www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / Naastenliefde en medemenselijkheid

Naastenliefde en medemenselijkheid

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Maandblad - 1e JAARGANG - No. 2 - FEBRUARI 1989

Toen Jezus te Jerusalem, in de laatste dagen of weken van zijn sterfelijk leven, FarizeeŽn en SadduceeŽn, die hem strikvragen hadden gesteld, tot zwijgen had gebracht (Mt. 22, 15-33), stelde een wetgeleerde Hem een vraag, die hij voor moeilijk hield. "Meester -zei hij -"wat is in de Wet het grootste gebod?" (Mt. 22, 36; Mc. 12, 28). De wetgeleerden telden in de vijf boeken der Wet van Mozes 248 positieve en 365 negatieve geboden, evenveel als (volgens hen) het lichaam ledematen heeft en er dagen in het jaar zijn, samen 613. Daarin onderscheidden zij weer lichte en zware geboden, terwijl zij van mening verschilden, over de vraag welke geboden tot welke soort moeten worden gerekend. Maar men was het er vrijwel over eens, dat zware of grote verboden resp. geboden, in elk geval waren: afgoderij, ontucht, moord, ontheiliging van de Naam (van God), heiliging van de sabbat, belastering van de naaste, de plicht om de Wet te bestuderen en om de gevangenen te bevrijden . Zij waren het echter niet over het antwoord op deze vraag eens, welke van deze geboden en verboden het "grootste" of het belangrijkste was.

Jesus koos geen partij in deze typisch rabbijnse meningsverschillen. Zijn antwoord ging daarboven uit en Hij sprak: "Gij zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, en met heel uw ziel, en met heel uw verstand. Dit is het grootste en eerste gebod. Het tweede, daarop gelijkend: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee hangt heel de Wet en de Profeten" (Mt. 22, 37-40; zie Mc. 12, 29-31 en ook Luc. 10, 27). Het gebod van de liefde tot God is ontleend aan Dt. 6, 5, dat van de liefde tot de naaste aan Lev. 19, 19; het eerste komt voor in een der toespraken van Mozes die aan de wetten van Deuteronomium voorafgaan, het tweede maakt deel uit van een reeks voorschriften die aan de Tien Geboden herinneren.

Dat de IsraŽliet God moest liefhebben, betekende dat hij Hem boven alles moest stellen, voor Hem ijveren en liever alles willen lijden dan zijn geboden niet volbrengen. Wij drukken dit uit door te zeggen dat God ons hoogste goed is en dat wij dienovereenkomstig moeten handelen. De verhouding van God tot zijn volk werd ook wel als een liefdesverhouding voorgesteld, als die van een man tot zijn geliefde of vrouw. Afgoderij of dienst aan vreemde goden heette daarom wel "overspel" of "prostitutie".

Dat God zijn volk IsraŽl liefheeft, wordt in het Oude Testament vele malen gezegd; dat het volk ook zijn God moet liefhebben volgde hieruit, ook voor de afzonderlijke IsraŽliet. Maar een "gebod", zoals de andere geboden, is dat der liefde niet, het gaat daar bovenuit. Van de andere geboden en verboden trachtte men precies te bepalen wat eronder viel. Bij de liefde, die geen grenzen heeft, kan dit niet. Daardoor kreeg Jezus' antwoord een bijzondere betekenis. De Wet wordt erdoor in de schaduw gesteld, zij "hangt eraan", zoals Jezus het toelichtte.

Ofschoon men de Meester niet gevraagd had wat het "tweede" gebod was, voegde Hij het er toch aan toe; het is het gebod der naastenliefde. Het is bekend, dat het voor veel joodse tijdgenoten van Jezus een probleem was wie zij als de "naaste" můesten beschouwen. Een wetgeleerde had het Jezus eens gevraagd (Luc. 10, 29) en Hij had die vraag beantwoord met de parabel van de barmhartige Samaritaan. Daaruit volgde dat de naastenliefde geen grenzen van volk of ras kent; zij strekt zich uit tot alle mensen.

Wat Jezus het eerste en hef tweede gebod noemt vindt men in de eerste drie evangeliŽn, maar alleen in dat van Mattheus staat dat het gebod der naastenliefde "gelijkend" is op dat der liefde tot God. Marcus 12, 31 (volgens de beste lezing van de tekst) spreekt allťťn van een "tweede gebod".

