegenwoordigheid slechts symbolisch. Nu is een symbool heel wat voor hen, maar toch nooit identiek met het verzinnebeelde. Bij hen allen is de H. Mis tot "avondmaal" geworden (bij de anglicanen: Holy Communion), zelfs een "tafeldienst" en het er bij behorende Eucharistische gebed een "tafelgebed". Hier is het katholieke geloof verloren gegaan.

De reeds aangehaalde canon 2 sluit nauw aan bij de voorgaande. Ook is canon 3 al genoemd. De andere canones (nrs. 4 -9) wijzen verwijten en onjuiste opvattingen van de hervormers van de hand, die de H. Mis smaadden (canon 4), niets wilden weten van HH. Missen opgedragen ter ere van heiligen (canon 5) noch van allerlei gewijde ceremonies ervan en de er bij gebruikte liturgische gewaden (canon 7), of de H. Mis veroordeelden waarbij alleen de priester communiceert ( onder deze categorie vallen alle door Luther verfoeide privé-Missen; canon 8). Die zo spreken worden buiten de Kerk gesloten en hetzelfde is het geval met hen die menen dat de canon van de H. Mis dwalingen bevat ( canon 6) of die het gebruik van de Kerk veroordelen de canon met consecratiewoorden zacht uit te spreken en bovendien menen dat alléén in de volkstaal mag gecelebreerd worden, en er ook geen water in de wijn mag worden gedaan (canon 9). In de laatste canon wordt het gebruik van het Latijn niet verplichtend gesteld en wordt ook niet gezegd dat de canon altijd stil gebeden moet worden. Alleen zij worden veroordeeld en buiten de Kerk geplaatst die verkondigd hebben dat het tegendeel verplicht is.

De uitspraken van het Concilie van Trente zijn duidelijk en ondubbelzinnig. Zij zijn onherroepelijk en hebben een voor altijd geldige waarde. Daarom hebben de latere kerkelijke documenten er zich op beroepen en steeds dezelfde leer verkondigd. Wij noemen de encycliek Mediator Dei van Pius XII (20 november 1947), die over de liturgie handelt; Mysterium Fidei van Paulus VI (3 augustus 1965); het Credo van Paulus VI. En minder plechtige documenten, zoals brieven van Johannes Paulus II, een op Witte Donderdag 1980 aan de bisschoppen gericht en een andere aan het Internationaal Eucharistisch Congres te Lourdes van 1981.

Besluit

In de oude Overlevering van de Kerk wordt de viering van de H. Eucharistie een Offer genoemd, omdat door de consecratie Jezus zelf op het altaar tegenwoordig komt in geofferde toestand (de gescheiden gedaanten, elk met eigen betekenis) en zo aan God wordt opgedragen door de priester. Dat deze laatste daarbij de Persoon van Christus inneemt is duidelijk, omdat hij als zijn instrument Christus op het altaar tegenwoordig brengt, die zichzelf op het kruis als een Offer aan God heeft opgedragen. Zo leert het o.a. Johannes Chrysostomus in de van hem aangehaalde tekst.

In de H. Mis worden de vruchten van het Kruisoffer toegepast op de gelovigen. Aan het kruis heeft Christus voor ons de ( objectieve) verlossing bewerkt. Maar daardoor zijn wij nog niet persoonlijk (subjectief) verlost. Ondanks de volledige voldoening die Jezus zijn Vader heeft aangeboden voor alle zonden der mensen, kunnen deze laatsten nog verloren gaan. Daarom is er meer nodig dan het Kruisoffer alléén: wij moeten persoonlijk Gods genade ontvangen en hiertoe is de H. Mis een machtig middel, naast de andere sacramenten. De H. Mis herinnert ons aan Jezus' kruisdood, zodat het levendiger tot ons doordringt wat God voor ons heeft gedaan. Zij is zelf een Offer, een sacramenteel Offer, niet los van het Kruisoffer en daarmee één. Christus is er in tegenwoordig, wil ons met God verzoenen en zich met ons verenigen. Ook worden de straffen die wij nog voor onze zonden moeten ondergaan er minstens voor een gedeelte door weggenomen. Wij brengen er God de hoogste eer mee. Niet alleen de priester draagt het Offer op, de aanwezige gelovigen doen dit op hun wijze met hem, door er zich mee te verenigen als leden van het mystieke lichaam der Kerk, waarvan Christus het hoofd is.

