www.ecclesiadei.nl
Introibo ad Altare Dei
Hoofdpagina | Tridentijnse Liturgie | Documenten | Bedevaarten | Links | Contact 
 www.ecclesiadei.nl / documenten / DOSSIER: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. / Fatima, 13 oktober 1917-1987

Fatima, 13 oktober 1917-1987

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Uit: Katholiek Maandblad - 1e JAARGANG - No. 2 - FEBRUARI 1989

Alweer meer dan één jaar geleden, op 13 oktober 1987, was het zeventig jaar geleden, dat het beroemde zonnewonder van Fatima plaats heeft gehad. Vanaf 13 mei van het jaar 1917 was O.L. Vrouw, elke maand opnieuw, verschenen aan de drie Portugese kinderen, die schapen hoedden op een heuvel bij hun dorp. Lucia was geboren in 1907 en is nu een en tachtig jaar, Francesco in 1908 en zijn zusje Jacinta in 1910. De beide laatste zijn allang in de hemel en de drie waren, toen Maria hun voor het eerst verscheen, tien, negen en acht jaar oud. Lucia is de oudste, die nu nog teruggetrokken leeft als kloosterzuster, bekend in heel de katholieke wereld. Het zonnewonder was het teken, door duizenden aanschouwd, dat als het ware het zegel drukte op de verschijningen en er de echtheid van bevestigde. Maria had immers beloofd, dat er een teken zou komen ter bevestiging, dat zij werkelijk verschenen was en had gesproken.

Verschijningen, als die van Maria in Lourdes, Fatima, Banneux, in de grot bij San Paolo Tre Fontane te Rome e.d., zijn bijzondere verschijningen. Dat ze werkelijk hebben plaats gehad en wat daarbij uit de hemel aan mensen is meegedeeld, behoort niet tot de inhoud van ons katholiek geloof. Wie ze niet wil aanvaarden is door dat feit geen ongelovige, geen ketter, en staat niet buiten de gemeenschap der Kerk. Wat betekent dit? De profeten van het Oude Testament, Jezus Christus en de apostelen, hebben ons van Godswege openbaringen gedaan (bij Jezus spreek ik van de mens Jezus), die ten doel hadden ons te Ieren wat wij moeten geloven en op grond van dat geloof doen om het einddoel van ons leven: de hemelse zaligheid te bereiken. Die hemelse zaligheid bestaat in het aanschouwen van God van aangezicht tot Aangezicht, zonder einde, in een onuitsprekelijk geluk dat geen tijd meer kent.

Na de dood, de verrijzenis en de hemelvaart van Jezus hebben de apostelen door de Heilige Geest een beter inzicht gekregen in alles wat de Meester hun had geleerd. Bij het laatste avondmaal had Hij hun immers de komst van de Heilige Geest voorspeld, die hun "de volle waarheid" zou brengen (Joan. 16, 13). Dit wil zeggen dat, zowel de betekenis van de reeds gedane openbaringen hun duidelijker zou worden, als dat er aanvullingen bij konden komen, nieuwe openbaringen. Zo heeft Jezus zich ook geopenbaard aan de apostel Paulus, die aan het twaalftal is toegevoegd en met recht een apostel, d. w .z. een door de Heer persoonlijk geroepene en gezondene mocht heten, omdat Hij zich persoonlijk aan hem heeft geopenbaard. Zelf schrijft hij aan de Galaten dat, toen de Zoon Gods zich aan hem bekend had gemaakt -en hij door Ananias te Damascus was gedoopt -hij niet "bij vlees en bloed", d.i. bij mensen te rade was gegaan, maar naar Arabië was vertrokken, kennelijk in de eenzaamheid van de woestijn. Vandaar keerde hij terug naar Damascus en eerst drie jaar later ging hij naar Jerusalem om daar Kefas, d.i. Petrus, het hoofd der Apostelen en van de Kerk te ontmoeten, terwijl hij er van de andere apostelen niemand heeft gezien dan Jacobus, de broeder des Heren (Galaten 1, 16vv.).

De Apostelen hadden in de oude Kerk een heel bijzondere plaats. Zij genoten het voorrecht der persoonlijke onfeilbaarheid in het verkondigen van de geopenbaarde leer, een voorrecht, dat nu nog slechts wordt genoten door Petrus' opvolger op de bisschoppelijke stoel van Rome en dan alleen nog wanneer hij als hoofd der Kerk een uitspraak doet in gek>of en zeden en ieder Christen verplicht zich eraan te houden, omdat hij anders schipbreuk zou lijden in het geloof.