In Luc. 10, 27 wordt het gebod der naastenliefde zelfs niet het tweede genoemd. Dat het tweede gebod aan het eerste "gelijk" is, zoals men het in onze vertalingen meestal leest, is niet zonder moeilijkheid. God is oneindig veel groter dan de naaste, en daarom is het gebod Hem boven alles te beminnen ook veel groter, dat is duidelijk. Daarom heeft "gelijk" hier de betekenis van "gelijkend". Ook sluit het "tweede gebod" nauw aan bij het eerste en vormt het daarmee een onafscheidelijk geheel. In de eerste brief van Joannes wordt daarop sterk gewezen. Wij lezen er zelfs: "Wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, kan God niet liefhebben, die Hij niet ziet. En dit gebod hebben wij van Hem, dat wie God liefheeft ook zijn broeder moet liefhebben" (I Joan 4, 20-21).

Wij kunnen twee redenen opnoemen waarom het tweede gebod zů dicht bij het eerste staat, dat het er de gelijkenis van draagt.

De mens Gods beeld en gelijkenis...

De eerste reden is, dat de mens is geschapen als Gods beeld en gelijkenis (Gen. I, 26-27). Er is veel geschreven over de betekenis van deze woorden. In Gen. I, 26 wordt het "heersen", d.w.z. het mogen beschikken over een deel der schepping in direct verband met het "beeld van Gods" zijn gebracht (vs. 26). Wat God in onbeperkte mate doet, mag de mens (op zijn manier) in beperkte mate doen. Maar daarmee is de diepste zin van de uitdrukking "beeld Gods" niet uitgeput. Zij betekent dat de mens een heel bijzondere plaats in de schepping inneemt: met geestelijke vermogens begaafd staat hij, en hij allťťn (over de engelen wordt niet gesproken), aan de kant van God tegenover al het overige van de schepping: de levenloze stof, de planten en de redeloze dieren. Maar als elk mens een beeld van God is, dan moet ieder die God bemint, ook Gods beeld liefhebben. Men kan van een huisdier houden en dit kan zijn aanhankelijkheid aan zijn meester betonen, maar het begrijpt diens liefde niet. Daarom kan het ook vijandig tegen zijn meester handelen als zijn instinct hem op zeker ogenblik hiertoe aanzet. Maar de mens, die door zijn naaste wordt "bemind", dat is: weldaden van hem ontvangt, weet dit op een geheel andere manier dan het dier en kan dit door wederliefde tonen en zo ontstaan vriendschap en onderlinge liefde. Zo is het ook gesteld met de liefde, die God en mens verbindt. God heeft ons het eerste liefgehad en wij beantwoorden dit op onze wijze. Maar God heeft alle mensen lief, dus zijn allen onze naasten en moeten wij hen allen liefhebben.

Roeping van elke mens

Dan is er een tweede motief om de naaste lief te hebben, vooral "de huisgenoten van het geloof" (Gal. 6, 10). Alle mensen zijn door God geroepen tot de eeuwige zaligheid (I Tim. 2, 4), tot het "van aangezicht tot aangezicht" schouwen van God. Dat zal alleen werkelijkheid worden wanneer wij in ons leven de heiligmakende genade hebben ontvangen, die wij normaal door het doopsel krijgen en daarin ook sterven. Door deze genade worden wij "kinderen van God" genoemd en zijn wij het ook (I Joan. 3, 1). Dit geeft aan allen, die geloven een sterke onderlinge band. Zij zijn op bijzondere manier onze naasten, zij dragen het beeld van God op bovennatuurlijke manier in zich.

