www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / Schepping en Evolutie

Schepping en Evolutie

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholieke Stemmen, Juli/Augustus 1979, jaargang 8, nr 7/8.

Van verschillende zijden is aandrang op ons tijdschrift uitgeoefend toch iets te schrijven over bovenstaand onderwerp, speciaal over de 'evolutie'. Het laatste is niet gemakkelijk, er liggen voetangels en klemmen en moeilijke vragen zijn er genoeg. Vooreerst: wat bedoelt men met 'de evolutie'? Degenen die hierover graag van katholieke zijde iets willen lezen, zijn zich vaak niet van de precieze draagwijdte van het woord dat zij gebruiken bewust. Want evolutie betekent 'ontwikkeling' en er is 'evolutie' en 'evolutie', alnaargelang de betekenis die men aan het woord hecht. Velen verstaan onder evolutie de theorie (of leer) dat alles in deze wereld door geleidelijke ontwikkeling vanzelf uit een voorafgaand later stadium is ontstaan end at het bestaan ervan ook zo is te verklaren. Een scheppende God is dan niet meer nodig. Dat is een zeer populaire voorstelling, die gelovigen in haar geheel menen te moeten afwijzen en bestrijden, omdat zij weten dat het God is die al het bestaan uit het niet te voorschijn heeft gebracht door zijn scheppende almacht en die verantwoordelijk is voor de orde die wij in de schepping ontwaren. Hij heeft heel bijzonder de mens geschapen en hem een levensdoel gegeven: God dienen en zo het eeuwig leven bereiken. Dat de mens uit het dierenrijk zou stammen, meer in het bijzonder van de apen afkomstig zou zijn, wijst men af als in strijd met het geopenbaarde geloof. In de Verenigde Staten van Amerika bestaat een wetenschappelijk instituut (het z.g. Institute for Creation Research), dat een stroom van publicaties uitgeeft, het scheppingsdogma zonder voorbehoud aanvaart en 'de evolutie' met wetenschappelijke argumenten (of die voorgeven dit te zijn) bestrijdt.

Wij beginnen met op te merken dat in de wereld rondom ons heen voortdurend ontwikkeling plaats vindt op allerlei gebeid. Maar er is ook het tegendeel: achteruitgang, verval, verdwijnen. De dood behoort evenzeer tot het bestaan van ieder levend wezen als het feit dat het is geboren. De sterrenkundigen zeggen dat ons zonnestelsel heel langzaam afkoelt en dat er een tijd moet komen waarin alle leven van deze aardbodem zal zijn verdwenen. De machtige evolutie van het mensdom zal dan in haar tegendeel zijn verkeerd. Men kan uitrekenen na hoe lange tijd dit staat te gebeuren. De lezer zal bemerken dat wij het woord 'evolutie' in verschillende zinnen aan het gebruiken zijn. Zo moeilijk is het, om zich tot één daarvan te beperken.

Teilhard

De invloedrijkste verkondiger van een totale evolutieleer is in onze tijd Teilhard de Chardin geweest. Hij nam niet alleen aan dat de levende dingen zich uit de levenloze hebben ontwikkeld, maar ook dat deze laatste al op een of andere manier 'leven'. Wat wij geest noemen komt voor hem uit de stof voort. De ontwikkeling ('evolutie') naar boven, naar het meer volmaakte, gaat nog steeds door. In de toekomst zullen er andere mensen zijn dan nu, meer volmaakte, tot meer in staat dan wij. Zo zijn wij van het punt Alfa (de eerste letter van het Griekse alfabet) op weg naar het punt Omega (de laatste letter). Wij zijn er nog niet maar de mensheid zal er zeker komen, hieromtrent moeten wij vol optimisme zijn, alles wordt langzamerhand volmaakter en beter.

Het is al een tijd geleden dat de schrijver van deze regels een van Teilhard's meest bekende boeken las. Het zette de totale evolutie van alles uit alles op boeiende wijze uiteen. Het was een 'mooi' boek en juist daarom zo zwak en niet overtuigend. Want de zuiver wetenschappelijke bewijzen voor Teilhard's reconstructie van de geschiedenis van heelal en mens ontbreken; de grote leemten die zijn ontwikkelingsreeks vertoont, vulde Teilhard op met veronderstellingen, waarvoor hij geen bewijzen had. Het was mooi en daarom boeiend, het sprak tot de verbeelding en gaf verklaringen waar deze in de echte, objectieve wetenschap ontbreken. Van de echter natuuronderzoekers zijn er weinig of geen in de ban van Teilhard geraakt, maar zoveel te meer anderen aan wie het wetenschappelijk denken vreemd is. ze vinden Teilhard's 'visie' prachtig en beseffen niet dat als deze 'visie' dat alleen maar is, zij geen wetenschappelijke verklaring geeft. Het 'mooie' in Teilhard's opvattingen, door hem bewust gecultiveerd, is juist het zwakke van zijn systeem. Teilhard heeft vooral gehoor gevonden bij een massa van half intellectuelen. Hij was een ziener, een artiest, een taalvirtuoos, geen man van de wetenschap in de echte zin van het woord. Zijn opvattingen, en vooral de consequenties die men eruit heeft getrokken zijn o.a. fataal gebleken voor het christelijk geloof. Men vraag zich zelfs met recht af, welk het geloof van Teilhard is geweest en of iemand met zijn opvattingen wel een eerlijk katholiek was, of kon zijn.