De apostelen moesten bij wijze van spreken welonfeilbaar zijn in het verkondigen van het geloof, want hoe zouden zij anders de Kerk hebben gesticht, die volgens een ander woord van Paulus "één Heer, één geloof, één doopsel" heeft (Efez. 3, 4).

Met de dood van de laatste apostel had de officiële openbaring opgehouden en zou er geen meer komen. Daarom behoort zij tot de inhoud van ons goddelijk geloof en géén andere kan daartoe behoren. God heeft ons door de profeten, zijn eigen Zoon en diens apostelen, de weg geopenbaard die tot ons einddoel leidt. Dit houdt o.a. twee dingen in: enerzijds dat de bisschoppen der Kerk, die de opvolgers van de apostelen worden genoemd en zijn, in de Kerk niet diezelfde hoge en uitzonderlijke functie hebben als de apostelen -zij genieten immers niet de genade der persoonlijke onfeilbaarheid en ook strekt hun persoonlijk herderlijk gezag zich niet verder uit dan het gebied waarvoor en waarover zij zijn aan- gesteld (de apostelen hadden elk een zending voor de hele wereld), en anderzijds, dat elke openbaring, die God later aan mensen heeft gedaan, niet het bindende gezag heeft, als de aan de apostelen geschonken openbaring. Zij kan het ook niet hebben.

Maar dit laatste wil in het geheel niet zeggen, dat wij vrijuit zouden gaan wanneer wij er ons niets van zouden aantrekken, wanneer wil er de schouders bij zouden ophalen en denken of zeggen: de leer van de Kerk wil ik wel aanvaarden, maar alles wat daar buitenom wordt verteld gaat mij niet aan. Neen: de openbaring, zoals die nog aan de apostelen is gedaan en met de dood van de laatste van hun getal was afgesloten, leert ons de inhoud van het geloof, wat wij moeten geloven, om, in en uit dat geloof, levend zalig te worden. Later heeft God openbaringen geschonken, heel bijzonder via Maria, om ons te waarschuwen, ons aan onze plichten te herinneren en ons op het rechte pad te houden.

Soms heeft de H. Maagd gewezen op het verrichten van bijzondere devoties, vooral op het bidden van de rozenkrans. Ook hebben wij gehoord dat b. v. het houden van een bepaald aantal vrijdagen of zaterdagen bijzondere gunsten van de hemel voor ons kan verkrijgen, genaden die ook op andere manieren ons deel kunnen worden en zullen worden, wanneer wij ze van God afsmeken en er ons door een zuiver en heilig leven op voorbereiden.

Daarom is het zaak voor ons, de mededelingen die God ons door Maria werkelijk heeft gegeven, ernstig ter harte te nemen. Wij moeten dit goed beseffen en wanneer wij dit doen, gaan wij niet vrijuit indien wij er niet naar handelen.

Maar wij moeten nog iets anders bedenken. God heeft zijn openbaring geschonken aan zijn heilige Kerk. Zij en zij alleen is, door haar leiding, leer en sacramenten het door God beschikte middel om ons te redden en zalig te maken. Aan háár komt het dus toe om te oordelen of de inhoud van z.g. privé-openbaringen in overeenstemming met haar heilige leer is. Omdat het voor de gelovigen en voor de Kerk van zo'n grote betekenis is of Maria, het H. Hart van Jezus, een engel, een heilige, werkelijk zijn verschenen (met betrekking tot wat zij hebben gezegd of zouden hebben gezegd) komt het aan de Kerk toe een oordeel te vellen of de verschijningen al of niet hebben plaats gehad, of dat dit laatste niet vaststaat. Een verstandig en daarbij volgzaam Christen onderwerpt zich aan dit oordeel. De Kerk en haar deskundigen kunnen het beter uitspreken dan wij. Er gaat bovendien voor ons niets verloren als de Kerk pas op een later tijdstip haar fiat geeft of het weigert omdat zij meent, dat in een bepaald geval er geen verschijningen hebben plaats gehad. Er zijn er altijd nog andere.

Het is geen gebruik, dat de H. Kerk daarbij meteen haar hoogste gezag laat gelden of de gelovigen pas toestaat de verschijningen te aanvaarden, wanneer dit hoogste gezag er zich over heeft uitgesproken. Doorgaans laat zij het eerste oordeel over aan de plaatselijke bisschoppen en laat dan haar goedkeuring blijken door haar praktijk. Een bijzonder duidelijk voorbeeld van het laatste zijn de bezoeken, die nog de laatste Pausen aan Fatima hebben gebracht en waarmee zij niet door een uitspraak, en zeker niet door een onfeilbare, maar door hun daden, hun pelgrimstochten en de bij die gelegenheden uitgesproken publieke gebeden, de waarachtigheid der verschijningen impliciet hebben bevestigd. Zo is het ook het beste.