Een nieuw gebod

In het evangelie van Joannes lezen wij dat Jezus de naastenliefde "een nieuw gebod" heeft genoemd (Joan 13, 34). Om de betekenis van dit woord goed te beseffen behoeft men het Oude Testament maar te openen. Daarin was de naaste allereerst de volksgenoot, en daarnaast degene die blijvend onder de IsraŽlieten woonde. Maar geheel vreemden waren het niet en vijanden nog minder. Wat de Iaatsten betreft: wij hebben van nature de neiging, die men al bij kinderen waarneemt, om kwaad met kwaad te vergelden. "Oog om oog, tand om tand" is een oude wet, al diende die in de woestijn ůůk om nog erger te voorkomen. Psalmisten vervloekten hun vijanden, die zij ook als vijanden van God beschouwden. Om zijn trouw aan God had de profeet Jeremias zoveel te lijden, dat hij zijn vijanden vervloekte en God zelfs vroeg om hun zonden niet te vergeven (Jer. 18, 19-23; zie bijzonder vs 23). Voor de vromen waren hun vijanden tevens de vijanden van God, wat in hun ogen voldoende motief was om hen te vervloeken, d.i. het kwaad toe te wensen dat zij beslist verdienden. Maar in hun woorden voelt men niet zelden ook de gevoelens van afkeer, soms van haat, waarmee zij jegens hun vijanden vervuld waren. In het Oude Testament was dit nog toegelaten; Jezus heeft hieraan een einde gemaakt. Hij heeft geleerd, dat men ook zijn vijanden moet beminnen (Mt. 5 ,44vv .), wat niet overeenkomstig de natuurlijke gevoelens van de mens is. Er is een bovennatuurlijk motief voor nodig en dit heeft Jezus ons geleerd. Hij heeft ons geleerd, dat God allen zonder onderscheid roept tot een eeuwig geluk bij God, een gedachte die in het Oude Testament pas enkele eeuwen vůůr Chr. begon door te breken en in de oudere en oudste tijd nog onbekend was. Dit laatste maakt het begrijpelijk dat men zijn eigen en Gods vijanden een aardse straf toewenste, hen vervloekte. Alleen zo, dacht men, kon Gods rechtvaardigheid duidelijk worden. Maar in de nieuwe heilsorde zijn wij beter ingelicht. Als wij in God geloven, Hem liefhebben en doen wat Hij van ons vraagt, wacht ons het eeuwige leven. Dat moeten wij allen toewensen en daarom vervloekt de ware christen niemand. Het gebod van de naastenliefde omvat alle mensen. Het hoogste motief ervan is van bovennatuurlijke aard en zo is het werkelijk een door Jezus gegeven NIEUW gebod, dat de christen moet onderscheiden van hen, die het niet zijn: "Hieraan zullen allen erkennen dat gij mijn leerlingen zijt: dat gij liefde hebt tot elkander" (Joan. 13, 35).

Medemenselijkheid

In onze tijd wordt vaak van "medemenselijkheid" gesproken in plaats van naastenliefde. Dit is niet alleen een ander woord, maar heel vaak ook een ander begrip. Een woord heeft de betekenis, die het gebruik eraan geeft. Zij is lang niet altijd die van de uitdrukking, waarvan het (in vroeger tijd) is afgeleid en die soms een heel andere kan zijn. Zo is het woord "heil" afgeleid van "heel" en men kan tegenwoordig nogal eens lezen dat "heil" (b.v. eeuwig heil) en "heilig" niets anders dan "heel" betekent: de mens moet "heel" zijn, resp. worden. Maar "heil" heeft al zeer lang de betekenis van "geluk" en behoorde al bij de oude Germanen tot de godsdienstige sfeer). Als men het gelijkstelt met "heel" en hieraan een profane inhoud geeft, is men op het verkeerde pad.

Met een nieuw gevormd woord als "medemenselijkheid" is het anders gesteld. Dit wil alleen zeggen dat de ander mijn "mede-mens" is, een mens zoals ik ben. Daarom moet ik hem behandelen zoals ik ook zelf wil behandeld worden, waarbij men denken kan aan de oude spreuk: "Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet". De inhoud hiervan is negatief, men moet eraan toevoegen: "Wat gij wilt dat men u doet, doe dat ook de ander". Hier ontbreken de motieven die boven voor de naastenliefde zijn aangegeven, heel in het bijzonder het bovennatuurlijk element. "Naastenliefde" is door het evangelie een christelijk begrip geworden, medemenselijkheid is dat (uit zichzelf) niet, al kan men zeggen dat er een stuk christelijke traditie en praktijk in verankerd ligt.

Daar waar het Christendom totaal is verdwenen en bewust door godloosheid is vervangen, is het met de behandeling van de "medemens" vaak verschrikkelijk gesteld. Wij hebben het gezien bij de miljoenen en miljoenen doden, die het slachtoffer zijn geworden van de communistische ideologie en van HitIer. St. Paulus heeft niet voor niets aan de heidenen van zijn tijd verweten, dat zij "zonder liefde en zonder mededogen"' waren (Rom. 1, 31), waarnaast hij hun nog een hele reeks van ondeugden toe- schreef (Rom. 1, 24 vv.). Wat wij "het Westen" noemen is door het Christendom gevormd en zolang het niet al zijn tradities omruilt tegen een bewust anti-christelijke ideologie, blijven er minstens resten van over . Een zekere eerbied voor de "medemens" behoort daar zeker toe. Hoezeer de Christenheid in de loop der eeuwen in die eerbied is tekort geschoten, het beginsel is steeds gehandhaafd.