Met aan te nemen dat alles zich uit alles heeft ontwikkeld hebben wij de wereld nog niet verklaard. Als men het zich zo voorstelt dat het heelal door ontwikkeling steeds volmaakter is geworden en nog altijd wordt moet er immers een begin zijn geweest. Als men aanneemt dat de wereld eeuwig is, zonder begin in de tijd, en zich plotseling is gaan ontwikkelen, staat men voor hetzelfde probleem: verklaar hoe dat alles is begonnen! Moet men een ingrijpen van buiten aanvaarden (in feite God) of kan men het zonder dat stellen? De hypothese van een totale evolutie verklaart in feite niets, want zij weet geen verklaring te geven voor het beginpunt, het startsein.

Wetenschappelijke Hypothesen.

Het geologisch onderzoek der algen van onze aarde waarin de mens kan doordringen, heeft laten zien dat in de loop der duizenden en miljoenen jaren nieuwe en meer volmaakte levensvormen zin ontstaan. Men ontwaart zelfs een opgaande lijn: er kwamen steeds hoger ontwikkelde wezens. Maar deze lijn is niet de enige: er zijn b.v. hoog ontwikkelde en machtige diersoorten verdwenen. Er is op de wereld een afwisseling geweest van klimaten en niet een geleidelijke groei naar de tegenwoordige. IJstijden wisselden af met subtropische en nog warmere seizoenen. Men neemt doorgaans aan dat de ontwikkeling van een aantal 'hogere' planten- en diersoorten uit 'lagere' in de elkaar opvolgende aardlagen is te volgen en zo te bewijzen is. Men stoot echter op een geweldig obstakel: de leer van de stabiliteit der soorten. Het ontstaan van hogere soorten uit lagere is iets dat men niet uit ervaring kent; dat verworven eigenschappen niet erfelijk zijn is een wet die vast lijkt te staan. Maar dan zijn er nog de plotselinge z.g. mutaties, d.w.z. veranderingen die ineens in de erfmassa van een cel kunnen optreden en ten goede of ten kwade kunnen zijn. Ontbreekt in een eerste cel een chromosoom en ontstaat er een mongooltje, dan is het ten kwade. De resultaten die kwekers bereiken, b.v. van planten, zijn (althans voor hen) ten goede. Men kweekt nieuwe planten die bestendig zijn tegen ziekte, koude, hitte, bepaalde weersomstandigheden, bacteriën, enz. Zo zou ook de spontane ontwikkeling van bepaalde diersoorten uit andere moeten worden verklaard: door mutatie ontstaan beter aan hun milieu aangepaste typen, die daarom in de voortplanting meer kansen hadden om te overleven dan andere vormen. Zo verklaart men de stabiliteit der soorten en tevens de mogelijkheid dat nieuwe uit de oude tot ontwikkeling zijn gekomen.

Neemt men het laatste aan, dan blijft het nog voor ons een geheimzinnig proces. Het voorkomen van 'oudere', dat is: minder ontwikkelde, vormen in oudere aardlagen, is het belangrijkste argument dat ervoor pleit. Willen wij verklaren hoe het gebeurd is, dan moeten wij veronderstellingen maken, zoals die der gelukkige en 'geslaagde' mutaties, die zich in.de voortplanting hebben gehandhaafd. Dwingend is deze hypothese niet, zeker niet als men aan de mogelijke inwerking van een factor als God denkt. Zou Hij soms hebben ingegrepen?

Wat betreft het ontstaan van de levende stof uit de levenloze: hier staan wij voor een nog groter geheim. Ondanks alles wat men heeft geprobeerd, heeft men het nog nooit proefondervindelijk kunnen vaststellen. Er zijn in de natuur overgangen tussen de levende en de levenloze stof, zij lijken er althans te zijn. Het zijn de virussen, zeer ingewikkelde organische moleculen, die zich vermenigvuldigen wanneer men ze in contact brengt met een ervoor geëigende levende stof. Een virus, b.v. dat van een plant, vermenigvuldigt zich niet in een dode omgeving, maar wel als men het in aanraking brengt met de daartoe geschikte plant.

Zijn virussen door 'ontwikkeling' uit minder samengestelde organische stoffen ontstaan, of zijn het afvalproducten van het leven? Een zeker antwoord is niet te geven. Men zal er verstandig aan doen niet categorisch te ontkennen dat een levende stof, resp. een levend wezen, zich uit het levenloze ontwikkelen kán, maar zoals de zaken er nu voor staan is het feit dezer ontwikkeling niet alleen nergens vastgesteld, het lijkt ook nog erg onwaarschijnlijk. De theorie van het tegendeel is bij onze huidige kennis bijzonder gewaagd, om geen ander woord te gebruiken. Het als zeker voorstellen dat het wel is gebeurd, zoals Teilhard doet, is reine fantasie.