De Heilige Communie

Communie betekent "gemeenschap". Jezus heeft de H. Eucharistie ingesteld onder de gedaanten van spijs: brood en wijn, opdat wij zo innig mogelijk met Hem in gemeenschap zouden treden. "Neemt en eet. ..drinkt allen hieruit" lezen we in Matt. 26,26 en 27, en bij Johannes: "Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt heeft eeuwig leven" (Joh. 6, 54), maar wie het niet doet zal het niet ontvangen (vers 53). Het nuttigen der Eucharistische gedaanten behoort tot de viering ervan. De H. Communie verenigt ons met Christus, de Zoon van God, die "de Weg, de Waarheid en het Leven" is (Joh. 14,6). "In Hem is het leven en dit leven is het licht der mensen" (Joh. 1,4).

Door Christus onder de gedaanten van brood en wijn ( of een van beide) te ontvangen, verenigen wij ons allereerst uiterlijk met Hem; wij nemen de Eucharistische gedaanten in ons lichaam op. Deze zeer innige uiterlijke gemeenschap is een teken van de innerlijke en werkt deze uit wanneer wij er ons voor openstellen (in staat van genade), en vooral als wij er naar verlangen en ons innerlijk zoveel mogelijk met Christus verenigen. Daarom is de H. Communie een allerhoogste gave waarvoor wij God niet genoeg kunnen danken en die wijn ooit voldoende kunnen waarderen. Zij is een gave "voor het eeuwige leven" en daarom sprak de priester van de Latijnse ritus vroeger, wanneer hij de Communie uitreikte: "Het lichaam van onze Heer Jezus Christus beware uw ziel tot het eeuwige leven". (Dat het tweede deel van deze zin bij de Communie-uitreiking in de Novus Ordo Missae achterwege wordt gelaten is ernstiger dan men op het eerste gezicht zou denken. Noot v.d. red.)

De innigste vereniging met God waartoe wij kunnen komen is die waarin wij Hem van aangezicht tot Aangezicht "zien zoals Hij is)) (1 Joh. 3, 2). Die van de H. Communie is van veel mindere graad, maar loopt er bij wijze van spreken op vooruit en geeft er de vromen en heiligen een voorsmaak van. Daarom wordt zij ook een "onderpand der toekomstige glorie" (futurae gloriae pignus) genoemd, waarbij men "onderpand" niet moet verstaan als teken van zekerheid -want dat is de Communie niet, men kan haar zondig ontvangen of later zondigen - maar als een soort "vooruitbetaling". God, die zichzelf aan ons schenkt in de H. Communie, geeft daarmee te kennen dat Hij het ook zal 'doen in het eeuwige leven.

Omdat de verheerlijkte Christus gehéél tegenwoordig is onder elk der beide gedaanten, is het niet noodzakelijk dat de gelovigen Hem onder die beide gedaanten ontvangen. Een ervan is voldoende. Het Concilie ván Trente heeft het verzoek om: leken en niet celebrerende priesters de Communie onder twee gedaanten uit te reiken, naar de paus verwezen, zonder zelf een beslissing te willen nemen, opdat deze zou besluiten wat hij in deze zaak nuttig zou vinden (DS 1760). Eerder had het algemeen Concilie van Konstanz op 1 september 1421 een soortgelijk verzoek afgewezen, voornamelijk omdat het steunde op de foute opvatting dat Christus onder één gedaante niet geheel tegenwoordig is. Daarna heeft het Concilie van Trente in een speciaal decreet van 16 juli 1562 nog eens uitvoerig verklaard dat voor de Communie der gelovigen een der beide gedaanten voldoende is, omdat Christus er geheel onder tegenwoordig is (DS 1725-1734). Wij moeten in beide decreten een dogmatisch en disciplinair element onderscheiden; het geloof dat er in ligt uitgedrukt kan de Kerk niet veranderen, wel de wetten die daarmee niet in strijd zijn. In de Kerken van het Oosten, ook de met Rome verenigde, is de Communie onder twee gedaanten altijd in zwang geweest, in die van het Westen wordt zij tegenwoordig bij bijzondere, nauwkeurig omschreven, gelegenheden toegestaan.