De naaste beminnen = God beminnen?

Van zekere (modernistische) zijde kan men tegenwoordig horen, dat het niet nodig is God uitdrukkelijk te "beminnen" of zelfs maar aan Hem te denken. Het is genoeg, zegt men, de naaste lief te hebben (resp. medemenselijk te zijn), want hierin bestaat juist het "liefhebben van God". Sociaal werk doen, opkomen voor de armen en noodlijdenden, voor de "derde wereld" en zoveel meer is God beminnen. Daarom is het niet nodig nog aan God te denken of hem een eredienst te bewijzen. Doet men dit laatste toch, dan moet die eredienst, de liturgie, op de mens gericht 'zijn en zijn noden dienen.

Als men zulke dingen hoort of leest kan men denken aan het woord van Ps. 14, I: "De dwaas sprak in zijn hart: er is geen God!". Met de "dwaas" is de zondaar bedoeld, die nog dom is ook. Bij zijn ontkennen van het bestaan van God denken de meeste uitleggers niet aan een leer, maar aan een praktijk: de "dwaas" doet alsof er geen God is, die Hij moet dienen en aan wiens geboden hij moet gehoorzamen. Zij die beweren, dat het genoeg is om de naaste wel te doen en dat dit hetzelfde is als "God liefhebben", zijn niet alleen dwaas, zij weten niet meer wie God is en wat Hij voor hen betekent. Als de christen de naaste liefheeft, omdat hij Gods beeld is en geroepen is tot de hemelse zaligheid, dan is de liefde tot God het eerste gebod, dat niet opgaat in het tweede (resp. daarin ondergaat) en dat op de ťťrste plaats, bewust moet worden onderhouden en beleefd. Daar komt bij, dat wanneer men God vergeet, Hem niet eert en vereert, niet tot Hem bidt en niet aan Hem denkt, men steeds minder doet wat Hij vraagt en Hem niet dient. Het Christendom houdt dan op nog betekenis te hebben; de Kerk is overbodig geworden, men heeft haar niet nodig. Een minstens praktisch atheÔsme, dat geen God kent, komt ervoor in de plaats. Dan is de bodem rijp voor de meest mens-onterende ideologieŽn. Pius X heeft de modernisten in zijn grote encycliek Pascendi verweten dat zij, wanneer zij over "God" spreken, in feite pantheÔst zijn. Zij vereenzelvigen God met de wereld, met het "Al". Dan is het ook met de christelijke naastenliefde gedaan en blijft slechts het surrogaat daarvan over, de "medemenselijkheid". De klassieke modernist van de tijd van Pius X en de onze gelooft niet, dat God in deze wereld direct tussenbeide komt, dat Hij wonderen heeft gedaan en nog doet, dat Hij geheel bovennatuurlijke genaden geeft en als hoofdoorzaak werkzaam is in de sacramenten. God, wiens naam men nog blijft gebruiken, wordt uitgeschakeld en de mens is het absolute middelpunt van al wat geschiedt. In zijn verhouding tot de ander moet hij vůůr alles "medemenselijk" zijn. Voor de Christenen die in God gelooft, die zich aan de mensen op bovennatuurlijke wijze heeft geopenbaard, is "medemenselijkheid" slechts een begin. Hij wijst haar niet af, maar verheft haar op een veel hoger plan: dat der naastenliefde.

Slotbeschouwing

Wij willen hier nog een slotbeschouwing aan toevoegen. Zoals wij aan onze liefde tot God uitdrukking geven door Hem te dienen en zijn wil te doen (vgl. Mt. 7, 21), zo tonen wij ook onze liefde tot de naaste door hem van dienst te zijn. In Mt. 25, 31vv. wordt een aantal werken van naastenliefde opgesomd: de hongerigen te eten geven, de naakten kleden, e.a. Bij het laatste oordeel zal het al of niet verricht hebben van deze "werken" een reden zijn voor vrijspraak of veroordeling. Waarom? Jesus geeft ten antwoord: "Wat ge de minste van mijn broeders hebt gedaan, hebt gij aan Mij gedaan" (Mt. 25, 40). De christen moet zijn naaste liefhebben omwille van zijn Heer.