Dat gezag is er niet om zich (en dan nog welonfeilbaar) uit te spreken over particuliere verschijningen, daargelaten het feit, dat hierin veel Groteren, zoals Jezus en Zijn Moeder, verschijnen en het woord voeren.

Wij mogen dus veilig zeggen, en als verstandige gelovigen moeten wij dit in zekere zin zelfs doen, dat Maria te Fatima is verschenen aan drie kinderen en hun boodschappen heeft meegegeven voor ons allen. De inhoud van deze boodschappen is in het algemeen, dat wij er nog eens en met de uiterste aandrang, aan worden herinnerd, dat wij moeten leven zoals God dit van ons wil, want de gevaren die ons bedreigen zijn groot.

Daarvoor zijn bijzondere middelen aanbevolen - niet bevolen - zoals het bidden van de Rozenkrans, het doen van boete, het vieren van eerste zaterdagen van de maand, en nog meer. Ook heeft Maria de bekende voorspelling gedaan omtrent de bekering van Rusland en de voorwaarden meegedeeld, die zij daarvoor heeft gesteld. Maar ook dit bevel was niet absoluut, zoals die van het evangelie, en evenmin waren de voorwaarden absoluut. Tenslotte heeft zij ook geheimen geopenbaard, die later bekend zouden moeten worden gemaakt en waarvan het beroemde derde bestemd was voor de Paus, die het in 1960 bekend zou moeten maken, wat Joannes XXIII en zijn opvolgers niet hebben gedaan; de huidige paus ook nog niet. Velen en ook wij betreuren dit.

Over de motieven kunnen wij echter niet oordelen, want eerstens kennen wij de inhoud van het z.g. derde geheim niet, ten tweede kan het geen nieuwe geloofswaarheden inhouden en ten derde zijn ons de redenen waarom de Pausen het nog niet openbaarden onbekend en kunnen wij er alleen maar naar gissen. Doordat wel iets is uitgelekt, is dit gissen niet meer zó riskant als het is geweest. Het lijkt erop, dat in het derde geheim geen wereldcatastrofen zijn voorspeld, zoals de vernietiging van een deel der aarde door atoombommen, maar de catastrofen die de Kerk sinds 1917 zouden treffen in haar geloof. Ons antwoord hierop kan alleen maar zijn: een sterker geloof en de vaste wil volgens dit geloof te leven en zoveel als in ons vermogen ligt ertoe bijdragen, dat anderen volgens dit geloof leven en niet voor alle eeuwigheid hun einddoel missen.

Nu nog het teken van Fatima, het zonnewonder. Het bestond hierin, dat op 13 oktober, na een verschijning van de Moeder Gods aan de kinderen, de felle regen die viel, plotseling ophield en de zon schitterend tussen de wolken verscheen. De tallozen, die aanwezig waren, konden recht in de zon zien, minuten lang, zonder door haar schijnen te worden verblind. Plotseling begon de zon zigzagbewegingen te maken, ongewone stralen uit te schieten en om haar as te draaien. Op het zien daarvan schreeuwde en bad men. Toen het eindigde was alles droog. Het was alsof er geen druppel regen was gevallen, die de klederen der omstanders doornat had gemaakt.

Jezus had zijn apostelen voorspeld, dat wondertekenen hun prediking zouden vergezellen. Wij hebben ze weliswaar niet nodig. Die van het evangelie en vooral Jezus' verrijzenis uit de doden zijn genoeg. Maar wonderen versterken zo ons geloof! Zij brengen ons in contact met de ongeziene bovennatuurlijke werkelijkheid van God, zijn engelen en zijn heiligen en vermeerderen in ons blijde zekerheid, dat ook wij daar eens zullen zijn. Zo heeft het wonder van Fatima opnieuw bevestigd, niet alleen dat Maria daar werkelijk is verschenen, maar nog veel meer: dat er een God is, die zich met de wereld en met ons bemoeit en ons voor eeuwig gelukkig wil maken. Danken wij Hem daarvoor uit de grond van ons hart en bidden wij Maria om haar voorspraak, voor ons, voor Rusland en voor heel de wereld.