Terwijl men in de eerste tijden der Kerk de H. Communie veelvuldig ontving, is dit later in onbruik geraakt. Daarom heeft het 4de Concilie van Lateranen in 1215 voorgeschreven dat alle gelovigen minstens met Pasen de H. Communie moeten ontvangen (DS 812). Zij moeten daaraan voorafgaand hebben gebiecht, maar dit voorschrift is slechts van kracht voor hen die doodzonden hebben bedreven. In de Kerken van het Oosten geeft men de H. Communie ook aan de kleinste kinderen, maar in het boven genoemde decreet van 16 juli 1562 heeft het Concilie van Trente verklaard dat dit op geen enkele wijze verplicht is (DS 1730. 1734).

Maaltijd?

Nog één vraag wordt hier besproken vanwege haar actualiteit. Het gaat er om of de H. Communie een maaltijd is, en zo ja, een offermaal. Dat de viering der H. Eucharistie niets méér is dan een gemeenschapsmaal, is in strijd met het geloof De viering is allereerst het opdragen van een Offer aan God.

Maar wat te denken van het tegenwoordig zo beklemtoonde maaltijdkarakter, voor zover dit niet de loochening van een geloofswaarheid inhoudt?

De Kerk noemt de H. Communie soms een "maaltijd". Men denke bijvoorbeeld aan de antifoon O sacrum convivium in quo Christus sumitur, "O, Heilig Gastmaal, waarin Christus wordt genuttigd". Zij spreekt van mensa, d.i. de "tafel" van het altaar: het vlakke bovengedeelte ervan. Toch moeten wij bedenken dat "maaltijd" en "tafel" bij de H. Eucharistie in een bijzondere zin worden gebruikt. De sacramenten zijn uiterlijke tekenen en een echte menselijke maaltijd, teken van een hogere werkelijkheid, is de Eucharistie niet, evenmin als bij v. het slikken van medicijn. Aan een maaltijd moet men zich kunnen verzadigen; met een klein stukje brood of een slokje wijn is dat uitgesloten. Dus is bij de Communie het teken van een echte maaltijd afwezig. Het is een nuttigen waardoor gemeenschap met Christus tot stand wordt gebracht. Daarom noemt de Kerk deze terecht en zeer passend "communie", d.i. (actieve) gemeenschap.

In het protestantisme is de gewoonte opgekomen de viering der Eucharistie "avondmaal" resp. "heilig avondmaal" te noemen, terwijl de anglicanen van "holy communion", "heilige communie" spreken. Anglicanen noch andere protestanten nemen immers aan dat de H. Mis een waar Offer is. Het protestantse "avondmaal" wil allereerst of uitsluitend een herdenking zijn van het Laatste Avondmaal van Christus. Maar volgens de katholieke leer is de H. Eucharistie vóór alles een herdenking - en veel meer dan dat - van het Kruisoffer.

Wij hebben hierboven gezien dat de viering van de H. Eucharistie géén herhaling is van de joodse paasmaaltijd met een christelijke betekenis; zij is door Christus op zulk een paasmaal ingesteld, wat niet hetzelfde is. Christus heeft van twee kleine onderdelen van de paasmaaltijd gebruik gemaakt, terwijl Hij de ritus ervan vermoedelijk heeft gewijzigd, terwijl Hij er een betekenis aan heeft gegeven die volkomen nieuw en uniek was en is. Zeker, het paaslam is door St. Paulus als een voorafbeelding van Christus beschouwd (I Cor. 5,7); het vormde de hoofdschotel bij het paasmaal, maar hoort niet bij de viering van de H. Eucharistie. Dit is ook begrijpelijk: voorafbeeldingen verliezen hun zin wanneer zij vervuld zijn, het beeld wijkt dan voor de werkelijkheid, Christus.

In het Oude Testament was niet aan alle offers, maar slechts aan bepaalde soorten, een offermaaltijd verbonden. De eerste en belangrijkste soort, door ons "brandoffer" genoemd, waarbij het offerdier in zijn geheel op het altaar werd verbrand, werd niet door een maaltijd gevolgd en kon dit ook niet (Lev. 1 ). Het droeg uitsluitend een verzoenend karakter, dat ook bij het Kruisoffer en daardoor bij het H. Misoffer op de voorgrond treedt.