God zelf is het eigenlijke en eerste motief der naastenliefde. Maar de lichamelijke noden van de naaste zijn niet de grootste, want Wij zijn voor een eeuwig geluk bestemd. DŠŠrtoe bijdragen is de hoogste uiting van naastenliefde. Jezus heeft ons het voorbeeld gegeven door aan het kruis voor ons te sterven. zeker, Hij was op aarde weldoende rondgegaan, had zieken genezen, duivels uitgedreven, had een treurende moeder haar zoon weergegeven en nog veel meer. Maar door zijn sterven heeft Hij zichzelf gegeven en ons verlost.

De door Christus gestichte Kerk heeft in haar lange bestaan veel gedaan om menselijk leed te verzachten en daarin was zij haar tijd ver vooruit. Ook heeft zij haar missionarissen de wereld ingezonden, die hun vaderland verlieten in een tijd dat daarheen terugkeren langdurig, moeilijk en kostbaar was. In sommige gevallen, zoals aan de Goudkust van Afrika, dreigde hen nog, in de vorige eeuw, een spoedige dood als gevolg van tropische ziekten. Wij geven slechts enkele voorbeelden, maar de hele geschiedenis der Kerk is er vol van. "Groter liefde heeft niemand dan deze, dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden" (Joan. 15, 13). Tal van missionarissen hebben dit gedaan, maar ook de velen die tijdens de pestepidemieŽn, die Europa hebben geteisterd, de pestlijders verzorgden en begroeven met gevaar voor hun eigen leven, dat er dikwijls bij inschoot. Hele kloosters zijn daardoor ontvolkt.

Jezus' verwijten

Maar Jezus heeft niet alleen zichtbare weldaden bewezen aan zijn tijdgenoten. Hij is ook uitermate streng opgetreden tegen hen, die zijn zending in de weg stonden. Heel Mt. 23 staat vol van de tegen de Schriftgeleerden en FarizeeŽn uitgesproken "weeŽn". Dwazen noemde Jezus hen, blinden, gepleisterde graven, adderengebroed. Door zo te spreken misdeed hij niet tegen de naastenliefde, die Hij was komen verkondigen. De ware liefde voor de naaste eist ůůk dat men hem op zijn fouten wijst en hem behoedt voor de gevaren, die zijn lichaam en ziel bedreigen. Wij leven in een tijd, waarin de Kerk van Christus groot geweld lijdt, vooral van binnen uit. Hm geloof van miljoenen wordt bedreigd en tallozen hebben het al verloren, volgens HebreeŽn 5, 4-12, zonder veel kans het nog te herkrijgen. Daarom hebben de herders der Kerk, haar priesters en alle gelovigen, de plicht de dwaling en al wat eruit voortvloeit te bestrijden en minstens openlijk aan te wijzen. De schapen tegen de wolf beschermen is een plicht van naastenliefde. Omdat het kwaad, met name het modernistisch ongeloof, diep in de gelederen der Kerk is doorgedrongen, en het niet centraal en plaatselijk met de uiterste kracht wordt bestreden, voelen tal van priesters en gelovigen zich verplicht het zelf te doen. Velen onder ons, vooral in ons graag zo rustige landje, vinden dit niet aangenaam. Zij verdedigen hun nalatigheid op dit gebied door de anderen van liefdeloosheid te beschuldigen. Zeker, het kan gebeuren dat enkelen in hun woorden (daarbij blijft het bijna altijd) te ver gaan. Bij het bestrijden van de vij- and is het niet altijd eenvoudig maat te houden. Maar dit is van weinig betekenis vergeleken bij het tegendeel: het massale bederf, dat in woord en geschrift over ons heen komt, zijn gang laten gaan. Zolang iemand zelf niets doet om Kerk en geloof te verdedigen, kan hij het beste zwijgen wanneer hij meent dat een ander wellicht wat te ver gaat. Veel mensen zijn vůůr alles gesteld op hun rust en willen in vrede leven. Het is hun gegund. Maar de vrede is de rust der orde, niet die der wanorde. Met de laatste mag niemand tevreden zijn.