Oorsprong van de mens.

Dan is er de vraag, waar de mens vandaan komt. Genesis 2 geeft ons het verhaal dat God een menselijke vorm gaf aan een hoop aarde en daarin toen zijn levensadem blies. Dit is een populaire voorstelling van de waarheid dat de mens een heel bijzonder stoffelijk wezen is, anders dan alle ander een dat er in hem wat een Duitse dichter noemde 'ein gottlicher Funken' (een goddelijke vonk) huist. De mens staat tegenover de levenloze en de niet met verstand begaafde levende natuur aan de kant van God. Dat leert Genesis 2,7. De auteur van Gen. 1,26-27 heeft dit later op een volmaakter manier uitgedrukt door te zeggen, dat de mens "geschapen is naar Gods beeldengelijkenis"; er is een overeenkomst tussen God en de mens die er niet is tussendode stof + planten + dieren en de mens. Daarom 'heerst' de mens over deze, zoals ook God doet, d.w.z. hij kan ernaar welgevallen over beschikken (hoewel in beperkte mate, want de mens is niet gelijk aan God).

De evolutionisten denken er anders over. Zij zeggen dat de mens door evolutie uit het dierenrijk is ontstaan. In vroeger tijden zeide men graag dat de mens van de aap afstamt, nu zegt men liever dat hij een zijtak is aan de boom, waaraan, op niet te grote afstand, ook de apen zijn ontstaan. Meer willen de meesten er niet van zeggen. Dan is er nog de vraag, of de mensheid maar één enkele tak aan die oude dierenboom is, of méér dan een (polyphylie) én of het mensdom met één ouderenpaar is begonnen of met een hele groep, die uit het dierenrijk is geëvolueerd (polygenese). De wetenschap, de echte, niet die van Teilhard c.s., kan op deze vragen geen antwoord geven dat met doorslaande bewijzen kan worden gestaafd. Degenen die niet in het bestaan van een Scheppergod geloven zijn wel gedwongen (als zij tenminste iets willen verklaren, wat niet allen willen) om het ontstaan op aarde van de mens door ontwikkeling uit het dierenrijk uit te leggen. Het laatste blijft een hypothese, want niemand is er getuige van geweest. Dit moet men goed bedenken: wie niet gelooft in een persoonlijke God moet vanzelf een of andere vorm van evolutie aanvaarden, als de enige voor hem zinrijke hypothese ter verklaring van het ontstaan van de mens.

Van katholieke zijde is de mening naar voren gebracht dat de mens wel wat zijn lichaam betreft uit het dierenrijk is voortgekomen, maar dat het God is die op zeker ogenblik een dierlijk lichaam bezield heeft met een door Hem speciaal geschapen geestelijke ziel. Deze opvatting wordt door kerkelijke documenten van de laatste tijd niet nadrukkelijk verworpen De encycliek Humani Generis van Pius XII (12.8.1950) bevat de volgende passage: "Het kerkelijk leergezag verbiedt niet dat de leer van het 'evolutionisme', voor zover dit nagaat of het menselijk lichaam is ontstaan uit reeds aanwezige levende stof - dat de zielen door God onmiddellijk worden geschapen leert ons het katholiek geloof - wordt bestudeerd... op het niveau van de huidige profane wetenschap en der theologie. .." (Denz.-S. 3896). Dit is een uiterst voorzichtige formulering, die de pas niet wil afsnijden voor een eventuele positieve uitkomst van het onderzoek.

In 1909 had de Pauselijke Bijbelcommissie verklaard dat men, in de uitleg van de eerste drie hoofdstukken van het boek Genesis, o.a. aan een peculiaris creatio hominis (een speciale schepping van de mens; Denz.-S.3514) moet vasthouden. Hiermee was niet gezegd hoe deze schepping in zijn gang is gegaan. Men kan dus niet zeggen dat de opvatting dat het menselijk lichaam uit het dierenrijk stamt, door het kerkelijk leergezag is afgewezen. Een andere kwestie is, of deze leer een zuivere hypothese is die best niet waar kan zijn, of dat zij op behoorlijk sterke wetenschappelijke grondslagen berust, minstens op grondslagen die een zekere mate van waarschijnlijkheid hebben.

Wie aan geen Scheppergod gelooft, zal gemakkelijk het late verschijnen van de mens op aarde en de opvallende overeenkomsten van zijn lichaam met dat van sommige dieren, gekoppeld aan de vondsten van menselijke beenderen van verschillende vorm uit de oertijd, als voldoende grond beschouwen voor de hypothese, resp. de stelling der evolutie. Wie immers niet in een persoonlijke Scheppergod gelooft, kan er moeilijk omheen in een vorm van evolutie te geloven, wil hij zich tenminste een voorstelling maken van de wijze waarop het menselijke geslacht op aarde verscheen. Niet iedereen zal zeggen: ik weet er niets met zekerheid van, dus denk ik er maar niet over na en maak er mij geen voorstelling van.