Aan de tweede offersoort, die in de H. Schrift "vrede-offer" heet (Lev. 2), was een maaltijd in het heiligdom verbonden; daarbij werd het offerdier gegeten, waarvan eerst delen op het altaar waren geofferd en verbrand. Door het offer trad men in verbinding met God, de (offer)maaltijd diende om deze gemeenschap te bevestigen. Wanneer Arabieren van de woestijn zich na een vete met elkaar verzoend hebben, volgt een gezamenlijke maaltijd van de beide partijen; dit samen eten en drinken sluit verdere vijandige handelingen uit. Bij de H. Mis komt de innigste gemeenschap met God door de Communie tot stand, die men ook buiten de H. Mis met vrucht kan ontvangen.

Wat nu de paasmaaltijd betreft: deze moet oorspronkelijk een offermaal zijn geweest, maar werd in Jezus' tijd niet meer als zodanig ervaren. Wel moest het lam in de tempel geslacht worden en werd het bloed door een priester vóór het altaar uitgestort, maar van het dier zelf werd niets op het altaar gelegd.

De paasmaaltijd was een familiemaal, waarbij de bevrijding van Israël uit Egypte werd herdacht. Omdat zij geen offerkarakter droeg, is zij na de vernietiging van de tempel in 70 na Christus, waarmee de offerdienst van het Oude Testament ophield te bestaan, bij de joden in ere gebleven en wordt door hen nog altijd op bijzondere wijze gevierd.

Tenslotte moeten wij er nog op wijzen dat de H. Eucharistie door Christus aan zijn Kerk is nagelaten "als een symbool van eenheid en liefde, waardoor Hij alle christenen onder elkaar verenigd en verbonden wil hebben" (Trente, Decreet over de H. Eucharistie, inleiding; DS 1635) en "als een symbool van het ene lichaam waarvan Hij het hoofd is (I Cor. 11,3; Ef. 5,23) en waarmee Hij ons als ledematen door de nauwe band van geloof, hoop en liefde verbonden wilde doen zijn opdat wij allen hetzelfde zouden zeggen en er onder ons geen scheuringen zouden zijn (cf. 1 Cor. 1, 10)". (Decreet..., hoofdst. 2; DS 1638). Deze tekst wordt aangehaald in Mysterium Fidei nr. 40.

Het ontvangen der H. Communie verenigt ons op de eerste plaats met Christus, maar door en in Hem ook met elkaar. Het is niet omgekeerd, zodat de H. Eucharistie ons in een soort gemeenschapsmaal éérst met elkaar zou verenigen. Neen, de viering verenigt ons onderling door Christus. Christus, onze Hogepriester, staat in de brief aan de Hebreeën, "heeft altijd de kracht hen te redden, die door zijn tussenkomst tot God willen naderen, altijd levend om voor hen ten beste te spreken" (Hebr. 7, 25).

Wanneer Christus zich nu in de H. Mis aan God aanbiedt, opdraagt, oefent Hij die functie uit. Daarbij is Hij ook "hoofd van het lichaam, de Kerk" (Kol. 1, 18), ook in de H. Eucharistie. Hieruit volgt dat deze laatste het hoogste en meest verheven teken van de eenheid der gelovigen is, een eenheid in geloof, hoop en liefde. Daarom mogen en kunnen alleen zij er aan deel hebben die hetzelfde geloof bezitten, dat der katholieke Kerk. Dit is echter niet genoeg: zij moeten volgens dat geloof leven in hoop en in liefde, hoop op God en liefde tot God en tot de naaste.

Rond de H. Eucharistie staan allen verenigd zonder onderscheid. Omwille van Christus die voor ons alles heeft gegeven en ons hieraan in het Heilig Misoffer telkens opnieuw herinnert, moeten ook de zijnen, rond Hem geschaard, alles voor elkaar willen zijn. Voorop staat echter onze gemeenschap, eenheid, met Christus. De bijzondere genade van de H. Communie is dan ook het vermeerderen, groter maken, verinnigen van onze vereniging met Hem. Danken wij God voor zijn onuitsprekelijke gave!

Men zou de H. Communie een (symbolisch) "offermaal" kunnen noemen, omdat de nuttiging ervan met het H. Misoffer verbonden is. De uitdrukking is echter misleidend, zoals wij gezien hebben. Ook moet men bedenken dat de H. Mis, zoals het Kruisoffer, allereerst een verzoenend Offer is. Welnu, aan de bij uitstek verzoenende offers van het Oude Testament (de eerste offersoort van Leviticus) was géén offermaaltijd verbonden: het offerdier werd in zijn geheel door de vlammen verteerd. Dit zgn. "brandoffer" was echter vóór alles voorafbeelding en typus van het Kruisoffer.