www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / "Uit het lege graf de Verrezene tegemoet"

"Uit het lege graf de Verrezene tegemoet"

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Maandblad - 1e JAARGANG - No. 4 - APRIL 1989

Op woensdag 1 Februari van dit jaar heeft Paus Joannes Paulus II een toespraak gehouden, waaraan wij het volgende ontlenen. De tekst is uit de Osservatore Romano (daguitgave) van 2.2.'89, de vertaling is van ons. "De geloofsbelijdenis, die wij in het Credo afleggen wanneer wij luid zeggen, dat Jesus Christus 'op de derde dag is verrezen uit de dood', steunt op de teksten van de evangeliŽn, die ons op hun beurt de eerste prediking van de Apostelen doorgeven en Ieren kennen. Uit deze bronnen blijkt dat het geloof in de verrijzenis vanaf het begin een overtuiging is die steunt op een feit, op een werkelijk feit en geen mythe is of een 'opvatting', een idee, die door de Apostelen is uitgevonden of voortgebracht door de (christelijke) gemeenschap uit de tijd, die op Pasen is gevolgd en die ontstaan is rond de Apostelen te Jerusalem om samen het gevoel van ontgoocheling te boven te komen, dat gevolgd was op de dood van Christus aan het Kruis. Uit de teksten blijkt het tegendeel; om die reden is, zoals ik heb gezegd, deze geopperde mening zowel kritisch als geschiedkundig onhoudbaar.

'De Apostelen en de leerlingen hebben de verrijzenis niet uitgevonden' (en het is gemakkelijk te begrijpen dat zij tot zoiets in het geheel niet in staat waren). Er is geen enkel spoor van overspannenheid van personen of van een groep, die hen ertoe zou hebben gebracht een gebeurtenis aan te nemen, door hen verlangd en verwacht, om die als werkelijk gebeurd te projecteren in de opvattingen en het geloof van een gemeenschap, als het ware als een contrast en als compensatie voor de doorstane ontgoocheling.

Er is geen enkel spoor van een scheppende gedachtegang in de zielkundig-sociaal-letterkundige orde, noch bij de oergemeenschap, noch bij de schrijvers van de eerste eeuwen. De Apostelen hebben als eersten geloofd, niet zonder sterke (innerlijke) tegenstand, dat Christus was verrezen, omdat de verrijzenis door hen was beleefd als een werkelijk feit, waarvan zij zich persoonlijk hadden kunnen overtuigen doordat zij verschillende malen, inde loop van veertig dagen, Christus hadden ontmoet, die weer leefde. De christelijke geslachten, die hierop zijn gevolgd, hebben dit getuigenis aanvaard, in vertrouwen op de apostelen en de andere leerlingen, als geloofwaardige getuigen. Daarom is het christelijk geloof in de verrijzenis gebonden aan een feit, dat een nauwkeurig omschreven geschiedkundige dimensie heeft.

"2. De verrijzenis is evenwel een waarheid, die in haar diepste dimensie tot de goddelijke openbaring behoort: zij is immers geleidelijk door Christus voorspeld in de loop van zijn messiaanse activiteit in de tijd die aan Pasen voorafging. Jesus heeft meermalen uitdrukkelijk voorspeld, dat Hij zou verrijzen, na veel te hebben geleden en te zijn gedood. (De Paus verwijst hierna naar Mc. 8, 31-32; 9, 9.11.12; 10, 33-34, teksten die hij uitvoerig aanhaalt en bespreekt.)

3. Wij hebben hierin een profetisch vooruitzien en voorspellen van gebeurtenissen, waarin Jesus zijn functie van Openbaarder uitoefent en de dood en de verrijzenis samenvat in hun verlossend doelÖ".

Wij laten het hierbij. De toespraak van de H. Vader is nog veellanger, maar bevat niets anders, niet meer en niet minder, dan de overgeleverde leer der Kerk, terwijl hij het historisch karakter van al wat de evangelisten over de verrijzenis van Christus hebben verhaald, met nadruk bevestigt. De Paus heeft in deze woorden, als opperste leermeester van de Kerk, de vele theorieŽn van de modernisten tegengesproken, die zowel het feit van de verrijzenis van Christus op de derde dag, als het geschiedkundig karakter van de evangelieverhalen, die dit vermelden, ontkennen. Wij hoeven hier geen namen te noemen, ook niet die van "theologen" in ons land; ze zijn al te bekend en zij hebben hun opvattingen niet alleen van het katheders en in hun boeken, maar, bij wijze van spreken, zelfs van de daken verkondigd.

Tot het leerstuk van de verrijzenis behoort wezenlijk dat van de lichamelijke verrijzenis van Jesus; Jesus' dode lichaam is in het graf niet vergaan, maar daaruit levend opgestaan, niet meer zoals het vroeger was, maar verheerlijkt. Dit geloven: wij en dit maakt onze paasvreugde uit. Want wij hebben er de zekerheid door dat ons geloof niet ijdel is, dat, wat wij geloven, wŠŠr is en dat, wanneer wij volgens dit geloof in hoop en liefde leven, het eeuwige leven ons wacht. "Als Christus niet verrezen is", schreef St. Paulus aan de gemeenschap van Corinthe, "dan heeft onze prediking geen zin, dan heeft ook uw geloof geen zin, dan is het duidelijk dat wij valse getuigen van God zijn, omdat wij volgens God hebben getuigd dat Hij Christus heeft doen opstaan" (1 Cor. 15, 14-15). Dit geloven en belijden is de bron en oorzaak van onze paasvreugde, van heel onze vreugde Christen te zijn en lidmaat van de Kerk, die de Verrezene heeft gesticht: de ene, heilige, katholieke en apostolische, waarin en waardoor Hij ons tot het eeuwige leven wil geleiden.