Voor wie wel in het bestaan en de activiteit van een Scheppergod gelooft, blijft de vraag hoe het menselijk lichaam is ontstaan een open vraag. Hij moet zeggen dat hij het niet weet, nadat het duidelijk is geworden dat het boek Genesis er een heel populaire voorstelling van geeft en bedoelt er zo een te geven. Geen katholieke exegeet vat deze voorstelling van het geven van een menselijke vorm aan een hoop aarde ('stof') nog letterlijk op.

De thomistische theologie leert dat bij de mens lichaam en ziel een eenheid vormen. Zij zijn geen twee bijeengevoegde afzonderlijke en gescheiden mensdelen. Neen, de ziel maakt óók het lichaam tot wat het is en daarom begint dit bij de dood onmiddellijk tot ontbinding over te gaan. In de tegenwoordige toestand is de ziel zonder het lichaam tot machteloosheid gedoemd. Wie dit aanvaart kan zich niet gemakkelijk voorstellen dat een levend dierenlichaam door ontwikkeling zo volmaakt is geworden, dat het dierenleven (men spreekt ook van 'dierenziel') er door een onsterfelijke en geestelijke mensenziel in kan worden 'vervangen '. Het verschil tussen beide is immers niet gradueel, maar wezenlijk. Wanneer God voor de schepping van de eerste mens een dierenlichaam zou hebben gebruikt, zou Hij dit toch grondig moeten hebben veranderd om er dat van de mens van te maken. Daarom kan ook op redelijke gronden niet worden aanvaard, dat de mens zonder bijzonder goddelijk ingrijpen uit het dierenrijk is voortgekomen. De gelovige moet zich niet laten ontmoedigen of op een dwaalspoor laten brengen als 'bijna iedereen' de evolutie van de mens uit het dierenrijk aanvaardt; voor 'iedereen' die niet in God gelooft is deze opvatting een moeilijk te vermijden hypothese, wil hij er zich een voorstelling van maken, hoe het is gebeurd.

Erfzonde

Met de leer van de oorsprong van het menselijk geslacht hangt in het christendom die van de erfzonde onverbrekelijk samen. Voor wie aanneemt dat het mensdom geleidelijk uit het dierenrijk is voortgekomen, zonder een heel bijzonder ingrijpen van God, zal de erfzonde doorgaans niet bestaan. DaaroL1 verwerpt ook de z.g. Nieuwe Katechismus de traditionele leer der Kerk (door het Concilie van Trente uitdrukkelijk bevestigd) met de woorden: "Wij hoeven niet een bijzondere betekenis toe te kennen aan een 'eerste zonde'. Het gaat er niet voornamelijk om dat de mens heeft gezondigd en is bedorven. Hij zondigt en wordt bedorven". (o.c.p. 309). Voor de auteurs van het boek is de erfzonde "de algemene zondigheid" (p.313) der mensen. Voor andere begrippen zijn andere woorden nodig; daarom spreekt de N.K. van "oorsprongszonde" (p.313) en zet dit woord ook nog tussen aanhalingstekens (l.c.). Zij is, zo luidt het, "geen zonde in de gewone zin van het woord... zij krijgt pas gestalte in onze persoonlijke zonden" (p.313/4). "Zo is de doop ook inwijding tot een levensstrijd tegen de persoonlijke zonden" (p.314), wordt ons dus niet gegeven tot vergiffenis van de erfzonde. Daarom ook heeft de N.K. drogredenen nodig om het doopsel van pasgeboren kinderen te verklaren (p.293-296). Erfzonde en heiliging door de bovennatuurlijke genade in katholieke zin wil het fatale boek niets weten.

Hier tegenover heeft het Concilie van Trente in 1546 onder meer verklaard:

  1. Indien iemand niet belijdt dat de eerste mens Adam de heiligheid en de gerechtigheid waarin hij was geplaatst aanstonds verloor toen hij het gebod van God in het paradijs had overtreden... hij zij anathema ( = in de ban).
  2. Indien iemand volhoudt dat de zonde van Adam alleen hemzelf heeft geschaad, doordat hij de heiligheid en de gerechtigheid die hij van God had ontvangen verloor, en dat hij die alleen voor zichzelf en niet ook voor ons heeft verloren. ..hij zij anathema, omdat hij de Apostel tegenspreekt, die zegt: Door één mens is de zonde in de wereld binnengetreden en door de zonde de dood en zo is de dood op alle mensen overgegaan, in wie allen gezondigd hebben (Rom. 5,12; zie de opmerking die wij dadelijk zullen maken bij de laatste woorden van deze tekst -vdPl.)
  3. Indien iemand zegt dat de zonde van Adam, die één is in haar oorsprong en die op allen is overgegaan door de voortplanting, niet door haar voorbeeld te volgen... op een andere manier wordt weggenomen dan door de verdiensten van onze enige middelaar Jesus Christus... hij zij anathema.
  4. (In deze canon wordt de noodzakelijkheid van de kinderdoop ter vergiffenis van de van Adam geërfde erfzonde bevestigd en het anathema uitgesproken tegen hen die dit ontkennen).

Naar aanleiding van "in wie allen gezondigd hebben", waaronder men de zonde verstaat die wij 'in Adam' hebben bedreven, moet worden opgemerkt dat de Griekse tekst van de Apostel beter kan worden vertaald met "omdat allen gezondigd hebben" (Rom. 5,12). Dit 'omdat' slaat echter allereerst op de zonde van Adam, want in het volgende vers zegt St. Paulus dat de dood, de straf voor de zonden, ook hen treft die niet naar het voorbeeld van Adam gezondigd hebben (vs. 14). De beroemde uitdrukking dat wij allen 'in Adam' hebben gezondigd is wel waar, maar niet naar de letter afkomstig van St. Paulus in Rom. 5,12.

Het wezenlijke in de leer der erfzonde is, dat zij één is in oorsprong. Dáárdoor is zij immers aan allen eigen. Hierop heeft Pius XII gewezen in zijn reeds genoemde encycliek Humani Generis (1950). Daarin wordt het polygenisme (de leer van een meervoudige afstamming van het menselijk geslacht ) een mening genoemd die de gelovigen niet kunnen aanvaarden "omdat niet duidelijk is (cum nequaquam appareat) hoe deze opvatting kan samengaan met wat de bronnen der geopenbaarde waarheid en de uitspraken van het Leergezag der Kerk omtrent de erfzonde, welke uit een werkelijk door Adam bedreven zonde voortkomt, door voortplanting op allen overgaat en ieder persoonlijk eigen is" (Denz.-S.3897).

Pius XII drukt zich in het bovenstaande uitermate voorzichtig en zelfs omzichtig uit: "de Christenen mogen de stelling van het polygenisme niet aanvaarden... omdat niet duidelijk is (wij cursiveren) dat...". Er staat niet: omdat het polygenisme in strijd is met het geloof. Niet lang na het laatste Concilie is te Rome een internationale bijeenkomst van theologen gehouden ter bespreking van de leer der erfzonde en de ermee samenhangende vraagstukken. Paulus VI heeft tot hen een toespraak gehouden en eraan herinnerd dat de bekende kerkelijke leer omtrent de erfzonde niet mag worden ontkend. De auteurs van de N.K. hebben zich hiervan enkele jaren later niets aangetrokken. De akten van de Romeinse bijeenkomst zijn, voor zover mij bekend, niet gepubliceerd.

Theologen, die trouw willen zijn aan de leer der Kerk, hebben de mening geopperd dat als de mensheid begonnen is met een groep en deze groep een gezamenlijke zonde heeft bedreven, de erfzondeleer der Kerk hiermee niet in strijd is. Maar welk nut heeft het zulk een veronderstelling voor te dragen? Niemand onzer is er bij geweest en voor God maakt het geen verschil de mensheid met één paar of met een groep te beginnen. In de veronderstelling dat de verschillende mensenrassen verschillende oorsprongen hebben (polyphylie) zou men strikt genomen kunnen zeggen dat aan het begin van elk dezer rassen de (een) erfzonde heeft gestaan. Gehéél onmogelijk is dit natuurlijk niet, maar het lijkt wel uiterst onwaarschijnlijk.

Wij besluiten dat tot nu toe geen vaststaand en duidelijk resultaat van het wetenschappelijk onderzoek, dat zich bezig houdt met de oorsprong van het menselijk geslacht, in strijd komt met de leer der Kerk over de erfzonde en der ermee samenhangende eenheid van het menselijk geslacht. Deze conclusie geldt voor ons, gelovigen. Wie niet gelooft dat er een Scheppergod bestaat denkt er natuurlijk anders over, we zagen het reeds. Voor hem heeft de katholieke en christelijke leer der erfzonde ook geen andere zin dan die van een heeloude en nu afgedane verklaring van de algemene zondigheid van het mensdom.

Het wezen der Erfzonde

Wij willen hier nog een enkel woord toevoegen over het wezen der erfzonde, in zover deze aan ons allen eigen is en wij ermee worden geboren. Hierover bestaan allerlei opvattingen, in en buiten de katholieke Kerk, genoeg om er een boek over te schrijven, zelfs meer dan een. Onlangs was schrijver dezes in een gezelschap, waar het woord 'erfzonde' viel. Een katholieke doctorandus, geen priester, riep toen uit: "Met de erfzonde heb ik niets te maken!" Nieuw soort katholicisme. Ondanks zijn Nijmeegse studies had de man niet het flauwste begrip van wat de erfzonde is, waarmee hij wel degelijk 'te maken' had, al loochende hij het.

De uitdrukking 'erfzonde' is een traditionele, beter zou men van 'erfschuld' kunnen spreken. Onder 'zonde' verstaan wij doorgaans een fout die wijzelf hebben gemaakt, een persoonlijke zonde dus. Dat is de erfzonde niet: ik heb die niet persoonlijk bedreven en ben er dus niet persoonlijk verantwoordelijk voor. Daarom is het begrip 'zonde', op de erfschuld toegepast, een heel ander dan dat van een persoonlijke zonde: doodzonde of dagelijkse zonde.

De erfzonde is een 'zonde' der menselijke natuur en op deze manier hebben wij er allen deel aan. De paradijselijke staat van heiligende genade, waarin God de eerste mens had geplaatst en die ook voor zijn nageslacht bestemd was, heeft hij door zijn persoonlijke schuldverloren. Daarmee verloor hij ze voor ons allen en met deze 'natuurschuld' worden wij geboren. Een edelman, die een misdrijf bedreef tegen zijn vorst kon daardoor zijn bezittingen en zijn adeldom verliezen. Zijn kinderen werden arm geboren en waren geen edellieden meer. Hiermee moet men de erfzonde vergelijken. Wij worden allen geboren in een toestand waarin Adam zich zou hebben bevonden, wanneer hij niet van het begin af door God op een bijzondere manier begenadigd was geweest. Dit houdt de sterfelijkheid in en de neiging tot zondigen (waarin de erfzonde niet bestaat; maar die er een gevolg van is).

Door het doopsel worden deze gevolgen der erfzonde niet weggenomen, maai wel krijgen wijde heiligende genáde, waardoor wij kinderen van God worden, zoals de eerste mensen waren. Dit is een oude leer van de hele Kerk, ook daar waar het woord 'erfzonde' onbekend is, zoals in de niet met ons verenigde kerken van het Oosten. Zo zegt in een der west-syrische riten van het doopsel de priester dat de dopeling "de glorie van het huis van Adam" heeft hervonden. Wat de mens aan oorspronkelijke heerlijkheid door de schuld van de eerste mens miste, krijgt hij door de doopgenade terug. De 'heerlijkheid van kind van God te zijn bestemd voor een eeuwig geluk bij God, wordt hem teruggeschonken. In deze opvatting kan er ook geen twijfel zijn aan de betekenis van de kinderdoop. Als de 'Nieuwe Katechismus' er moeilijkheden mee heeft, komt dit doordat de auteurs van deze bijzonder slechte gids 'moeilijkheden ' hebben met de grondslagen van het katholieke geloof.

Scheppen

Nog een enkel woord over de schepping. Populair zegt men wel dat 'scheppen' is: iets maken uit niets, wat God alleen kan. Zo is het niet, want strikt gesproken kan zelfs God uit niets niet 'iets' maken. "Uit niets komt niets voort" is een oude waarheid. De mens maakt altijd iets uit iets anders. Hij kapt een stuk marmer uit een groeve en Michel Angelo maakte daaruit zijn beroemde Pieta. Omdat wij altijd iets maken uit iets anders, beperkt de hoedanigheid der stof ook onze mogelijkheden: uit het stuk marmer kon zelfs een Leonardo da Vinci geen vliegmachine te voorschijn toveren. God heeft deze beperking niet, Hij kent er geen enkele. Als Hij schept, brengt Hij het hele wezen en het zijn voort van iets dat er tevoren niet was. Daarom heet in correcte theologentaal scheppen: het voortbrengen van het gehele zijn, zonder dat er tevoren iets was. Dat kan God alleen.

In het Oude Testament kende men het door ons boven gemaakte onderscheid nog niet, althans nog niet uitdrukkelijk. Wanneer God iets nieuws maakte zoals alleen Hij kan doen, noemde men dit 'scheppen' (in het hebreeuws bara', alleen voor goddelijk 'iets nieuws maken' gebruikt). Daarom is het duidelijk dat in het eerste vers van het boek Genesis van de schepping van de wereld in strikte zin wordt gesproken: tevoren was er immers niets. Men heeft wel geprobeerd de eerste uitspraak van de H. Schrift op een andere manier te vertalen dan de vanouds gebruikelijke, om daarin de mogelijkheid open te houden dat de wereld al bestond toen God begon te scheppen. Deze poging moet echter als niet geslaagd (onwaarschijnlijk en taalkundig gewrongen) van de hand worden gewezen; zij doet trouwens niets af aan het kerkelijk scheppingsgeloof.

Volgens het katholiek geloof heeft de schepping een begin gehad, dat samenviel met het begin van de tijd. Vaticanum I heeft het in zijn dogmatische Constitutie over het Geloof nog eens uitdrukkelijk bevestigd met woorden van Lateranum IV (1215; zie Denz.-S.3002; 800). St. Thomas van Aquino was van mening dat wij alléén door het geloof weten dat de schepping een begin heeft gehad; hij sluit dus niet uit dat God heeft kunnen scheppen zonder begin in de tijd (Pars la, Qu.46, art.2). Door het geloof weten wij dat dit niet is gebeurd; St. Thomas beroept zich hiervoor op Gen. 1,1: "In den beginne schiep God hemel en aarde", een uitspraak der H.Schrift die te allen tijde heeft gegolden als een geloofsbelijdenis.

De 'Nieuwe Katechismus' voelt niet veel voor de kerkelijke leer van de schepping in het begin van de tijd. De invloed van Teilhard is hier onmiskenbaar. We lezen er "dat de schepping zelf een werkelijkheid is die stuwt van lager naar hoger" (p. 449; opvatting van Teilhard en Schoonenberg) en elders "dat niet het begin, maar het verloop en de voleinding de echte verklaring (van onze wereld) bevatten" (p. 309). Daarom, aldus het boek: "Beter dan te zeggen: God hééft geschapen, is het te zeggen: God schept" (l.c.). Néén dat is niet beter, maar fout! Hier komt een vals Godsbegrip om de hoek gluren, dat der modemisten, dat volgens Pius X (Pascendi) neigt naar het pantheïsme of ermee samenvalt (zie ook p. 586, 2de alinea, waar de schepping van de wereld en de voortkomst van het eeuwige Woord op één lijn worden gesteld). Wanneer God 'altijd schept' en dit een betere uitdrukking zou zijn dan 'Hij heeft geschapen' kan men dit laatste ook wel buiten beschouwing laten en daarmee verdwijnt dan een fundamenteel leerstuk van het joodse en christelijke geloof. We zijn dan op weg om pantheïst te worden (monist zegt men ook wel) als we het al niet zijn en dan wordt natuurlijk de mens het centrum van al wat is. De juiste katholieke opvatting is, dat God de wereld in het zijn behoudt, een werkelijkheid die Gods almacht evenzeer vereist als zijn scheppingsmacht en er als het ware het verlengstuk van is. Daarom is zij wel 'een voortdurende schepping' genoemd, die echter als haar fundament de schepping in het begin van de tijd veronderstelt. De wijze schrijver van Wijsheid van Salomon zegt tot God: "Hoe zou iets kunnen blijven, als Gij het niet wilde, hoe zou stand kunnen houden wat door U niet is geroepen? " (tot het bestaan; Wijsh. 6,25).

Schepping en Evolutie

De Katholieke Kerk belijdt dat God alles "in het begin van de tijd" heeft geschapen (dus met de tijd) en dat zijn almacht alles behoudt. Dat er een evolutie van lagere naar hogere wezensheeft plaats gehad is met het geloof niet in strijd, wel dat de mens door deze evolutie zonder een bijzonder ingrijpen van God vanzelf uit het dierenrijk is voortgekomen. Dat 'de Evolutie' totaal is geweest, valt niet te bewijzen en zeker niet dat uit de dode stof door natuurlijke ontwikkeling het leven is voortgekomen. Hoe de (eventuele) evolutie in zijn werk is gegaan, weten wij niet; voor een verklaring zijn wij aangewezen op hypothesen. Een veronderstelling die de Christen mag maken, is dat God meermalen heeft ingegrepen en welonmiddellijk. Maar ook dit is een hypothese.

De ouderdom van wereld en mensheid en de Heilige Schrift

Tenslotte nog een enkel woord over sommige gegevens der H.Schrift van het Oude Testament. Uit dit geïnspireerde document der Openbaring heeft men heel lang gemeend te kunnen opmaken hoe oud de wereld ongeveer is. Vrome Joden hebben dit gedaan door in plaats van de christelijke jaartelling een eigen, joodse, in te voeren, volgens welke wij nu in het Jaar der Schepping 5939 leven. Ook de christenen hebben het jaar der schepping uitgerekend en vermelden het zo nu en dan in de liturgie. Men telt perioden op die in het Oude Testament worden vermeld en elkander opvolgen. Omdat niet overal even duidelijk is hoe zij bij elkaar aansluiten, en hoe men moet tellen, komt men tot van elkaar afwijkende resultaten. Maar de afwijking is het grootst wanneer men ze vergelijkt met de enorme getallen die door de huidige wetenschappen worden opgegeven. Er zijn nog steeds z.g. 'fundamentalisten' die de bijbelse getallen letterlijk verstaan en het als een geloofszaak beschouwen daaraan vast te houden: de wereld is geschapen in zes dagen gelijk aan de onze en het zesdagenwerk heeft ongeveer 6.000 jaar geleden plaatsgehad. Zij twijfelen hieraan niet, want 'de Bijbel' zegt het en wat daarin staat is onfeilbaar waar. Gods woord heeft gelijk, tégen de menselijke wetenschap.Dat laatste belijden ook wij, maar het is de vraag of het van toepassing is op de kwestie van de ouderdom der wereld en der schepping van de mens.

Oude Vaders als St. Augustinus hebben al heel goed begrepen dat God ons de H.Schrift heeft gegeven om, heel globaal gesproken, ons te onderrichten over Hemzelf, onze verhouding tot Hem, het doel van ons leven en de middelen om dit doel te bereiken. Daarbij is het wel van belang voor ons te weten dat de wereld en wijzelf door Hem zijn geschapen, maar het is van geen betekenis ook nog te weten, hoe lang geleden dit precies is gebeurd.

Om toch te kunnen verklaren waarom er zoveel in de H.Schrift is opgetekend dat met het boven uiteengezette doel, waarmee God haar heeft geïnspireerd, niets te maken schijnt te hebben, nam men heel vroeg zijn toevlucht tot de z.g. allegorische exegese. De woorden der H. Schrift, zo dacht men, moeten nog een andere betekenis hebben dan op het eerste gezicht het geval lijkt te zijn, een veel hogere, betrekking hebbend op God en ons heil. Zo zag men in het getal der 318 mannen, met wie Abraham zijn neef Lot en diens have bevrijdde, een aanduiding van Jesus Christus, de ware verlosser der mensen, omdat van de drie griekse letters waarmee het getal 318 kan worden geschreven (tau, jota, chi) de eerste de vorm van een kruis heeft en de twee laatste de beginletters zijn van Iesous Christos. Augustinus zag in de woorden waarmee Jacob zijn oude vader Isaac zo deerlijk misleidde (Gen. 27,18-24) "geen leugen, maar een geheim". Door een bijzonder gezochte berekening meende hij de kerkgangers van Hippo duidelijk te kunnen maken, dat de 153 vissen die bij de wonderbare visvangst na de verrijzenis van Jesus door de apostelen werden gevangen (Joan. 21,11) de volheid van de geredden van oud en Nieuw Testament betekenen.

De allegorische uitlegmethode, zoals boven beschreven, heeft in de jaren onmiddellijk na de 2de wereldoorlog een korte tijd van nieuwe bloei gekend, maar deze heeft niet lang geduurd. Zij is niet aanvaard als algemene uitlegmethode. Het conflict tussen geloof en wetenschap dat de bijbelse gegevens omtrent de ouderdom van aarde en mens schijnen op te leveren, lossen wij liever op door erop te wijzen, dat de H.Schrift ons met deze gegevens geen geloofswaarheden wil voorhouden, zodat zij het ook niet zijn. In plaats van ze door allegorese te verklaren zeggen wij liever dat de gewijde schrijvers oude volksoverleveringen hebben bewaard en die hebben gegeven voor wat ze waard zijn. Zij gebruikten ze zoals de mensen van hun tijd dat deden. Dit betekent geen relativering van de H. Schrift maar een trachten door te dringen tot wat God er ons in te geloven voorhoudt, feiten die zich hebben voorgedaan inbegrepen.

Al in de oudste tijden heeft men zich vrijheid veroorloofd met betrekking tot getallen in de H. Schrift. Als men uit Gen. 5 en 7,6 wil opmaken in welk jaar na de schepping van Adam de zondvloed over de wereld kwam, komt men volgens de telling der tegenwoordige hebreeuwse bijbels tot het jaar 1656; de hebreeuwse tekst die tot op vandaag bij de Samaritanen bewaard is gebleven brengt het maar tot 1307, terwijl men volgens de Griekse vertaling der Septuaginta (3de eeuw v.Chr.) tot 2242 komt. Volgens de Griekse telling hebben de vader en de overgrootvader van Noë de zondvloed enkele jaren overleefd, wat niet klopt met het zondvloedverhaal. Het is duidelijk dat men zich al in de oude tijd vrijheid veroorloofde tegenover deze en andere cijfers, want eenvoudig tekstbederf lijkt de oorzaak van de verschillen niet te zijn.

Wij besluiten met te zeggen dat de z.g. bijbelse tijdrekening geen zaak is, die met het katholiek geloof te maken heeft; wij begrijpen echter dat vooral gelovige protestanten er moeilijkheden mee kunnen hebben. Een katholiek kan zich in deze zaken tot het leergezag der Kerk richten, een protestant is aangewezen op eigen oordeel. Wij willen niet aannemen dat er voldoende redenen zijn om de vrij eensluidende conclusies der moderne wetenschap omtrent een zeer hoge ouderdom van de aarde en een hoge van de mens ernstig in twijfel te trekken. Omdat wij echter op dit gebied niet deskundig zijn, onthouden wij ons van een verder oordeel, weten echter dat hier allerlei vergissingen zijn gemaakt, zelfs bedrog is gepleegd. Maar dit geeft ons geen voldoende aanleiding tot een volstrekt wantrouwen. Wij herinneren nog aan twee uitspraken van de Apostel en besluiten daarmee: " Alles wat vroeger geschreven is, is tot onze onderrichting geschreven, opdat wij door het geduld en door de vertroosting der Schriften in hoop zouden leven" (Rom. 15,4) en: "De hele Schrift is door God ingegeven en is nuttig tot onderrichting, weerlegging, terechtwijzing en opvoeding in de gerechtigheid, opdat de man Gods volmaakt zou zijn, toegerust tot elk goed werk" (2 Tim. 3,16-17). Dáár gaat het om, niet om het bevredigen van onze nieuwsgierigheid in zaken wier kennis voor onsheil in het geheel niet nodig is.